VE RHANDELINGEN, ' UITCEGEEVEN DOOR DE HOLLA NDSCHE MAATSCHAPPYE D E R WEETENSCHAPPEN, / T E H A A R L E M. XXX. DEEL. VERHANDELINGEN, UITGEGEEVEN DOOR DE HOLLANDSCHE MAATSCHAPPYE PER WEETENSCHAPPEN, T E HAARLEM, XXX. Te HAERLEM en AMSTERDAM, BY C. P L A A T en J. A L L A R T Drukkrs van dc Bollandjche Maatfchappye der Wectenfchappen 9 1793. Met Privilegic der Ed. Groot Mog. Hecren Staaten van Holland en YVest-Vrieslaiid. VOORBE RIGHT BEVATTENDE HET V E R V L G DER . H I S T O R I VAN D E * HOLLANDSCHE MAATSCHAPPYj DER WEETENSCHAPPEN. Maatfchappy heefc zederd haar laatst historisch bericht van 20 Juny 1793 , heC geen voor het XXIX. deel van haare werken geplaatst is, uitgegeeven het volgende Pro- gramma voor het Jaar 1794. * D* ti VOORBERICHT* * * * D __ Hollandfche Maatfchappy der Wetenfchap- pen, heefc in haare Jaarlykfche groote Vergadering, den 19 Mey 1794, geoordeeld: I. Dae het antwoord op de vraag, betreffende de redenen en oorzakcn , dat zemmige Prouwen , op zommige plaatzen , na eene natuurlyke verlosfing , dlkke lichaamen behouden , tot zinfpreuk hebbende: longe tutlus & facilius &c. geenzins verdiende mec een eerprys bekroond te vvorden. Zy heeft wyders befloten deeze vraag niec weder voorteltellen. II. De vraag betreffende de Nederlandfche Delf- ftoffen^ welke in 1792 voor de tvveede maal, voor her fonds van wylen den Heer N. W. KOPS, is op- gegeeven, om beantwoord te worden voor i Nov. 1793, niet beantwoord zynde, is befloten dezelve noch eenmaal optegeeven. Zy luidt dus: Welke zyn de Delfftoffen, Mnnen den omtrek der zeven Vereenlgde Provinclen en derzelver Geasfoci- eerde Landfihappen te vinden, van welker verdere nafpooring men met genoegzaame redenen nut voor 9 t Paderland kan verwachten? Men begeerc geene enkele lyst van gemelde Delfiloffen, maar te- vens de redenen , waarom men zich van derzelver ver- VOORBERICHT. in l vefdere nafpooringen voofdeel voor het Vaderland hebbe te belooven. Te beantwoorden voor I Nov. 1796. III. Op de vraag betreffende de Astronomifc'heKe- fra&ie, voor de tvveedemaal in 1790, onder aanbod van een dubbelen eerprys,voorgeileld orri beancvvoord te worden voor i Nov. 1793, geen antvvoord ontfan* gen zynde, is beflocen dezelve thans met weder op- tegeeven. Wyders heeft de Maatfchappy goedgevonden , voor die Jaar , de volgende vraagen voorteftellen. I. Welke zyn de onderfchelden Rasfen van Schaa* pen, die in de Vereenigde Nederlanden gevondcn warden, en de vtrfchiilende wyzen der bezvrging van dezelven ? Men verlangt hler by te wee ten derzelver gewoone grootte en zwaarte 9 de afmeetin- gen en zwaarte van den romp., en van de leden, de gewoone langte, fynheid, en het gtwicht der wol$ het getal der jongen , weike zy jaarlyks werpen ; en- of het grooter aantal der wervel beenderen , door den, Hr. D A u B E N T o N in zommlgen meer dan in an* der en waargenomen , a an eenlg byzonder fas el gen zy , dan alleen voor eene Jpeeling der Natuur moet geholiden worden ? Ah nieede of *er onder de yerfchil* lende r as fen noch een oorfpronglyk aan din land eigetl gevonden worde? Te beantwoorden voor j Nov. 1797* II. Voor hec fonds van wykn den Heer N. W* KOPS. * s Wat tv V O O R B E R I C H T, Wat lieeft de ondervinding geleerd omtrent hot nut , het geen zommige fchaddyk fchynende Dieren 9 ityzondsrlyk in Nederland, aanbrengen; en we/ke omzichtigheid heeft men dizmvolgens in acht te net- men, in het uit rosy en van dezelven? Te beantvvoorden voor i Nov. 1796. De Maatfchappy hcrinneri:, dat zy in voorige Jaat- ren de volgende vraagen heefc voorgellcld. I. Kan men op voldocnde gronden,. zoo uit de aan tekeningen in de Hospltaalen en Doodenlystcn, ah anderzins , bewyzen, dat 'er in rcden van het getal der Ingezectencn , inzonderhtid van de tiieuw lings nit Europa te Batavia aarigdanden , thans ongelyk vneer Menfchen aldaar ziek worden en flerven , dan voorheen , met byvoeginge wanneer de kennelyke ver- meerdering begonnen y en van tyd tot tyd toegeno* men is? Wdken zyn hier van de voornaame oorzaaken ? En kan men uit den aart der zlekten^ en uit verge- lykinge met andere plaatzen , in Europa zoo wel ah in Oost - Indien , maar vooral uit de gefchiedkundige plaatsbejchryvinge van Batavia , tot eenen trap van. de hoogfle waarfthynlykheid betoogen, dat die Stad^ to en de Gragten b inn en dezelve , we Ike weleer , to en zy voor eene der gezondfle plaatzen in Oost - Indien 9 gehouden werd, vol 'water waren^ nu in fommige tyden van hetjaar zeer ondiep en droog zyn,enftin- kende Dampen zich over de Stad verjpreiden, in evenredigheid {behalven andere naadeelige gevol- gen*) fleeds ongezonder geworden, en zulks derhal- ytn V O O R B E R I C 1 1 T. v yen ah de Hoofdoorzaak der meerdere ongezondhetd teftellenzy? En eindetyk , hoedaanlge verbeterlngen zyn hier* omtrent , met hoope van een goad gevolg , uit te den- ken en werkftellig te maaken ? Voorgefteld in 1782, en voor de tweedemaal in 1788 om te beantwoorden voor i Nov. 1794. II. Daar, volgens de bekende gronden der Water- loopkunde, de Ynelheid der Rivieren vermeerderen moet, naar maate (fchoon niet in dezelfde reden) van de vermeerderde hoeveelheid waters, die zy af- voeren, het geene wyders een uitfchuuring van den bodcm , wanneer die daartoe gefchikt is, ten gevol- ge heefc, en langs dien weg te weeg bren^;t,dat dee- ze vermeerderde hoeveelheid van water, niet te min geene, of flechts wcinig meerdere watershoogte op de Rivier veroorzaakc, gelyk zulks door verfcheide voorbeclden van vereenigde Rivieren in Italien, die over een zandig bedde ftroornen, bevestigd word; daar egter fommige Rivieren in ons Land, en wel voornamelyk de Ncder-Rhyn het tegendeel fchynt te bevestigen, voor zoo verre deeze tak, federt, mec het begin deezer Eeuw, de toevocr van water aan denzelven, zoo wel by hooge als laage Rivier, zeer aanmerkelyk vermeerderd wierd, eerder verondieptj dan dieper geworden is, en de aanpaalende Dyken, ten minften voor de federt 1771. gemaakte verbete- rhig omtrent de verdceling van het opperwater tus- fphen de verfcheide Rivier -Takken, niet zelden in gevaar gebragt hcefc, zo word gevraagd: IVelke is of zyn dc redenen^ waarom bepaaldlyk * 3 f*4 vi V O O R B E R I C H T. In laatstgcineldt Itivier-Tak de ititkomst met be- antwoordt maar vcel eer ftrydt met den bovenaange- haalden, op reden en ondervlndingfleunendengrond- re^el der Water loopkunde? en byaldien deeze reden vf redenen nlet flechts onderftellenderwyze , maar m^'t ztkerheid aangewcezen kunnen worden , zyn zy , of eenlgen van kaar van dicn aart, dat zy door ge- paste middelen te kecr gegaan kunnen worden ? en zojaa, welke zyn die tniddelen? Voorgeftcld in 1791, voor hec Ponds van wylen d'.-n Hecr N. W. KOPS om te beantwoorden voor i Nov. 1794. III. Is het Heulfap in den Per sloop ult befmettwge nlet alleenlyk een hulpmiddel ter verzagting en ftil* ling van Toev alien , miisgaders ter voorkoming van derzelver gevolgen; maar bovendien , een Hoof d- middel, waaryan men de. geneezlng der Ziekte , tot cenen aanmerkelyken trap aanweezig^ in eenig tyd~ perk derzelve, met genoegzaarne veil'tgheid mag af- wagten P Zoo jaa : welk is dat Tydperk , ofte die byzondere ftaat der Ziekte , bier toe gej'chikt ? En welke is als dan de bekwaame toedlening, hoevedheld tn hsfhaaling In bet aanwcnden van dlt Mlddel^ ten deezen einde In acht te neemen? Zo neen ; wat meet men als dan houden van de Re den-en , ter ftaa- vinge der verfchillende Leer en opgegeeven ? Men verlangt niet zoo zecr redeneeringen uit den aart van het Heulfap, ofte uic de eerile oorzaak van deezen Persloop ondeend , als wel zulken , die fteu- nen op eigene Waarneemingen en verder op waamee- mingen van andereflj van die beilipthcid , dat zy ee- V O O R B E R I C H T. vii ncn Arts, fchoon misfchicn bevoorens van verfchillen* de meening , ofte ook van fchynftrydige ondervinding, beh'ooren te bepaalen cot zulk eene toellemming, vol- gens welke hy zyue handelwyze voortaan gerustlyk mooge inrichten naar geleide der beflisfing. (*} Voorgefteld in 1787, voor hec Fonds van wylen den Heer N. W. KOPS, en voor de tweedemaal in 1791 om te beantvvoorden voor i Nov. 1794. IV. Aan de Maatfchappy vermaakt zynde zeker le- gaac, by onderhandsch Codicil van wylen den Eerw. Heere JAN HOOYMAN, in leven Luchersch Predi* kanc te Batavia , en lid van deeze Maatfchappye , ge- da- *) Bedoeling van eenige Uitdrukkingen in deeze Vraag : 1. In den Persloop nit befmetting, fchync de Ziekte - ftoffe van buiten aangekoraen , en het.fpyscanat:! onmiddelyk aan- doende, als de eerfte oorzaak door eenen Arts voor a lies in aanmerking te inoeten worden genomen. De ontlascing en tern- xning deezer ftoffe fchync alsdan by heia het hoofd-oogmerk te tnoeten zyn; alle Toevallen fchynen gevolgen ofte uitwerkze- len van die (loffe; andere bykoinende oorznnken kunnen als- dan flegts de tvveeden zyn. In een Persloop uit andere eerfte oorzaakeu, is 'er een verfchillend hoofd-oogmerk. Men laac de bedenkingen over eene alsdr.n gepaste geneeswyze nan haa- re plaats. Men bepaait zich tot den gewoonen Persloop uic befmettinge ^ ten einde het voornaame doelwit der Vraage, door weeringe van tusfchenko jmende voorwerpen, te beter in het oog te houden. 2. Waarneemingen eener behandeling der Ziekte, tot eenen aanmerkelyken trap aanweezig, kunnen alleen beflisfend zyn. De natuur kan, in laagere trappen, wan p oeglyke raiddelea verbeteren , en dn asn denzelven den fchyn van hulpmiddelen laaten , ofte ook de ontftentenis van gepaste middel^n vervul- * 4. lea vm V O O R B E R I C H T. dateerd den 21. August 1782, onder verband van uit> telooven eenc prsemie van eene Gouden Medaille, op haaren gewoonen Stempel geflaagen, aan den geenen, dewelke de (volgens haar oordecl ) besce Verhande- ling haar zal hebbcn geprsefenteerd over de llefde to& bet Faderland met byzondere tocpasfing of den te~ genwoordigen toefland van ons Gemeenebest. ZQ heefc de Vergadcring van 21 Mey 1793. daarcoe be- iloccn, vervvachtende de Verhandclingen der geenen, die na dien prys vvillen dingen, voor i Nov. 1794* V, Welke is de tegenwoordige Genees- en Heelwy- ze der Oosc-Indifqhe Volken , QQk der Chineezen ? en wet- len , en dus , uit deezen of geenen hoofds , eene beflisfende uitfpraak verhinderen. 3. Men veriangt eene genoegzaame veilighcid, zonder eene volkomene te vereifchen, 4. Redemeringen nit din aart der zaaken , fchynen in de Geneeskimde beter gefchikt ter handleidinge tot Proefneemiu- gen, als vvei ten grondflage eeniger Leere, die op genamene proeven alleQii vejliglyk kr.n beves[igd warden. 5. Her is niet vreemd, drt een Arts, bot vierende aan zy- ne zugc oih eenig raiddel of handelvvyze, ten beste der men- fcben , in zwang te brengen , of te doen verwerpen , opge- merkte verfcbynzelen. vergrpot of verkleint, en, uit byzon- dere gevallen te algemeene gevolgen trekt. Weshalven geene Proeven, opgegeeven ter ftnavinge eener gewigtige Leere, ook fchoon men de goede trouw van den Waarneemer erkent , ons tot naavolginge behooren te bepaalen , dan zulken , die men naa overweeging der oinftandigheden bevoelr, dat ver~ fchillende meeningen , die in ons be^ oorens misfchien hebben plaats gehad, doen verdvvynen , ofte Jchynftrydi$e ondervin* dingen in oi onuenuwen* V O O R B E R I G H T. ix welken zyn de natuurlyke voortbrengfelS) die zy daartoe bezigen? Voorgefteld in 1784, en voor de tweedemaal in 1790, om te beandwoorden voor i Nov. 1795. VI. lat leercn de laatere ontdekkingen in d& Scheikunde, omtrent den Aart der Gisang, en welke voordeelen zouden fommlge Traficqiicn hieruit kun- nen trekken^ by welke gist ends ft off en gebezigdwor* den ? Voorgefteld in 1790, (voor het Fonds van wylen .den Heer N. W. KOPS) en voor de tweedemaal in 1792, om ce beancwoorden voor i Nov. 1795. VII. Wdk licht verfpreidt bet Scheikundig leer* ftelzel wn LAVOISIER, en de wyze van , volgens hetzelve , de beflanddeelen van dierlyks 9 plant aar* tige en andere ft o fen te onderzoeken , over de Na tuurkennh van V menschlyhe lighaam , en over de kennis van het geene , het welk voor hetzelve voor* deelig of fchadelyk is, en welke voordeelen kan de geneeskunst thans reeds daaruit trekken ? . Voorgefteld in 1792, (voor. het Fonds van wylen den Heer N. W. KOPS,) om te bcantwoorden voor j Nov. 1795. VIII. Welke wrdeelcn heeft de beoefening der Metaphyfica het menschlyke geflacht aangebragt^ en weike weezenlyk nuttige waarheeden zyn door dezel- ye in V licht ge field of bewezen, we Ike ons zonder derzelver beoefeninge zouden onbckend of onzeker ge- bhven zyn? Voorgefte'ld in 1793, om te beandwoorden voor r Nov. 1795, * 5 IX. x V O O R B E R I C H T. IX. Welke Inlandfche tot hiertoe min beproefde Plantgewasfen , kunnen met nut gebruikt , en in owe slpoitieken ingevoerd word-en, in plaats van Uitlandjcken Geneesmiddelcn ? De Maatfchappy vcrwachc hicrop mike antwoor- den, waarin de krachccn en nuttigheid dier Inland- fche Geneesmiddtlen nice bloodyk op her getuigcnis van anderen aangenomen , maar op oorfprongiyke proeven , en waarneemingen in bns Vaderland gedaaa ruscen. Voorgeftcld in 1793* cm te beandwoorden voor I Nov. De volgende vraagen blyveir, onder aanbod vr.n ilen gewoonen eerpiys, VOOR EEN ON B EPA A L- D E N T y D voorgelteld. I. N&aderfiaal een zuivere Damfkring van zoo groot bclang is voor de gezondheid der Ingezetenen, en dezelvc by *t flaar.ds ofte lan^zaam aftoopende IPater in de Rivier {die dagelyks in den omtrek van Batavia met vecle dLizevdcn pctulen vtdlighteden aan~ gevitld word,) onmogelyk kanverkregen worden: Welk is het beste Middel , om eene flerker ejchuuring en afvoering deezer vulle ftoffen te verkrygen en te cnderhouden, en aan Batavia een zuiyerer en ge~ Wilder lucht ts bezorgen? Voorgeikld in 1779. II. Welke is de beste inrichtmg om aan de Jeugd u Batavia eene opvoeding te geeven , die meest ge- is 3 om haar verfland t* befchaaven , liaar in V O O R B E R I C H T. nuttige Konften en Wtetenfchappen bedrecven to ken , en haar goede zedslyke gevoelens inteboezemen ? Voorgefteld in 1780. III, Wat moet men denken van de trapswyze op* Idimminge, welke vcele , zoo oude ah hedendaagfche, Wysgecren hebbcn gefleld flaats te hebben tuifchen de Natuurlyke weezens? en tot wdk eene zekerheid kunnen wy geraaken omtrent het daadlyk beflaan van die opklimming y en van de orde , welke de Ufa titur daarin volgt? > ~ De Maatfchnppy vcrlangc op deeze Vraage g^ene Overnatuurkundige\>w\\&e\\r}gQV\i maar zal alleen Antwoorden, die uic teNatuurlyke Hi stone ondeendl. ^yn, in aannierkmg neemen ; Voorgefleld in 1781, IV. Welken zyn de beste middelen , om- Jiet gebruik tier Nederduitfche Spraak onder de Maleiers, Javaa- nen , Cingaleezen en Malabanren intevoeren en meer en meer algemeen gebruikelyk te maaken^ Naade* maal het' ontegenzeggelyk is, dat het gebntik der Spraak eener Natie, de an der e-^ die ze aanleert 9 meer en meer aan haar verbindt^ haar meer ge- negenheid en yver voor die Ntttie inboezemt, ze gefchlkter maakt, zo het een nog onbefchaafde Na- tie is, tot betere begrippcn van Godsdienst^ Zede- kunde en Natuurkundlge Naafpooringen , om be* fchaafd'ieid van het vcrfland te ontvangen , en dm brulkbaarer tot de Zeevaart y Wupenoeffening, en veele andere nuttige en noodsaaklyke Konften en Handwerken te worden'i Voorgefleld in 1781, V, xa V O O R B E R I C H T. V. Op te geeven den besten toeftel^ om op de %e- waklykfte en zekerfte wyze Proefneemingen omtrcnt de verdikte Lucht te kunnen in 9 t werk ftellen: 2. Met den besten toe ft el de werking der ver'dikte Lucht , //; verfchlllende gey alien , naa te gaan^ en inzonder- lieid /iet Dierlyke Lev en % den groel der Planten, en het bran den in lucht van verfchillende dlgtheld te. beproeven. En 3. aantewyzen , welke gevolgen of vieuwe. leer iv gen filer uit kunnen afgeleid wot'tlenl Voorgeiteld in 1782. VI. Iloe verre kan men thans uh wel bevestigda en beflhfendeProefneemingen enQndervindlngsn een& wel gegronde Theorie omtrent den aart van het Vuur\, en de oorzaak derWarmte opmaaken* En wat heeft men hieromtrent nog al$ twyffelachtig aantemer* De Maatfchappy zng gaarne, dat de geenen, die tia den uicgeloofden prys willen dingen, dc Proefnee- mingen van anderen, welken zy toe flaaving eenet Iheorie bybrengen, herhaalden, indien dezelvcn nieC by herhaalinge reeds genoegzaam bevestigd zyn. *- Voorgefteld in 1783. VII. Dewyl eene omlasting van Water ten aanzicn van haare nuttigo gevolgen niet beoordeeld kan wor- den , zonder tevens den toevoer en verderc plaatslyke omilandigheden, die zoodanige ontlasting verzellen, in aanmerking te neemen, zo word gevraagd: Kan de nuttlgheid, en derhalven ook dc noodzaak- lykheid van een Rhynlandfchen Slaperdyk, in geval yan V O R B E R I C H TV xnr van over loop, het zy uit de befchouwing van voor en ^ of ook door ontwyffeibaare bey in din gen aan^eioond w or den ? Voorgefteld in 1786. VIII Hoe verkrygen de Plant en haare voedfels^ Wat is dezelven hierin voordeellg of hinderlyk** En welke onderrigtingen zyn ^er 9 uit het geene ons hier- Van bekend is , ten nutte van den Landbouw , of ter voortkwsekinge van de Ge was fen in het algemeen , tz trekkcn ? Voorgefteld in 1786. IX. Wdken zyn de ondenverpen, betrefende de. Dieren onzes Vaderlands , van welker verdere naa- fpooringe men met genoegzaame redenen nut voor het Fader land kan verwagten ? Van zoodnnige ondervverpen verlangt de Maatfchap- py geene enkele lysc, maar cevens de redenen, waar- om men van derzelver verdere nafpooringen voordeel voor hec Vaderland hebbe ce vervvachcen. Voorgefteld in 1789. X. De Prysverhandeling van wylen den HeerPAU- LUS FRIST, dienende coc ancwoord op de Vraage aangaande het verklaaren der ongelykheden der Sa- tellites van Jupiter, in hec 25ile deel van haare Werken zynde uicgegeeven , zo heefc de Maatfchap- py zederc in elk Programma herhaald haare vcrklna- ring: dac haars oordeels , de Schryver daarvan weinig of niets heefc gevoegd by hec geene reeds te vooren door de beroemde Heeren BAILLY , DE LA GRANGE en xiv V O O R B E R I C H T. ?n FRISI (zelven) gedaan was, omtrent dit ondef* werp, en dat hy aan hen voornaame oogmerk der Vraage, om naamenclyk de Theorle aan de Waarnee- wingen te toetfen , en daardoor dc gegrondheid zy* ner Theoric boven die dcr gemelde Heeren aantetoo- nen , in her geheel niet heeft voldaan. Zy noo- digt derhalven, onder aanbod van den dubbelen ecr* pry*) elk eenen uic, om te voldoen aan het geene by haar tot volmaakinge van gemelde Verhandeling is begeerd by hec Programma van 1785, zynde die Ar- ty k el van deezen inhoud. De Maatfchappy verlangt niet zoo zeer, dat de ^ Schryver zich bezig houde met de enkele Theorie uit de Wet dcr aantrekkings kracht afgeleid , maar 99 veel meer en vvel voornaamlyk, dat hy de Theorie. cp de Waarneemingen toepasfe, en met dezelven vergelyke , opdat men , door de meerdere of min* 5, dere overeenkomst met de Waarncemingen ovet 5 , den graad van juistheid , zoo wel van zyne als van 3 , an dere Theorien, zoude kunnen oordeelen* Met ^ voornaame oogmerk der Maarfchappy is , om,langs dien weg, van de Beweegingen der Satelliten van 5, Jupiter zulke Tafels te verkrygen , welken naauw- ,, keuriger zyn, dan de tot hiertoe bekenden; *t zy 5 , dan dat die Tafels volgens die enkele Theorie wier- den zamengelleld; of wel, zo deeze alleen onvol* doende bevonden wierden, met behulp van Em* pirifche JEquatien, uit de Waarncemingen afge- leid. En , dewyl de Waarneemingen van den derden en vterden Trawant onnaauwkeuriger en zeldzaamer zyn, dan die der Twee overigen, zal de Maatfcbappy zich vergenoegeri , wanneer* het ,, geene zy verlangt, voornaamlyk maar omtrenr den etrt* V O O R B E R I C H T. xv ? , eerften en tweeden Trawant , wier waarneeming 5 , wel den grootflen invloed heefc op de Zeevaart en Aardrykskunde > door den Schryvrer wordc vol- bragt. " ( De Voorwaarden zyn dezelfden , als die by voo- rige Prograrama's zyn bekend gemaakt. ) TOT DIRECTEUREN zyn verkoren de Heeren: WILLEM PHILIP KOPS, Koopman te Haarlem. Mr. WILLEM VAN HOGENDOPvP, Secretariat der St ad Haarlem* i Tot SECRETARIS: MARTINUS VAN MARUM, A. L. M. Phil. & Me (I. Do ft. Direfteur van het N at ur alien Ka bi- ne t deezer Maatfthappy'e , en van de Phyfifche & Natur alien Kabinetten van Teylers Stickling* Tot LEDEN: HENRICUS CONSTANTINUS CRAS , ^ F. D. & in lllustri Amftd hunne haardfteden en altarcn met alle in/panning van kragten verdedigen, Maar dat groot gefchil is reeds merkelyk bedaard 9 en ookten dele onlangs be- ,jli$t , door V geen de Leydfche Hoogleeraar P. NIEUWLAND in zyne Redevoering over den ftaat der Natuurkundige Wetenfchappcn , met dien der fraye Iccceren vergeleken ? en uic den aarc van beiden opgehelderd (*), yoortreffelyk voordraagt; ten dele kan het zelve door ene naauwkeurige onderfcheiding nog nader v ere fend warden en weg geruimd. Ik ken den Wysgeren , die nu twe euwen rugwaards , met den grootften roem , de wetenfchappen bevorder- den , den verdienden lof gaarne toe. Immers kan tog in de eerfte plaats niet ontkend worden , dat zy \n het behandelen der wetenfchappen , door ene - naauwkeurige leerwyze en flipte orde , meestal de (*)PETRI NIEUWLAND Oratio de ratione disciplina- rum Phyficnrura , cum ratione elegantiorum , qu* vocantur , litterarum eomparata , et ex wrarumque namra illuftrata. Lugd. fiatav. O R R E D > g Quden overtroffen hebben. Ten anderen^ hoe zee? de roem van de uitvinding der Wiskunde aan den Quden toekomt , hebben egter DES CARTES, HUY- GENS, KEPLER, BOYLE, NEWTON, en andere ligten onzcr euwen , het nut dier voortreffelyke weten- j'chap,;door ene welder ultgeflrekte toepasfing zeer vermeerderd en ultgebreld. Het fchrander breln en de onvennoeide vlyt van deze groote mannen hebben te wege gebragty datdeNatuurkunde, die voorheen veelal in niets anders dan in verdigtzels en losfe ver- onderflellingen beftondt , niet alleen door ene meerde* re beoejfening derWiskunde zeer veelverbeterdwierdf 9 maar ook nog door vele andere hulpmiddekn , wel ken de Quden ontbeerden , t of den luister van ene ^are en zekere wetenfchap is opgeklommen. Qnder die hulpmiddelen zyn vooral de vergrotende en ver kleinende glazen , verrekykers , lugtpompcn , -j^^r- glazeny eleftrizeer- en ontelbare andere werktuigen te tellen; welker uitvindlng , voor ver het grootfle gedeelte , meer aan het blind geval , dan aan opzet* telyke pogingen zynde foe te fchryven , is het geen zo groot wonder , dat de oude Wysgeren dien ho gen trap van volmaaktheid , zelfs niet eens konden vennoeden^ tot welken , byzonder na de voorllgtlng van den gro- ten BACON , de Sterre- , de Schei- en de gehele Natuurkunde , door de vlytigfte befjchouwing en na* /poring der Natuur zelve is opgeflegen. Maar zogeredelyk ah ik deze ver dien ft en en roem A 3 for 6 V & R E D E> der later e Wysgeren toefla en erken , zo billyh is Myne eisch van gelyke regtmatigheid jegens de Ou> den: welke my toegeftaan zynde, zal mogelyk myne verdediging der Oudheid met zo zwak nog onvermo- gende toefchynen. Want, veor eerst ml Ik nu met eens aandringen , dat In de Sterrekunde^ook die gen en zelve, welken met PTOLOMAEUS meer dan duizend jar en gedwaald hebben , van genen anderen , dan van bnkundige beoordeelaars , ooit %yn veragt geworden , naai'dien hunne vlyt en arbeid met zelden aan COPER- Mcus en NEWTON oorzaak en gelegetiheid gaven , om naauwkeuriger den loop en bcweging der kernel fche ftchamen na te fporen , te ontdekken , en te ontvou- wen : maar dlt vtil ik hier voornamenlyk hsbben opgemerkt en vast gehouden , dat in alles , V wclk niet zo zeer van toevallige ontdekkingen afhangt , en -voor de nafporende yver van het enkel vernuft openftaat, de Ouden in zo ver nlet kunnen worden verklelnd, of In de laagte gefteld , dat men lntegen deel de kragt van hun vernuft en fchranderheid moet bewonderen , en in zeer vele opzigten hunne kennis en leerftelHngen^ boven de later e wysgeren verpligt is te erkennen en hulde te doen. In de daad, om ons tot die wetenfchap, welks ons thans het naast aangaat , - alleen te bepalen, is de Zedekunde nietgeheel en al eneMenfchenkundige(*^ Anthropohgifcke. FOORREDE. ? flfetenfihap? dat is, hangt zy niet geheel en alvan. de, kennis der menfchelyke natuur af? Wei nu , met welken yver , leerzugt , vernuft en doordrlngende fchranderheid hebben met de oude wysgeren de men- fcheljke natuur nagevorscht , en de blnnenfle fchuilhoe- ken van onze ziel doorfnuffeld en hare oorfprongelyke driften, nelgingen^ begeenen en afkeer op^efpoord en verklaard? 't Was deze nafporing en daar door yerkregene kennis der menfchelyke natuur , die hen tot dlt allereerst voorfchrift van pligten ; tot deze hoogfte natuurwet en algemeen grondbeglnzel bragt, welke alle wysgeren der Oudheid eenpariglyk goed- keurden , namelyk : Dae het den tnensch betaamc , volgens de natuur, of overeenkomftig der natuur, zyn leven in te rigten. Waarlyk , daar het tcgen over- geflelde van dit grondbeglnzel 9 dat Is : dat men zyn leven en daden tegcn de natuur zou moetcn inrigten, van alien zln ontbloot Is , en tegen natuur en waar~ held aandruischt , zoude het ten mlnftcn enlgzins roekeloos zyn^ de waarheid, duidelykheid en zeker- held van bovengemeld zedelyk voorfchrift te wlllen in twyffel trekken , terwyl wy de deugden en gebreken van het zelve, ah ene eerfte zedelyke grondftelllng bejchouwd^ in onze Verhanddlng zelve hebben over- wogen. Foor onze ncifporlng derhalven fchynt dit yoornameulyk over te fchieten^niet^ dat wy op nieuws wedcrom naar andere onbekende grondbeginzels zoe- ken ? maar veel eer 9 dat wy de kragt en ware me- A 4 ning -S POORREDE. ning van die grondflelling der Ouden met naauwkeu* righeid ontwikkelen, met dugtige bewyzen ftaven > en 9 indien hetnodigzy., dezelveverbeteren. De pligten dan , die den mensch betamen en alle regelen van gedrag^ moeten van zyne natuur warden afgeleid: waarom de kennis van den mensch en zyne natuur ten hoogften noodzaaklyk is. 9 t Is waar , daar zyn *er geweest, welke de menfchelyke natuur daar toe te onvolmaakt en te verdorven agtten ; maar ik verwonder my , waarom zy dan ook nlet even zeer ons verftandy als zynde een gedeelte van onze na- te verdorven oordeelden , om de wet ten der na- tuur te kunnen kennen. Althans zo dagten zommi- gen , en in zo ver war en zy ten minften aan zig zel~ yen enigzins gelyk^fchoon zy met in ftaat waren * om , buiten uns verfland, een ander vermogen aan te wyzen, door, *t welke wy dan> zonder hulp van om verdorven verftand , nit hunnen aangewezen Iron , de kennis der natuur wetten zouden erlan- gen. In de daad , wat zou men van zodanigen Na- tuurkundigen moeten oordeelen^ die de kragten en wetten der lichamen zullende op/porcn , dezelven buiten de natuur der lichamen wild en zoeken ? Dit deden de fcholaftiken en verdigtten allerlye ver. lorgene hoedanigheden , om daar ult de bewegin- gen , veranderingen , en alle verfchynzelen der zigt- bare waereld te verklaren; maar deze hunne kin- der- POOkREDE. 9 deragtige ligtvaardigheid heeft niet alleen geen dienst hoe genaamd aan de. Natuurkunde foege* bragty maar veel eer dczelve in ene dikke duister* nis bedolven, haren luister beneveld en hare voora- gangen ten hoogften vertraagd en belemrnerd. Derhalven , daar die losfe onbedagtzaamheid der Natuurkundlgen , met regt is ten kwade ge- duld ; zoude hct dan den zedekundlgen 9 door de misflappen van anderen gewaarfchcuwd , niet be- tamen , dien klip te myden , en integendeel , dc pligten, de voorfchriften dier pligten, en de grand- ftellingen dier voorfchriften , welken by den mensch zelven huisvesten , naar het voorbeeld der Ouden y niet buiten den mensch en de menfchelyke natuur y maar t'huis , en in die natuur zdve te zoeken ? En deze natuur , mitsgaders de eerfie grondft-ellin- gen van alle waarhe^d 9 welke in onze ziel ver- fcholen liggen , kunnen alleen door de zlelkunde^ yooral door de proefondervindelyke zielkunde ^ ook in V algemeen door de Anthropologie of Menfchen- kunde , gekend worden. De Geneesheren hebben, tot beiere en grondiger kennis van V menfchelyk lichaam, deszelfs delen^ vereniging der leden , zamenftel van beenderen^ pezen .. zenuwen , en deszelfs gejieel maakzel, niet Meen de Ontleedkunde te hulp geroepen , maar ook het menfchelyk lichaam , met dat der overige dieren vergeleken, welke de vergelykende Ontleed- A 5 kunde lo r R R E D E. kunde genaamd vtordt. De Wysgeren magen dit voorbeeld der Artzen wet volgen , en de menfche* lyke ziel en alle hare bezeffen , gevotlcns , neigin- gen, verlangens en afkeer met die der dieren ver- gelyken. Dezen weg floegen de Ouden in , en dezen weg heeft CICERO voor al betreden, die, cm de menfchelyke natuur wel te door gr on den ; met flegts de jonge kinderen met oplettende aan* dctgt gade floeg , maar in zyn onderwys en aan~ drang der pligtcn met zelden de voorbeelden van redeloze dieren heeft ly gebragt 9 in welken hy vaak de uitftekendfte afbeeldzels van deugd , ook zelfs van belangeloze deugd^ ten hoogften bewonderde. Waarlyk , de opmerkzaame on der vin ding is de woeder van zehere kennis en wetenfchap. Met hulp en op gelcide van dezc getrouwe Lesrmcesteres heb* ben de beroemdftc Natuurkundigen , al wat zy in de lichamen waarnamen, vlytig opgezameld, en daar nit de algemene wetten ontdekt en opgemaakt^ uit welken zy de vsrfchynzelen der zigtbare waereldzou* den kunnen verklaren, en op deze wyze liet heerlyh gebotiw van hunne wetenfchap luisterryk optrekken. Dit is hun voortreffelyk gelukt. En waaroin zouden wy dan met gewettigd zyv , dezevcillgeen niitti^e feerwyze, uit de enge grensperken d^r Natuurkunds tot de befchouwivg der menfchelyke ziel over te bren" gen^ en, met ajlegging zo wel van alle losfc onder- fleHingen ah van hoogvliegencJe grondbeginzekn , tie* r R H ED E. IT tiever, volgens het voorfchrift van B A coN t ook hier de natuur zehe te raadplegen ? PTanneer wy op die natuur onze aandagt naar behoren vestlgen , dan eerst kunnen wy die oorfprongelyke beginzelen en cerfte grondflelllngen ontdekken, die in V menfchen ziel huisvesten^ en uit welken de Keden , vervolgens te hulp wordende geroepen, door wettige redekave- llngen en befluiten de voorfchrifien van pligten en alter lye deugden opfpoort. V Zyn deze voorfchrif- ten , welken even als hunne grondftellingen , van het inwendig ligt en ds natuur onzer zlele zehe afkom- fllg , even daarom NATUUR LYKE WETTEN genaamd worden. V Zyn deze voorfchrift en , s^^/- ker aaneenjchakellng en verband zodanige bondige wetenfchap voordbrengt , die op vaste gronden geves* tigd, vrugtbaar en genoegzaam is , cm onze daden , In alle gev alien van ons leven ter bereiking van het elndoogmerk van ons be ft a an, te beftieren. Wy dan, dezen weg ook volgende, bevonden in de da ad ', dat 'er vele, zo wel andere , als ook zedelyks grondbeglnzels , In onze ziel verfcholen Itggen , en maakt&n dus ook gene zwarigheid^ meer 9 dan ene^ zodanige grondftellingen voor de Zedeleer aan te, nemen : V welk met ligtelyk kan berispt worden , Indien men maar de eindoogmerken der wetenfchap- pen van derzelver grondbeginzels behoorlyk onder- fcheidf : immers , alfchoon de Wiskunde waar e'en voorgefleld oogmerk heeft , y/V heeft nogthans obit onder- on der ft aan ^ hare ftellingen en waarheden alien van. flcgts ten enig grondbeginzel afte leiden? Ook dunke hot nicmant vreemd, dat ik de vler gt ondflellingen , w el ken ik van de natuur en V wezen der menfchelyke ziel heb ontleend , dikwyls , door ene redekundige fpreekwyze (*; , gevoelens (f) heb genaamd : dlt ftrydt in V geheel niet met het gebruik van dit woord by de Latynfche () nog by de Nederduitfche Schry- veren. Ik heb geenzins dit woord gebezigd voor het vermogen zelve van onze ziel om zekere voorwerpen ofwaarheden te kennen; in hoedanigen zin de voor- ftanders van V ZEDELYK GEVOEL dit woord ne- men , althans moeten nemen , zo zy anders verftaan- baar willen fpreken. In tegendeel, GEVOELENS zyv by my de eerfte bezeffen , dat is , de bezefde waarheden zelven? welken aan enen iegelyk oplet- tcnde terftond zo blykbaar zyn , dat nieinant dezelven zonder zyn verftand geweld aan te doen , kan ont- kennen: hoedanige vele eerfle bezeffen in onze ziel dadelyk fchuilen , zo ah de ondervinding ons van alle tyden heeft kunnen doen opmerken ; zo a Is de fchrandere LEIBNITZ by zonder heeft aangetoond , en de Wiskunde alleen zelfs ontegenzeggelyk bewyst. Deze eerfle bezejfen 5 en ook an der e uit dezelven afge leide (*) Metonymia. (f) Senfus. () CICERO II. De Leg. I. II. De orat. 23, Pro dom. 36. ProCiuent. En een weinig lager : Steeds heb ik die wysgeerce voor volkomen geagc, welke omtrend de gewigtigfte vraagftukken met ene zekere vloeijende rykheid en cierlykheid kon redekavelen. () Onder- tusfchen begeer ik met dit gezag geenzins tebeweren^ 4at bondige gefchriften , zonder cierlykheid van taal^ geen nut zouden doen. Vele uitftekende werken we* derleggen met de daad dit volkomen : maar zulks yettigt niemant ? om goede, zuivere^ of ook cierly- ke taal, te veragten. (*) Mandare quemquam licteris cogitationcs fuas , qui eas nee disponere nee illuftrare posfit , nee deletoione nliqua allicere le<5torem , hominis esc , intemperanter abutemis et otio et litteris. Tusc. qu. I. 4. () Hanc enim perfe<5tam philofophiam Temper judicavi, quae de maxiinis quaeftionibus copiofe posfet ornateque di cere. Ibid. IN- I N H O U D- I N L E I D I N G. EERSTE DEEL. Over de Redelykheid, Noodzakelykheid en Nuttigheid Van het zoeken naar ene Eerfte en Algemene Grondftelling van Ze- delyke Verpligting, uit welke men alle meer byzondeje hoofdfoorten van Pligten sou kunnen afleiden. I. HOOFDSTUK. Of het Redelyk is , naar den Esrften en Alge- menen Grond van Zedelyke Verpligting te zoeken , uit welke men alle meer byzondere hoofdfoortm van Pligten kan afleiden. II. HOOFDSTUK. Of het Noodzakelyk is , zodanlge Eerfte en Alge- menc Grondftelling , ah gevraagd wordt , of te fporen. III. HOOFDSTUK. Of het Nuttig is , zodanlge Eerfte en Algement Grondftelling van Zedelyke Ferpligting na te yorfchen. TWE- I N H O U D. TWEEDE DEEL. Over die Eerfte en Algeinene Grond- flelling , of Grondftellingen , welken als fcodanig kunnen worden befchouwd , en voor zekere en zuivere bronnen gehouden t uit welken men alle meer byzondere hoofd- foorcen van Pligten zou kunnen afleiden. J. HOOFDSTUK. Over de Gronden der Zedelyke Verpllgtlng in V algemeen. II. HOOFDSTUK. Over zommtge eerfte Grondftellingen der Zedeher , welken boven anderen byzonderlyk zyn aange- prezen, III. HOOFDSTUK. Over de Menfchelyke Natuur ,, en welke Eerfte en Algemene Grondftellingen van Zedekunde uit de- zelve voordvloeijen. IV. HOOFDSTUK. Eenlge Aanmerkingen ter 'meerdere ultbrelding en nadere bevesUglng der vler Eerfte en Algemene Grondftellingen der Zedekunde , welke in V vow* gaande Hoof dftn fruit de Menfrhelyke Natuur zyn afgeleid. B E S L U I T. VER- VERHANDELING TER BEANTWOORDiNG DER 2EDEKUN* DIG-WYSGERIGE PRYSV^AAG, DOOR DE HOLLANDSCHE MAATSCHAPPtf DER WET ENSCHAPPEN,INT JAAR MDCCLXCI OPGEGEVEN* 99 Oederc lange zoekc men haar den Eerften en Al- gemenen Grond van Zedelyke Vcrpligcing , uic ? , welken men alle meer byzondere hoofdfoorten van Pligten zou kunnen afleiden: De fchryvers over hec zEDELtfK GEVOEL fchynen zig hieromcrend in enige verlegenheid te bevinden (#); en de Heer KANT heefc ene Grondilelling aangewezen (&)+ 99 welke zommigen duister , anderen onzeker of on- vrugtbaar voorkomt (<:). Hierop wordt gevraagd: 5 , Is het redelyk > nodig of nuttig naar zulk ene 5, Eerfle en Algemene Grondftelling ce zoeken? 7 , Zo ja; welke is dezelve?" " () HULSHOFF over Gods Wetgevende Magt , in de Stolp. Verhand. gedrukt te Leyden 1766. Hoofdft. IV. Dy^. W- 3335* (by Grundlegung zur Metaph. der Sitten. 52. 2weyte Aufl* Jay J. H. Hartknoch. Riga 1786. CO KANT Critick der Pratt. Vernunft..Ibid* 1788. Vot* rede S. 1^17. ZE?IO over Ongeloof ea Zedep bl. 10. B OVER D EERSTE GRONDSTELLINGKN I N L E I D I N G. G, 'een tyd was 'er ooit, in welken de wetenfchap der Zedekunde geheel onbeoefFend en verlaten was by zodanige Volkeren, by welken ten minfte enige zorg, hoe klein dan ook , voor de befchaving van het verflandelyk vermogen der ziele , nog overig was, Immers de Wyzen van Griekenland hadden reeds ouds- tyds de voorfchrifcen van doen en laten in korte fpreu- ken vervat, en die fpreuken in den Delphifchen Tern- pel aan de geheugenis der Menfehen toegewyd en aanbevolen. THEGGNIS, PHOCYLIDES, MIM- NERMUS, SIMONIDES en andere fpreukdigters(^), hebben de regels van gedrag en wandel in digtmaac voorgefleld: en AESOP us heefc den Leertrant door Fabelen of Verdigtzels, door de Ouden reeds beproefd, opzettelyk tot het Onderwys in 't beftier der menfche- lyke daden overgebragt : ene Leerwyze , welke de algemeenfte zaken in byzondere voorvallen vertonende, en wat waar of valsch is, met een verfierd voorbeeld aanwyzende , even daarom voor het begrip van 't on- geleerd Gemeen, en de bevatting der Jeugd byzonder gefchikt is geoordeeld. Daaj . {& Gnomici* DERZEDELEER. 19 Daar was eens een tyd , dat de Griekfche Wysge- rcn met de befpiegelingen van verborgene zaken, en navorfching der geheimen der natuur , meestal zig bezig hidden . maar SOCRATES bragt het eerst hun van de befchouwingen der lichaamen, derzelver krag* ten en werkingen , tot die van het gemene leven ; toe het onderzoek van goed en kwaad, van deugd en on- deugd (a). Toen kwamen vele Wysgeren en wys- gerige Scholen te voorfchyn, die niet flegts, gelyk voorheen, omtrend de aart en natuur der lichaamen, en omtrend de Rede* en Redeneerkunde , maar vooral omtrend de inrigting van ons leven en gedrag, om- trend onze zeden , handel en wandel , en ter navors- fching en bepaling van het hoogfte goed, hunne vlyt en yverigfte nafpooringen befteedden* Onder dezea waren behalven PLATO^ XENOPHON, THEO- PMRASTUS en ARISTOTELES, ook nog beroemd 'ZENO CITTIEUS, MENEDEMUS, ARISTO, ARISTIPPUS, EPICURUS, CALLIPHO, HIERO- NYMQS, DIODORUS, CARNEADES, CHRYS1P- p u s en anderen , welken tot verfchillende Sedleri behoorden , en of Acackmld , of Peripatetici, of Megarici, of Eretriaci 9 of Cyrenaici, of Epicu- risten , of Stoicyncn genaamd wierden. Hoe (a) D i o G. L A e RT i u s P R o o E M. Segm. 14 et 1 8 . et Libn, II. Segm. 1 6 et 20. SENEC. Epist. 71. CICERO Acad. Qu. Lib. I. c. i. et 4. etLib. ll,.'De Fimb. Bpnor. st Malor. Cap. i, B 2 <*> OVER DE EERSTE GPvONDSTELLINGEINf / Hoe zeer ook dc gevoelens van alle die Wysgeren over hec Hoogfle Gded verfchillende waren , heefc CICERO nogf hands te regc geoordeeld (#), dat die alien gevoeglyk toe drie hoofdfoorten konden gebragc worden. Want, VOOR EERST, zommigen beweer- den , even als ware de mensch niet dan louter lichaam , zonder geest , dac zyn Hoogfte Goed ook alleenlyk in Geneugte , en zyn Hooglle Kvvaad , alleenlyk in Smert beftondt, en dat Geneugte en Smert ter zyde gefteld wordende 9 'er gene beweegredenen , gene prikkels zouden overblyven , we! ken onze ziel om lets te begeren , of te vlieden zouden kunnen aan- zetten. Dit was de leer van ARISTJPPUS en van de School der Cyrenaici: dog welke EPICURUS te week , te laf , en beneden den luister en agtbaarheid der Deugd agtende, daarom dezelve tragtte te niati- gen , en die Geneugte tot de zuiverer aandoening der ziel, totregtvaardigheid, tot eerlykheid, tot de kragt Tan een verheven gemoed , die den mensch van alle vrees , angst en bekommering ontheft , met een woord, tot de ware Wysheid zogt te bepalen. TEN TWEDE, anderen hielden ftaande, even als of de mensch , in tegendeel , niets lichamelyks hadde , niets dan enkel geest ware; dat de eerlykheid van zeden het toppunt der wenfchelyke zaken was ; dat de Deugd alleen en op zig zelve verkiesbaar was, zonder enig W DC Finib. Lib, V. c. 7 et 8. DERZEDELEER. at snig opzigt van nuttigheid en voordeel : in zo ver zelfs, dat, indien men hier nut en voordeel beoog- de , dit doel den luister der deugd onmiddelyk zou verdooven en bezwalken ; al het geen de maatfchappy ftut en fteunt , ogenblikkelyk doen vervallen ; alle vriendfchap , alle deugdsbetragting , en pligten in enkele rook doen verdwynen. Dit gevoelen heefc gENQ de grondlegger der Stoicynfche School, ver* idedigd , zynde hier in door ARISTO,CHRYSIPPUS, HERILLUS , BRUTUS, CATO, EPICTETUS, SENECA, MARCUS AURELIUS, en vele andere Wysgeren nagevolgd. TEN DERDE, eindelyk , hebben wederom anderen, zo als CALLIPHO en de oude Academleij en Perlpatetlci^ beide die leerftel- iingen in diervoege verenigd, dat het Hoogfte Goed wel beftondt in eerlyk te leven , maar ook te gelyk In het genot te fmaken van die zaken , tot welken de Natuur den mensch het eerfte noopt , en welken die Natuur als 't ware hem toekent: derhalven, alfchoon de wysheid de allerwenfchelykfte van alle zaken is, dat niet te min het Hoogfte Goed tot den gehelen mensch moet behoren en betrekkelyk zyn; en dat de Deugd die eerfte beginzels en verlangensdernatuur geenzins zo verfmaadt, dat om het leven gelukkig te inaken , buiten en behalven de Deugd niets anders Oiog ZQude kunnen bykomen: integeudeel, dat beide die zaken , Deugd en Geneugte , op het allernaauwst elkandcren vercnigd waren. En dit is die Jeer* B 3 ft& 22 OVER DE EERSTE GRONDSTELLIN 7 GEN t Helling, welke ARIS TOTELE s en zyn zoon NICO- ivi A c H u s voorgeftaan en THEOPHRASTUS en ANTIOCHUS gevolgd hebben , en welke c i c E.-R o opzcttelyk met veel kragt en ficrlykheid oncvouwd en ve^digd heefc O). Gelyk met denondergangderGriekfche enRomein- fche Burgerftaten alle voortrefFelyke Wetenfchappen ten gronde gingen, zo wierdt ook de Zedekunde min- der beoeffind, en zonk in een diep verval. Immers de Wysgeren van den derden en vierden euvven , PLOTINUS, AMELIU.S, PORPIIYRIUS, J A M- B L i c H u s , p R o c L u s , die Platonisten genaamd wierden , leidden zig meer op de Bovennatuur- dan op de Zedekunde toe. Hier na, om dit flegts als met den vinger aan te roeren , hoewel de verwoestingen der JN T oordfche Volkeren in Italic de donkerfte onkunde cen gevolge hadden , heeft wel u o e T H i u s egter ARISTOTELES, vviens Wysgeerte hem byzonder beviel , uit het Grieksch in het Latyn vertaald , 'c welk vervolgens tot het grondvesten der Sede van de Scholastiken fchynt aanleiding te hebben gegeven ; manr die SCHOLASTIKEN waren geheel en al aan de leerllellingen van ARISTOTELES verkleefd en ver- duisterden niet alleen de fchone zedekunde met dorre en ydek gefchilflukken,maarbedorvendezelve geheel door hec inmengen der voorfchriften van de Kerkva* derea ( hoe veel de tvve eerstgenoemden de laatften hebben overtroffen. Dit geldt vooral in het wikken en wegen van de daden C a dcf 3 yergelyking der daden volgende 9 dan nimmer van cnzen pligt sullen afwyken. Die zelfde Wysgeer zegt ook elders (a): Daar is dan em waarheid, waar toe alles moet gebragt worden 9 en waar ait dat geen , V welk alle Menfthen begeren , te weten de weg tot waar gcluk, kan gekend enbereiktwor- den. Dog wy behoeven ene zo gewigtige zaak niet door enkel gezag te beflisfen. Wy vragen dus, is 'er dan geen Sterre- , geen Natuur-, geen Schei-, geen Spraak- , geen Redekunde ? Zyn 'er niet nog vele andere voortreffelyke kunsten en wetenfchappen ? En, indien 'er die zyn , gelyk onbetwiscbaar is, beflaaa die (/?) Lib. V. de Finib, Bon. et Malor. Cap, 6* C 4 40 OVER t>E EERSTE GRONDSTELLINGEN die dan zonder eerfte wanrhcden , zonder enige begin* zels, zonder enige gronden , op welken zy zouden- kunnen gebouwd zyn? Of, indien die deze zo even opgenoemde en andere diergelyke konften en weten- fchappen 5 ieder op hare byzondere en naar ieders aarc en eigenfchap gefchikte gronden rusEen , waardoor zy de vrugtbaarfte en tcfFens zekerfte voorfchriften voonbrengen ; zou dan de uitmuntendfte wetenfchap , die de beste oogmerken voor de vrye bedryven der Menfchen opgeefc, die alle onze daden moeE beflie- yeh; zou die wetenfchap, die ons tot het waar geluk moetende opleiden ? even daarom noodzakelyk zo zeer de andere wysgerige wetenfchappen overtreft , als het geluk van 't Menschdom alle kortftondige , broze en vergangelyke zaken te boven gaat; zou de voor- trefFelyke Zedeleer dan allcen dat voorregc misfcben en fteeds in onzekerheid dobber-en? Immers , wie is *er , die zal ontkennen , dat 'er tu-fchen Mildheid en Gierigheid, tusfchen Menfcbe- lykheid en Wreedheid , Rechtvaardigheid en Onrecht- vaardigbeid , Gematigdbeid en Wcllust , Trots en Zedigheid, en, om her al in e'en woord te bevatten, tusfchen fchandelyke en eer^ke bedryven , een hemels- breed onderfcheid is ? Want , zo als wy te voren reeds aanmerkten , wy hebben thans niets uitftaande mec die genen , die alle onderfcheid tusfchen goed en k'waad, tusfchen deugd en ondeugd logenen ; maar inet hen, die dat onderfcheid volrnondig erkennende> DER ZEDELEER. 4? met ons teffens vcnvonderd zyn , en naar de vragen , waarom cog die zelfde vvyseercn , die om trend de voorfchriften dcr zedelecr en rebels van gedrag hot zo volkomen eens zyn , en voortrefFelyk overecnflcm- men, nogthans omtrend de eurfle grondbeginzels dier wetenfchap zo zeer verfchillen, en vaak heftigJyk met; elkanderen twistcn. Hec is dan onbecvviscbaar, de daden der Menfchen zyn of regtvaardig, of onregcvaardig; eerlyk en wcl- voegelyk, of wanvoegelyk , fchandclyk, onregcvaar- dig. Daar zyn dan , ontegcnzeggelyk , zedelyke vpprfchrifcen, regels en wecren , welken de goede daden gebieden , de kwade verbieden \ daar is dan ook ene wetenfchap 9 welke die by een verzamelde voorfchrifcen in ene geregelde orde en gcpnst verband omvat. Derhalven , daar 'er gene voorflellen , regels , voorfchrifcen , (ik verfta ware en zekere voorfchrif- ten) kunnen zyn, zonder hunne byzondere oorzaken y yedenen en eerile grondwaarheden , waarom zy zoda- nig zyn; en daar die grondbeginzels alleen die voor- fchriften tot ware, vasce en zekere regels en voor- fchriften maken; zo volgt daar uic ook noodzakelyk, dat, zo dra men die zedelyke voorfchrifcen , regels en wetten, en derzelver verzameling,dacis,de zedenleer, eens lieeft gelleld en coegegeven , dat men dan ook de ecrfle beginzels en grondwaarheden van die regels en van die zedeleer niet kan ontkennen noglogenen. Maar , am zo grote en gcwigtige zaak niet te fcbynen , me.er G 5 mec 4* OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN met woorden dan met de daad zelve te kunnen bewe- ren en te willen vasthouden ; zullen wy onze verroo- gers infpannen , om daar na, in hetTwedeDeel dezejr Verhandeling, dadelyk die eerfte grondbeginzels der Zedekunde aan te wyzen. II. H O O F D S T U K. Ofhet Noodzakelyk Is ^ zodanlge Eerfle en Alge* mene Grondftelling , als gevraagd wordt , op te fporen ? -omt ons voor , dat wy , in het voorgaande Hoofdltuk, niet onwaarfchynelykhebben aangetoond, dat 'er een, of enige (want die laten wy voor als nog onbeflist) Eerlle en Algemene Grondbeginzels kunnen gevonden worden , uit welke de Zedelyke Voorfchrif- ten en alle foorten van pligten worden afgeleid, en dat het dus redelyk is, die na te vorsfchen. Dog, of het ook NOODZAKELYK is, dusdanige grondbe- ginzelen op te fporen , dit moet nu onze taak zyn , te onderzoeken. Maar , zal ons dit onderzoek wel gelukken 9 dan D E R Z E D E L E E R. 43 moeten wy al terflond in den annvang cne ondcrfchei* ding maken. Want het verfchilt zeer veel, of men op het dagelyks en gemeen leven zie , dan of men op de wetenfchap der Leerfteili^e Zedekunde hec oog en de aandagc vestige. En met deze gepaste onder* fcheiding dtinkt ons, dat wy reeds den weg ter oplos- ling van dit gedeelte der Vraag, veel gemakkelyker ea wisfer gemaakt hebben. Wat dan yoor eersc het gemeen en dagelyks leven aangaat , de vraag is , of tot beftier van het zelve , een zodanig eerfte en uit de diepzinnige Wys- geerte opgedolven Grondbeginzel of Grondbegin/elea noodzakelyk zyn? En wy durven dit met allevrymoe- digheid, en zonder vrees van dwaling , of bekom* mering van voor onbedagt te zullen gehouden wor- den , gerustelyk ontkennen. Zyn 'er niet velefoorten van handwerken , vele konsten , zo wel werktuiglyke als andere meer verhevene, die Vrye Konsten genaamd worden , onder welken wy de Schilder-, de Beeld- houw- , de Dicht- , de Zang-, de Redekunde, en menigvuldige andere tellen ; welken alien het uitfte- kend en vrugtbaar vernuft der Menfchen heeft voort- gebragt? Maar wie nu , bid ik , kwam ooit tot de ligtzinnigheid om te geloven , dat geen Werkman , geen Timmerman , of enige Ambagtsman zyne konsc of handwerk zou kunnen verrigten , ten zy hy , nice alleen de algemene en bekende regels zyner konstver- iftondt, maar ook nogdaar en bovendic regels, uit en of 44 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN of enige grondbeginzels of ecrfte grondwaarheden , in ene zekere orde en verband, naar de wyze der Meet-' kundigen zou weten af te leiden en te betogen? Eeti Landnian , die zyne akkers omfpit , ploegt , en be- zaaic ; die de planten , bomen, wyngaarden fnoeit, opbint, lluc en fleunt, en in dien arbeid de gepaste jaargetyden waarneemt ; zou die daarom de eerfte grondwaarheden en beginzels van den Landbouw moeten kennen, en zig deswege zorgelyk bekreunen? De Zeelieden , welken de Zee dagelyks bevaren r zoudcn die buiteir ftaat zyn de togten hunner fchepen te beftieren , ten zy zy de regels der Zeevaartkunde > uit een Eerfte grondbeginzel of grondwaarheid, in een aan een gefch'akeld verband , zouden kunnen afleiden en bevvyzen? En, om den twyffel, die zomtyds om- trend deZeevaartkotisc by zommigcn mogt ontftaan, voor te komen; heeft niet HOMER us lang voor en aleer ARISTOTELES over de Digtkunde fchreef, zyne Ilias gezongen ? Hebben PINDAR us, THEOCRI- TUS, VIRGILIUS, HORATIUS, (boe ZQQT deZC laatfle ook anders regels voor de Digckonst heeft voorgecragen) hebben die uitmuntcnde Digters, vvan- neer zy hunne onftervelyke werken uic hunne voor- treffelyke en byna goddelyke vermogens van veqiuft en geest voortbragten , aan een Eerfte en Algemene Grondflag der Digtkunde gedagt , of deswege zig zeer bekommerd? Noij; PHIDIAS, wannecr hy zyn en Olymphifchen Jupiter, of Minerva vcrvaardigde ; nog DERZEDELEER, 45 PRAXITELES , wanncer hy zynen Cupido ; nog 'APELLES, wanneer hy die fchone Venus fehilderde, nog andere beroemde Schilders en Beeldhouwers, wanneer zy de uitmuntende vrugten van een onge- looflyk vernufc en kunscvermogen teelden , kreunden 2Jg immer aan de eerfte grondbeginzels hunner konst, nog aan de eerfle oorzaken van de aangename gewaar- wordingen, welken uic hec Schone ontftaan. Niecs 2011 meer cegen de natuur en de dagelykfche onder- vinding aanlopen. De konilenaars zyn lang diegenen, clie regels en lesfen over de konstcn voorfchreven , voorafgegaan : zo dac veel eer uic de voortreffelyke konstftukken der konstenaren die lesfen en regels zyn opgezameld, en derzelver eerfle bcginzelsopgefpoord, en aldus de konsten en wetenfchappen zelve opge- maakt en zamengefleld , dan dat uit die regels en voorfchriften die konstfhikken zouden geboren zyn. Zo we I in alle andere zaken , zegt CICERO, ah in de konst van welfprckendheid , blinkt een groot vermogen en ongeloofiyke' kragt der natuur uit ; want alle Menfchen beoordekn zander konst en redenlejlier , Tjoor een zeker ftilzwygend gevcel, V geen in de konsten en wetenfchappen goed en kwaad Is. da) En elders fehryft hy van SCAUR us: Hy liadt zulk een vermogen van de Natuur^ hoedanig hy van het onderwyi metllgtzouhebbenbekomen. (b) Ter- a} Lib. HE. De Orat. cap. 50. (^) //; JBrut. cap. 29, Verg. De Orat. Lib, I.' c, 32. en In Brut. c. 5054. 4< OVER DEEERSTE GRONDSTELLINGElM Terwyl dan dc wysgeren over de rodenen en oorza- ken van 1 c fchonc en fraye en dcszelfs Ecrile grond-' flagen met elkandercn twisrten , en zelfs ook reeds langen tyd te voren , warcn 'er reeds uitllekende kons- tenaars , die de voortreffelykfte proeven en bewysftuk- ken van keurige fraaiheid en treffende fchoonheid te voorfcbyn bragten. En op dezelfde wyze , terwyl de geleerdfte mnnnen over het Hoogfte Goed en de wyze om het zelve te bepalen en te bereiken, hec on- deiiing ten hoogften oneens waren , zyn 'er inmiddels ook by de ruwe en onbefchaafde Volkeren van alle eeuwen af , en gemene Menfchen geweest , die geliik- kig leefden > en voortrefFelyke Helden , die de uitfte* kendfte blyken van grootmoedigheid , onbezwekene ftandvastigheid en van allerlye dcugden aan den dag leidden. Ja op de eilanden in de Zuidzee heeft COOK, hebben ook andere reizigers, door verre tog- ten en 't doorkruisfen van onbekende oorden en wae-* relddelen beroemd , wilde en onbefchaafde Volkeren gevondcn, die in menfchelykheid, in goedhartigheid^ in mildheid , in dapperheid en veragting van de dood , de kundiglie Volkeren van Europa of evenaarden, of zelfs overtrofFen. (a) () Men zie ook de verhevenfte gevoelens in de fchone Gedigten van OSSIA.N, welke de daden van Fingal en andere Helden voor houderde jareh door zyne gezangen vereeuwigde. Deze gezangen, oorfprongelyk Celtisch, voor 30 jaren ver PERZEDELEER* 4? Waarlyk, deorde, het beboud, de luister van dit fchoon Heel-Al moesc niec van de fpitsvondigheden der geleerden , ook zelfs niet van de beflisfingen der Reden , welke dikwyls te laat komen , afhangen* Geenzins ! Daarom heefc de wyze Wcrkmeester en Bouwhcer van die grootsch Heel -Al , met die daden, wclken tot behoud der Menfchen het hoogsc nood- zakelyk zyn , en met die pligtcn , door welken bet Menschdom hec meest bloeit en in ftand blyft , ook doorgaans tefFenshet zoedte genoegen endeinnemend- fte aangenaamheid gepaard. Behoeve ik bier wel hec aangenaamgcvoelinhet ilillen van den roependen bon- ger, in het Icsfen van den heron dorst; of de zoece vreugd der huwelyksvereniging , de geneugte der liefde en der zugt tot eigen kroost, het genoeglyke der aandoening van goedhartigbeid enz. te gewagen ? Welke genoegens ons byna zouden overhalen om met EPICURUS in te ftemmen , die ilaande hieldt, dac alle deugden onaffcheidbaar met een aangenaam ge- not verknogt waren (#). Gelyk wy omtrend de Beeld* znmeld,enin 'tEngelsch, vervolgens in andere talen, ovcrge bragt, verfchynen nu ook, terwyl ik dezeVerhandeling over- zet , in 'c Nederduitsch in 't Hgt, door den voonreffelykeif arbeid van den Heer Mr. p. L. VAN DE KASTEELE, voorheen Raad- en Penfionaris van Haarlem. /, Detl, t& /Imji. 1793. (*) CICBRO Lib, I. DC Finib* cap. I| 4 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN houvvkonsr, de Digtkonst en andere konsten , reeds hebbcn aangcmerkt, even zo heeft deMensch tot be* fticr zyner dadcn in dit leven , meestal tot gidfen en leiiliedcn zync gevoelens, zyne natuurdriften , of, 1 gclyk eicERO die nocmt, zyne eerfte bezeflfen ert vcml.jes van deir : ;cl , welken door het dagelyks leven en de gedtifige en vcelvul.dige ondervinding opgewekt en verfynd, en vooral door het aanfchouwen en be- vvonderen van grote daden en bedryven van uitfteken- de mannen , onrvlamd, tot het navolgen van goede* re^tvaurdige en voorrrciTelyke daden aanvuren, en van si wat onrcgcvnaivlig, oneerlyk en fchandelyk is, te rua; roc-pen en affcbrikken. (a) Deze eerfte bezeffen en (rf) L E t B N i T z Nou'v. Esfai fur rEniendement Hutnain Liv. I. ch. 2- p. 48 49. e" Li v ' H. eh. ai. p. 166* alwnar liy dcze auninerking maakt: // est vrai , que , grate d Dicu , dam ce qui import e le plus et qui regards fum- .mam rerum, le bonheur ct la wifere > on na pas befoin de tant de connoisfance , d* aides*, et d'addresfcs, qifil faudroit en avoir pour bien jn'gcr dam un confeil d'etat on de guerre , ou datn un tribunal de juftice , dans line confutation de Me- dicine , dam quelques controverfes de Theologie ou eTHistoire , eu dam quelque point de Mathematique et de Mechanique: mais en recotnpcnfe il faut plus de fertnete et d' habitude dans ce qui regarde ce grand point de la felicite^ et de la -,.yertu , pour prendre toujoufs de bonnes refolutions et pour les fuivre. En un mot , pour le vrai bonheur meins de con- mis fance fufjit avec plus de bonne vofantd 9 de forte que te plus grand idiot y pent parvenir amp. aifement , que le plm deue ct fa plus habile. D E R Z E D E L E E K; 49 in vonkjens van deitgd, welke de NatUur zelve in de harcen der Menfchen heeft ingepfent, worden zy niec Ongelukkiglyk door ene verkeerde opvoeding of kwade voorbeelden onderdrukt of uitgedoofd ; worden zy niec door de verleidende bekoorlykheden der tegen* woordig vleijende wellusc vefzwakt en bedorven, dan roeren en bewegen zy het Menfchelyk hart zo kragtig door de goedkeuring der deugd , en door de afkcuring en haat van al wat fchandelyk is en der ondeugd, dat CICERO getuigt, dat,het geen ecf* lyk en deugdzaam is , zulks niet zo zeer alt de be* fchryving) wclke hy gegeven hadt^ kan verftaan worden 9 Qioe zeer het uit die befchryving ook enig+ zins konds worden opgemaakf) ah wel meer nog uit het algemeen overeenftemmend oordeel det Menfchen en de genelgdheden en daden van voor* treffelyke lleden. (a} En hy raerkt ter zelfder plaatfe ook nog aan : Dat in de imnfchelyke ziet ene fchaamte tot matiglng der wellust , ene zugt tot regtvaardlgheid en in fland houding der Men* fchelyke Maatfchappy , is ingefchapen; ah ook ene ftandvastige en onwrikbare veragting van fmert en zelfs van de dood, tot het geduldlg lyden van fnoeilyke rampfpoeden en het doorflaan van gevaren* Gelyk hy ook elders aanmerkc: dat zelfs onder.de fnoodfte Menfchen nlemant zo koen , zo flout , zo (a) Lib. II. Df Finib. cap. 34, D o OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN otibtfchaamd Is geweest , of hy zogt ten minfte zyn mis dry f te ontkennen , of enige reden In zyne regt* matlge fmert te vinden en voor te wenden , of enige verfchoning van zyn be dry f in 't een of ander voor- jchrift der Natuurwet te zoeken (a). O groot vermogen der waarheid ! Wat zyt gy tegeti allerlye vernuft , fpitsvondigheid eri loosheid der men- fchen door uwe eigen' kragc beftand ! Maar over dit inwendig gevoel, het welk een ZEDELYK GEVOEL genaamd word:, zal daar na naauwkeuriger moeten gehandeld worden. Wy menen dan , niet ligtzinnig te werk te gaan 9 wanneer wy uit het betoogde dit befluit opmaken, dat , vvat het dagelyks beftier onzer daden in het ge- meen leven aangaat, gene zodanige Eerfle en Alge- mene Grondbeginzels van zedelyke verpligting nodig zyn , veel min ^en enig grondbeginzel kan gevorderd. worden , uit het welk de Menfchen door ene aaneen- fchaktling van redeneringen en bewyzen 3 in navol- ging der Wiskundigen , de eene uit de andere afgeleid en getrokken , hunne pligten zouden moecen navor- fchen, ontdekken en vinden, om , naar die gevondene en betoogde regels, hunne daden , al hun handel en wandel in te rigten. En die zy genoeg over de NOODZ AKELYKHEID. Want wat de NUTTIG- HE ID van zodanige eerfte beginzelen en van alie wel inge- C) De dmicit. cap 4 26, D E R Z E ft L fi R. jt frigerigte Leer en Wetenfcbap betreft , ook zelfs in het dagelyks heftier en 't gemene leven daar omtrend zal eerst in het volgende Hoofdftuk de plaats en gele* genheid zyn , om uic te weiden. Maar nu komc dan het andef en veel gewlgtige* Lid van die gedeelte der Vraag omtrend de NOOD- ZAKELYKHEID van ene eerfte grondftelling tcr baan , te weten , of tot het ontwerpen , wel inrigteh en vormen van zodanige Leer en Wetenfchap der Zedekunde , in welke alle de voorfchriften van pligtetl en regels van gedrag , in ene volkomene orde vervat^ in een verband verenigd * en met wettige bewyzeci betoogd moeten zyn ^ of daar toe zodanig Eerfte ell Algemene Grondftelling nodig is? Wat deze vraag dan aangaat, behalven de voorftari- ders der enkele proefondervinding (Empiric?), aaft welken wel ene zekere kennis,hoedanigdegewoonte* 9 t gebrnik en de dadelyke oefFening aanbrengt, fnaa^ geenzins ene eigenlyke wetenfchap , kan toegefchrevent, worden (^) ; zal'er niet ligt iemand gevonden worden$ die ons niet geredelyk zal toegeven , dat 'er geed (^) Voor deze kennis pleit ook SAM. MUS<^RAVI, t Engelsch Geleerde , door zyne kennis in Griekfche en ta- tynfche letteren beroemd , in zyne Apologia pro Medieint Empirica Lugd. Bat. 1763. welke Verhandeling hy aaa ALBINUS heefc opgedragen. a $* OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN tigenlyk gezegde konst of wetenfchap kan zyn , of zy moet op hare eigen' en zekere beginzcls en grond- waarheden fteunen en gebouwd zyru Maar ik zie nogthans gene reden ter waereld , waarom ik zou moeten tocftaan , dac iedere wetenfchap niet dan maar &&N ENIG grondbeginzel zou kunnen hebben. Hec cen of ander moest dan noodzakelyk waar zyn; of, dat uit den rang van wetenfchappen alle de zodanigen moesten verbannen worden , welken meer dan een grondbeginzel hebben , of dat men op ene voldoende wyze de byzondere reden te berde bragre, waarom alle de andere wetenfchappen wel op meer grondbe- ginzels ieder kunnen fteunen, maar de Zedekunde in tegendeel niec dan flegts van een Eerfte Grondbegin- zel , als van ene enigfte bron, kan afdalen. Die laatflen zal niemant ligt kunnen bewyzen , nog zoda- nige byzondere reden, voor deeenheid vanhetgrond* beginzel der Zedekunde, te berde brengen : en her eerfte ftrydc tegcn alle waarheid en ondervinding , zo als wy terftond zul|en betogen. Derhalven het befluic moet aldus wettig worden opgemaakt, dat 'er gene fcoodzakelykheid ter waereld is , om te beweren , dac de Zedekunde nict dan enkel op N grondbeginzel, op e*ne Eerfte Waarheid en Grondftelling, zou kua- nen rusten en volltrekt moeten gebouwd worden. Immers, welke is dan tog die wetenfchap, wier voorftellen en lecrregels niet dan uit ^en enig grond- be^iuzel voprdvloeijen ? Zelfs de Wiskunde % welker zeker* DERZEDELEER; 53 zekerheid en blykbaarheid zo hoog geroemd is, heeft die niet meer grondwaarheden (axiomata), dan flegt ene? Die voortreffelyke mannen, die over den Land- bouw, over de Natuurkunde, over de Spraakkunde gefchreven hebben , hebben die alien, ieder van ene enkele grondwaarheid , aangevangen ? Zo wel A R i s T o- TELES als THEOPHRASTUS hebben lesfen voor- gefchreven, om niet alleen redeneerkundig, maar ook fierlyk en redekundig te fpreken en te fchryven ; maar deze Wysgeren hebben die ooit aan een enig grond- beginzel gedagt, om van dat ene grondbeginzel al- leen te beginnen , en uit het zelven alleen hunne regeb en voorfchrifcen af te leiden ? Welk is dan tog die ene grondwaarheid , die ene grondftelling, uit welke CICERO in zyne drie boeken over den Redenaar de fchone wetenfchap en uitftekendfte lesfen , om behaag- lyk , fierlyk , en verheven te fpreken en te fehryven , heeft afgeleid? Ook is die enige grondregel , door wel- kerligt alleen de oorzaak en kragtder welfprekendheid door LONGYN zo voortrefFelyk ontvouwd is , nog onbekend. Is dan ook de Geneeskunde wel van eetr cnig beginzel, van ene emge hoofdwaarheid geheel afgedaald? Hebben HIPPOCRATES en GALENUS zig van e'e'n enkel voorftel bediend, om daar uit alleen alle hunne leerftellingen , alle hunne voorfchriften en geheel hunne wetenfchap te halen? Vestigen wy eens onze aandagt op de wysgeren zelven , die ons de jioodzakelykheid van flegts <6n enig grondbeginzeU P tO 54 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN tot het opbouwen der Zedekunde , aanpryzen , zo hoog opvyzele , en zig met zo veel vreugd laten voor- ftaan, zulks gevonden te hebben, en zelfs ook met cie daad op een enig voorftel , als op enen enigilen en eerften grondflag , het gebouw der Zedekundige wetenfchap onderftaan hebben op te trekken; zien wy dan niet, dat zy meest alien nog doorgaands, boven en behalven hun geliefkoosd grondbeginzel, ook toe andere geheel verfchillende, en uit hunne enige bron niet afgeleide beginzels, hunne toevlugt nemen, om het gebouw der zedeleer nader te grondvesten en $e volmaken ? En deze aanmerkingen kunnen hier geagt wordeti genoeg te zyn , om de d waling van die genen te wederleggen , die ons gaarne de noodzakelykheid van nig grondbeginzel zouden willen diets maketu het overige is het onbetwistbaar , dat nog de andere konsten en wetenfchappen , nog de voortreffe- Jyke zedeleer, die leermeesteres en beftierfter van ons leven , die beflister van recht en billyk , zonder vaste en zekere grondbeginzels en oorzaken , uic welke alleen de kragt en waarheid van hare voorfchriften ontluiken, beflaanbaar is. In de daad, dien zelfden dienst , welken de R E D E N E E R K u N D E aan ons verftand toebrengt , bewyst de ZEDEKUNDE aan onzen wil. De eerfle geeft gepaste regels op, om ons verftand te beftieren in het opfporen , en beoor- flelen van het geen waar of valsch is; dc laatfte geefc DERZEDELEER. 55 op gelyke wyze voorfcnriften aan de hand, om on- zen wil te beftieren in hct verkiezen van goed 9 regt- matig en eerlyk, en 't verwerpcn van kwaad, van al wat onregtvaardig en fchandelyk is. Derhalven , ge- lyk de REJOENEERKUNDE noodzakelyk zekere grondbeginzelen vordert , van welken zy moet aan. vangen en hare voorfchriften afleiden ; zo vereischt ook de ZEDEKUNDE, dat is, de gehele zedelyke Wysgeerte , enige eerfte grondwaarheden , van wel- ken zy de naaste ze lelyke ftellingen afleide , en uic deze ftellingen wederom andere lesfen en voorfchriften van doen en laten opfpore , tot dat de gehele Zede- kundige wetenfchap daar uit ontluike en tot volko- menheid opgroeije. Eindelyk , gelyk ene REDE- NEERKUNDIGE de gronden van zyne wetenfchap moet zoeken in de natuur van den mensch , in zyne ziel, en voornamelyk in derzelver verftandelyke vermogens; zo moet een ZEDEKUNDIGE op ge- lyke wyze , in de menfchelyke natuur , in zyne ziel , zo wel in 't algemeen, als byzonder in den wil of wilsvermogen, die bqginzels , die eerfte vonken van kennis , die grondftellingen opfporcn , uit welken ene ware , duidelyke , zekere en , met een woord , ene zodanige zedekunde kan worden afgeleid en opgemaakt , die bekwaam en gefchikt is , om ons leven te beftieren , en de voortreffelykfte deugden voord te brengen. En , welke deze grondwaarheden en hoedanig die zyn , zullen wy in het Tvvede D 4 Deel 5 5, Eerfte en Algemene Grondwaarheid of Grondwaar- 9> heden op te fporcn, welke de Grondflagen kunnen ft. zyn van alle Zedelyke Verpligdng , en uic welkea de byzondere hoofdfoorten van pligten kunnen worden afgeleid." Dat zulks ook voor her dagelyks leven wcl min ,,'der, maar, wat de wetenfcbap der Zedeleer aan- gaac , volftrekt NOODZAKELYK is; zo egter , dat het niet noodzakelyk is 5 ilegts een enkel zo- danig grondbeginzel vast te ftellen." Verders , dat de opfporing van de Eerfte en ,, Algemene Gronden van Billy k held , Regtvaardig* heid, Eerlykheid, en allerlye Deugden en Zede- lyke Verpligting, niet alleen tot het beftier van het dagelyks leven , maar ook rot de overtuigende blyk^ baarheid , zekerheid , luister en voortreffelykheid der Zedekundige Wetenfchap, ten hoogflen NUT- j, TIG en heilzaam is." TWE- 6e OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN J W E D E D E E L. pVER DE EERSTE EN ALGEMENE G R O STALLING OF GR ON DS T ELL INGEN , WELKEN ALS ZODANIG KUNNEN WORDEN B E- 6CHOUWD EN VOOR ZEKERE EN ZUIVERE BRONNEN GEHOUDEN, UIT WELKEN MEN ALLB MEER B Y ZONDERE HOOFDSOORTEN VAN PLIGTEN ZOU KUNNEN AFLEIDEN. I. HOOFDSTUK. Over de gronden der Zedelykc Ferpllgting in V algemeen. v, an al het geen in het Eerfte Deel dezer Verhan- deling onderzogt , gevondcn en betoogd is, was dk de uitkomst en 'c vvettig getrokken befluic: Dat het niec onvoegdyk , maar ten hoogflen 3 , RE^ELYK was , zodanige Eerfte en Algemene Grondwaarheid of Grondwaarheden op te iporen, vas D E R Z E D E L E E R, ft} J^ van welken alle foorten van algemene en byzonde* re pligten kunnen worden afgcleid : en dac zodanige opfporiog en onderzoek , niec zo zeer tot het be- flier van het gemene leven , manr vvel degelyk toe volkomcnheid, iuister en zekerhcid der zedekun- dige Wetenfchap NOODZAKELYK is: en voor bciden, dat is, zo wel voor het dageiyks leven, als voor de Wetenfchap der Zedeleer, ten uiterften NUTTIG en bevorderlyk is." 't Was niet ondienftig op deze wyze,met enige ver^ andering van woorden , de oplosfing van het eerlie lid dcr vraag te herinneren. Maar om van die oplos- fing en haar betoog enige vrugt te trekken, is hec vooral nodig , om nu ook het twede lid der vraag te bcantwoordcn , en aan te tonen, wel k dan dat EER- STE GRONDBEGINZEL , of Welke die EER.STE GRONDBEGINZELEN zyn , waar van de N o OD- EA KELYKHEID voor de Zedeleer , en de NUTS TIGHEID, zo wel tot een veiliger beflier van het dageiyks leven , als ook tot het Haven van ene zekerer zedekunde, zo groot is, als wy die getragt hebben te betogen. Beproeven wy dan nu in die Twede Deel van ons betoogfchrift , of wy ook dit gedeelte van de opgenomene taak kunnen vervullen. Maar hier dient voor alles, omtrenddeeerftegrond- ftellingen der Zedeleer in 't algemeen , ene zekere mis- vatting te worden opgeruimd. Want, daar zyn 'er f .die ons willen onderrigten , dat > gelyk alle andere we- 62 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN wetenfchappen , zo ook de Zedeleer j niet van een. zeker eerile G E v o E L of bezef, maar van hec v E R STAND en de REDEN moec worden afgeleid : en deze vermaning , wordt zy wel verftaan , is waar , goed en nutng; maar wordt zy kwalyk opgevat , dan is zy valsch en fchadelyk. Want voor eerst , is in alle wetenfchappen de aart van alle grondbeginzelen , in. enen eigenlyken en engen zin genomen , dusdanig* dat , hoe zeer zy volftrekt niet anders, dan met ons VERSTAND bevat worden , zy egter van de R E D E N > eensgelyks in enen engen en eigenlyken zin genaamd* niet afhangelyk zyn. Immers het geen de eigenlyke REE>EN leert, leert zy m diervoege, dat zy onder- fcheidenlyk de oorzaak kan aanwyzen , waarom het zelve zodanig en niet anders is. Maar de grondbe- ginzels , de grondwaarheden , zyn eerfte denkbeelden of bevattingen , zyn eenvoudige waarheden f boven welken wy niec verder kunnen opklimmen, en van welken daarom geen verdere 9 geen hogere , geen cenvouvviger reden kan worden gegeven , of eerdere oorzaak aangewezen. Dat nu zodanige eerfle grondbe* ginzelen , zodanige eenvoudige bezeffen, en door zigzel- ven blykbare waarheden (Axiomata)) waarlyk in onze ziel huisvesten en door ons VERSTAND bevat wor- den; dit ontwaart, dit gevoelt een ieder, niet door de eigenlyk gezegde RE DEN of redenering , maar door zyn inwendig bezef en gevoel , zo dra hy in zig aelven keen, en zyne aandagt op zyne ziei, en der zel- DER ZEDELEER. nog ook kunnen , door middel van de R E D E N , redenering en bewys , daar van overtuigen , maar hem eniglyk aanmanen , dat hy cens zynen aandagt tot zig zelven wende en de be- zefFen van zyne ziel doorzoeke en ondertaste : en , was iemant dan nog evenwel zo verftompt , dat hy die eerfte bezeiFen en grondwaarheden niet zou kunnen ontvvaren , nog dezelve innerlyk by zig gevoelen , dan zou hy zodanig enen uit zyne leerfchool moeten henen zenden , om liever in den akkerbouw , in hand- werken en ambagten en diergelyken lichaams arbeid 2;ynen tyd en vlyt te befteden. Maar, wanneer let. mane tf 4 OVER, t> EERSTE GRONDSTELLINGEM mant de eerfte beginzelen en grondwaarheden, doot zig zelven, door enkele aandagt en oplettendheid, of door enkel voorflel , eens ontwaard, bezefd en erkend heefc; dan gaac een leerraeescer der Wiskunde verder cti roept de RED EN te hulp, om met derzelver diensc en ligt, uit die eerfte grondwaarheden , de fchone we- tenfchap der wiskunde voor zyne leerling af te leiden, dezelve hem voor te dragen en te betogen. Deze misvatting nidus wederlegd , of 1 lever, door enkele opklaring en toeligting, weg geruimd hebben- de 9 zullen wy nu onzen weg vervolgen. Pryzelyk is de yver en naauwkeurigheid van die Geleerden , welken de eerfte grondbeginzels der Ze- dekunde hebben gerragt op te delven 3 dat zy de eigen- fchappen en noodzakelyke vereischtens van die grond- beginzels vooraf bepaald hebben en opgcteld. Dus vorderen zy dan meesc alien, dat de grondftellingeti der Zedeleer moeten zyn eerfte 9 ware, duidelyke* cnbctwistbaar zekere en algemene voorftellen , en verders zodanige , uit welken allerlye foorten van pligten kunnen gekend worden : ook ftaan de meeste Geleerden nog in het denkbeeld , dat niet dan flegts Idn enlg grondbeginzel vooraf behoort te worden vast- gtfteldjom daar uit alleen alle zedelyke voorfchriften t lesfen en regels van gedrag af te leiden (a). Wy zien a) Men zie uit velen alleen maar HEINECC: in Jur* Nat. et Gent. Lib. I. capj 3. . 67. et feqq. DERZEDfcLEBR. $j lien wcl geen reden , om de meesce dezer kenmerkea en vereiscticens van goede grondftellingen van Zede- kunde te berispen of te verwerpen : evenwel , wac de volftrekte noodzakelykheid aangaat , ora alleen 6 6 it *NIG grondbeginzel of eerfte grondwaarheid in de edeleer voor af vast te ftellen,wy menen die d waling reeds te voren in het I. Deel> 2. Hoofdft. bl. 52 tot 54 wederlegd te hebben. En wac flu het vereischte aangaat, dat hec een grondbeginzel van kennls moec zyn, dat is, waar uic alle pligten kunnen gekend wor* den; dit wordc wel te regt gevorderd,maar is van zodanige natuur, dat, indien hetniec een weinigwordeopgehel- derd en bepaald , zulks niet wel verftaan , en , indien het niec wel verilaan wordt , aanleiding tot misvatting geefc, en, zo als wy vermoeden, velen reeds misleid heefc* Voor eerst dan , indien men in de Zedekunde door een grondbeginzel van kennls^ zodanig ene grondftelling verftaat , zonder welker behulp en fynere aanleg nie- roant in het dagelykfche leven zoude kunnen weten^ vvat goed, regt en billyk is, dan is zulks ene misvat- ting, die wy reeds in het I. Deel, 2 Hoofdfl. weder- legd hebben. Ten twede, wy ftellen ook nog daar en boven voor vast, dat zelfs tot nucvandeWetenfchapder Zedekunde , geen zodanig grondbeginzel kan , of gevor- derd , of gevonden worden , door 't welk men , even als men het goud door den toetfteen beproeft , zo ook onmiddelyk alle voorkomende zaken , en ulle byzondere daden , terftond en zonder tusfchenkomst E van 66 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEM van andere denkbeelden en leerftellingen ^ zo maar in eens, zou kunnen kennen, beoordelen, en derzelver zedelyke waarde of onwaarde , deugd of ondeugd beflkfen* Indien zqdanig de aart , eigenfchap en uicwer- king van eerfte grondbeginzelen moet zyn , dan vrees ik , dac nog de zedekunde , nog enige andere weten- fchap, hoegenaamd, hare grondbeginzelen kan heb- ben of bchouden. En welke reden zou tog kunnen worden ukgedagt r waarom men zodanig een voor-. regt, welke de Wiskunde zelve nice heefc , voor de, Zedekunde zou mogen vorderen en als onvermydelyk noodzakelyk agten. Immers, de eerfte beginzels en grondwaarheden der Wiskunde zelve (axiomata) , hebben geenzins een zo groot vermogen, dat', (om die voorbeeld by te brengen ,) door dezelven alleen , zonder hulp van andere uh die eerfte grondbeginzelen vooraf eerst afgeleide en betoogde ftellingen en waar- heden, een ieder terftond en in eens, onmiddelyk ? de voortrefFelykheid en onbetwistbare waarheid zou- den kunnen bevatten en beflisfen van dat fchoon Py- thagoriesch voorftel , te weten , dat van alle regthoe- kige driehoeken het vierkant van de Hypothenufa of van den lyn , die tegen den regten hoek overftaat, even zo groot is, als de beide vierkanten van de twe andere zyden of lynen. Hebben dan wel de grondbeginzels der Sterrekunde , der Redeneer* , der Rede- , der Geneeskunde, of van enige andere Konsten of Weten- fchappen, zodanig vermogen ? En ik verwagt, niec,, fiEkZEDELEEit * 7 dac my iemanc hier zal tegenwerpen, dac deze aan- merking wel omtrend alle andere wecenfchappen door* gaat, raaar dat de aart en eigenfchap der Zedeleer hier in geheel verfchillende zou zyn , en ene uitzon- dering lyden , om dac hare voorfchriften voor het be- grip van alle menfchen blykbaar moeten zyn. Want * zy zyn zodanig; zy zyn blykbaar; zy zyn het voor alle menfchen , door de zorg en goede voorziening Van het wys Opperwezen : zy zyn dan blykbaar j voor eerst , in het dagelyksch leven , ook zonder de hulp van diepzinnige leerftellingen , zo als wy te vorert (a) gezien neb bent en wat, ten cwede* de Zedekundige Wetenichap betreft , hier is het genoeg , zodanige grondbeginzels te hebben ^ uit welkeh men alleen de tiaaste Voorfchriften , en uit dezen wederom anderen^ op die wyze kan afleiden ^ dat de middenfte voorftel- 4en met de eerften* en de laatfteh, met de midden- ften, en alien met elkanderen verbonden en aan een- gefchakeld zyn* Dit is voor een iegelykgenoegzaam^ om met oplettendheid , of ookwelmetenigeinfparining van vernuft , alle foorten van pligten te kennen , en in al!0 byzondere voorvallen en omftandigheden te beflisfen j wat met de billykheid, regtmatigheid en deugd over- eenkomftig is. Maar (a) 1. Deel$ $ Hoofdft. bl. 43 $1, E a 6$ OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN Maar, mogelyk, dunkc aan iemant die misvatting te blykbaar, en dus onze opzettelyke wederlegging overbodig. Dog de ondervinding heefc maar al ce zeer geleerd , dac die dwaling de Wysgeren niet zel- den misleid heefc, zo dac zommigen zulke grondbe- ginzelen vorderden ? die mec den aarc der wecenfchap- pen onbeftaanbaar zyn , of de zwakheid van hec men- fchelyk venmfc ver overtreffen ; anderen wederom allc grondbeginzelen verwierpen , om dac zy wanhoopcen zodanigen ce vinden , als zy zig , ce onberadcn , voor- ttelden. Immers is hec uic hec becoogde oncegenzeg- gelyk zeker, dac, hoe duidelyk hec grondbeginzel ook zyn moge, hec welk men goed vindc te ftellen, en (waar op men zeer gezec is ,) hoe kennelyk ook voor cnen iegelyk uic de fmalle gemeence en onbefchaafde lieden; dac niemanc egter van die ongeleerde lieden, als mec enen fprong van die eerfte grondftellingen 9 hoe blykbaar en duidelyk ook anders op zig zelven ; toe allerlye voorfchrifcen van pligcen kan overfrappen ; maar dac in cegendeel die grondftellingen voor de Leer en Wecenfchap der zedekunde dan eersc, en op die wyze , dienftig zyn , wanneer wy de cusfchenliggende denkbeelden en zedelyke voorfchrifcen , welken de opgemaakce befluicen mec de eerfte grondwaarheden te zamen verbinden, mec ons verftand en ene bondige redenering kunnen volgen en bevaccen? Daai D E R Z E D E L E E R, 69 Daar en boven heefc in het bepalen van een grond* beginzel van kennis, zo als men het noemc (#), ook nog deze dwaling by velen plaats , dat zy zodanige grondftellingen vorderen , die niet flegts de kragt , de cleugd, en de zedelyke goedheid der daden aantonen, 'maar ook derzelver nuttigheid en voordeel aanwyzen, welke nuttigheid en voordeel , op zig zelven be- fchouwd, meer ene natuurlyke Qshyfique) eigenfchap is. Want , gelyk de Geneeskunde zomtyds tot hec genezen van deze of gene ziekte , zaamcrekkende (adilringentia) middelen voorfchryft, maar dan ver- volgens , welke die kruiden , wortelen of basten zyn , die dusdanige kragt hebben , zulks door enige andere wetenfchap, de Kruidkunde , de Scheikunde, en de Kruidmengkunde moet beflist worden , zo beveelc ook, by voorbeeld, de Zedekunde in 't algemeen, de befchaving van 't verftand en de beoeffening der wetenfchappen aan^maar laat aan de Zielkunde, bene- vens de Redeneerkunde () over , te beilisfen , op Welke wyze en door welke middelen en voorwerpen onze zielsvermogens hec best befchaafd worden. Zo leert ook de Zedekunde wel in 't algemeen ,. wat Gie- righeid , wat Spaarzaamheid is , befchry vende deze als ene voorzorg om te verhoeden , dat ons de nood zakelyke levensmiddelen en behoeftens niet ontbre* ken | (/?) Principium cognoscenti* en Legica. fo OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN ken; en de Gierigheid, als ene te grote bekommering en vrees, waar door iemant voor zig overbodige za- ken opftapelt. Zy verbiedt deze, en beveelt gene; maar zy oordeelc nice in 't byzonder over de benodigd- heden en rykdommen van Chremcs en Micio, en doet dus geen uicfpraak nog over de Gierigheid van den eneq , nog over de zuinigheid van den anderen. Op gelyke wyze , fchoon de Zcdekunde in J t algeraeen de befchaving van *c vtrnufc en het fleraad van kennis en wetenfchap aanpryst, beflisc zy evenwel niet in *c byzonder, of het voor Cherea nuctig ware, den koop^ handel te verlaten en zig geheel en al op de weten- fchappen toeteleggen ; nog , of Pampbilns met zo veel vernufc begaafd is, dat het hem meer oorbaar ware, in de wysgeerte ondervvezen te worden, dan enig handwcrkskonst of ambagt te leren. Dusda- nige zaken zyn doorgaands in zulke cmflandigheden' ingewikkeld , dat de algemcne wetenfchappen daar over in *t byzonder niet beflisfen kunnen , maar de toepasfmg der algemene regelen aan eens iegelyfe doorzigt moec warden overgelatea, II. HOOPD. DERZEDELEER. 71 II II O O F D S T U enige eerfte grondftelllngen der Zedekunde 5 welken boven anderen byzonderlyk zyn aan* . geprezen. o nder de Geleerde Mannen is het grootfle verfchil en de yvcrigfte twisc ontftaan over de eerile grondftel- lingen , uic welken alle zedclyke voorfchrifcen en der- zelver geregelde en ordenlyke zaraenttel, dat is., de gehele Zedeleer, kan worden afgeleid. Ik zal geen- zins alle die verfchillende gevoelens, van welken velen al zedert lang wederlegd en verworpen zyn 9 hier optellen : dit verbiedc my zo wel hec verdrietige en nutteloze van dusdanigen arbeid , als de geringe naam van zommigen derzelver uitvinders, welker geheugen ien herinnering reeds door de vergetelhejd bedolven en begraven is ; die verbiedc my ook in 't byzonder hec gezag van deHollandfcheMaatfchappy derWecen- fchappen , welke uitdrukkelyk gewild heefc , dac , al wac toe het onderwerp niet noodzakelyk behoorc, zoude worden agcer gelaten* Maar die fchynt ons evenwel voorai hier te pas te komen, dat wy, vooi E 4 \ - - -f A OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN cerst, de verfchillende gedagten der Wysgeren over de eerfte grondwaarheden , en grondfteJlingen der Zedekunde in \ algemeen tot twe hoofdfborten bren* gen: ten anderen, dat wy enige byzonderegevoelens, namelyk zodanige , welken door hunne meerdere nut- tigheid en voortreffelykheid boven anderen uidtekeni, of door den naam hunner uitvinders beroemd zyn geworden , in *t byzonder , kortelyk onderzoeken ea overwegen. Voor eerst dan , de verfchillende gevoelens der Wysgeren over ons onderwerp kunnen gevoegelyk tot twe foorten gebragt worden. Want dezen betreden. dien weg, dat zy alle pligten^en degebeeleZedeleer, van de Eigenliefde , van de Zugt, door welke een iegelyk tot zyn geluk gedreven wordt , afleiden. In deze fchool zyn reeds oudtyds ARISTIPUS en zyne navol- geren, alle de CYRENAICI, en ook EPICURUS zelve , beroemd geweest , welken alles tot de geneugten , *t zy alleen van 't Lichaam , 't zy ook teffens van den Geest, bragten; welken alle Eerlykheid en Deugd , die van alle zelfgenot en eigene nuttigheid verftoken is , hoe hoog ook op gevyzeld wordende , voor niet^ anders hielden , dan voor enen weidfchen en weidluf* tigen naam , gefchikt om het gemeen voor in te ne- men , dog geenzins voor een waar voorfchrift van gedrag, nret voor enen regel van doen en laten, niec voor ene wet der natuur. 't Naast aan het gevoelen deze Wysgeren grenzen die Hedendaagfehe Ge- ieer* x DERZEDELEEE. 73 leerden, die de Eigenliefde, die de zorg voor eiget* welzyn , die al wat voor enen iegelyk goed en dien- dig is , al wat eens iegelyks volmaaktheid bevordert , zulks als ene hoogfte wet ftellen, en als enen eer- ften regel van gedrag, in het geheel heftier van ons leven, aanpryzen. Genen wederom ftellen zig hier, in tegendeel, de bevordering van het algemeen Nut, het heil van al- ien, het behoud van geheel het Menschdom, als ene hoofdwet voor, naar welke alle daden en handelingen beoordeeld , alle zedelyke voorfchriften moeten inge- rigt worden. Dusdanig was in *t byzonder oudtyds^ de leer der STOICYNEN, welker zedelyk onderwys doorgaands hier op neder kwam: Dat het geheel ' 9> Menfchelyk Geflagt niet dan dne grote Burgerftaat t , is , tot welks heil , welzyn en bloei alle onze daden ,, ondernemingen en raadflagen moeten gebragt wor- den en zamen lopen ; en dat bier toe vooral de orde en overeenkornst of overeenftemming der din- gen moet worden betragt (^). M En met deze leerftelling komen hedendaags nieestal die Wyageren overeen , die of een Zedelyk Gevoel , of de Orde en Zamenftemming van het Heel-Al, often minften van het Menfchelyk Geflagt, als ene Eerfte en Algemeen Grondbeginzel voorftellen , van welke alle de byzon- dere natuurwetren en pligten moeten worden afgeleid. Maar (a) CICBRO Lib. III. De Finib. Bon. et E 5 JT4 OVER DE EERSTE GRONDSTELUNGEN Maar de leer en 't gevoelen van de eerstgenoemde, zo oudere als latere fchool , heeft die gebrek , dat zy zig nice de gehele Menfchelyke Natuur, maar flegts een deel van het zelve voorftelt; dat zy alles tot de eigenliefde , tot de bevordering van eens ieders byzon- der geluk brengr : welke verlangen , hoe natuurlyk die anders, hoe onfchuldig of hoe pryzelyk ookzoude kunnen geagt worden en ook dadelyk zyn (a) , zo kunnen nogthans uic dat grondbeginzel niet alle zede^ lesfen , niet alle pligten , welken in alle byzondere gevnllen en omdandigheden van dit leven ons gedrag moeten regelen , worden gekend,afgeleid en betoogd, Dernalven, zo dra de Wysgeren van deze fchool toe die byzondere pligten, tot dat gedeelte hunner zede- leer komen, in 'c welk inoet bewezen worden , dac Regulus, dat Decius , dat Codes en andere grote Helden voortrefFelyk gehandeld hebben, of in 't ge- meen moet worden betoogd , dat het Algemeen Wel- zyn de hoogfle wet is, voor welke een iegelyk ver- pligt is, zyn leven aan de grootfte gevaren, zelfs aan ene gewisfe dood bloot te ftellen, of op te offerenj dan haperen , dan ftuiten zy , en voelen zig tot een van beiden genoodzaakt , of , omhet gebrekkigeen bekrom- pene (a) Zie Esfai fur k lonheur, conjideri comme un principe moral f dam les Memoircs de r Academic Roy ale de Berlin, Tom. VII. welk gefchrift aan FREDERIK DEN GROTEN is toegekend. Verg* Octwr.de FREDERIC II. Tom. II. p. 2 26, DERZEDELEER. 75 pene van hunne leerftelling rondborftig te erkennen , of him vernuft te pynigen en uit te putten, on^'als 't ware , ook zodanige pligten en opofferingen eniger- mate uit de zugt tot eigen geluk af te leiden ; maar waar in zy dan doorgaands zo flagen , dat zy meer woorden, dan bewyzen te berde brengen,en dusom- zigtige en naauwkeurige lieden niet ligt overmigen. 't Is waar , zy nemen dan vaak hunne toevlugt tot de onftervelykheid onzer ziel, waar in zy wel geen groot ongelyk hebben ; maar hoe zullen zy dan nog bewy* zen , dat Codrus, Regulus , Decius en andere Hel- den , die zig voor 't vaderland rustig opofferden , en voor de pylen van den Vyand bukkende, in enen ge- wisfen dood liepen , dat die Helden van de onflerve- lykheid der ziel zo zeker overreed waren? En, indien al eens konde gelden, 't geen zommigen hier op ant- woorden , dac Regulus door de ondragelykheid der fchande , fmaad en veragting , welke hy in zyn vader- land zoude hebben moeten ondergaan en verduren , bewogen wierdt naar Carthago , naar den Vyand en de wreedfte pynigingen te rug te keren; welk eigen nut, voordeel en geluk was het dan nog , 't geen Crodus en vele anderen overreedde 9 zig op te offeren t welken , zonder de minfte fchande of veragting , hec leven boven de dood vermogten te kiezen ? En het is deze zwarigheid, welke de andere fchool der Wysgeren heeft doen bedugt zyn , indien alle pligten tot eens ieders eigen nut en byzonder geluk 7 6 OVER DE EERSTE GRONDSTELL1NGEN gebragt, en uic de zugt tot zelf behoud, als denenig* {ten bron, wierden ar'^eleid , dat 'er dan naauwlyks meer ware Deugd zou overblyven, maar alleen ene flauwe fchyn en valfche nabootfing van Deugd , hare plaats zou innemen en bekleden, zo dat aile wezenlyke voortrefFclykheid en luistcr van grote daden zouden verdonkerd worden of geheel te met gaan (a). Dit bewoog dan deze Wysgeren, om zig veel eer het ge- meen welzyn van alien, van 'tHeel-Al, vooral het behoud van het Menfchelyk Geflagt zig voor te ftel- len, en alle regelen van pligt en zedelyk gedrag tot dat groot oogmerk te brengen. Maar ook deze Wys- geren waren niet genoeg bedagt, om zig voor het ecu uiterfte behoedende, teffens het ander gevaar te ver- meiden. Want , voor eerst , zy f:hynen op deze vvyze, niet alleen de beginzels en dus ook de overige voorfchriften der Zedeleer buiten de Menfchelyke Natuur te zoeken, maar ook zelfs die Natuur geheel voor by te zien , die in de daad nogthans de behoudfter van zig zelve is, en door ene brandende begeerte tot geluk en de fterkfte drift van Eigenliefde wordt bewo- gen. Ten anderen , de Natuur heeft voor het beftaan en behoud der zedelyke waereld wyzelyk zo gezorgd , dat (a) M Turn autem , qui non ipfo honefto movemur , ut boni limus, fed militate aliqua atque fruftu; callidi fumns, non boni. Nam quid faciet is homo in tenebris? &c,** CICERO De Legib. Lib. I. cap, 14. DERZEDELEER. 77 dat zy tot al , wat het meest noodzakelyk is , den Mensch ene kragtigezugt, fterke beweegmiddelen en vermogen- de aanlokfels heefc ingefchapen 9 zonder welken een Mensch, even weinig als een S chip zonder wind of flroom , zou kunnen bewogen worden , of lets vorde- ren. Derhalven, zy, die de Orde, de Overeenilem- ming van die Heel - Al , als ene eerfte wet van doen en laten , als enen eerften regel van pligten , als een zedelyk grondbeginzel aanpryzen , en dus voorfchry- ven , dac wy ons aan 't algemeen welzyn geheel over- geven , en , wanneer het zelve zulks vordert , ook daar voor ons opofFeren en fterven , met agterftelling van alle Eigenliefde, van alle zugt tot eigen behoud en geluk ; die Wysgeren , zeg ik , leiden de weten- fchap van het regt der Natuur, niet af van de Natuur zelve, maar fchynen, in tegendeel , op die Natuur weinig agt te geven , of liever 9 zig derzelver in 'c geheel niet te bekreunen. Wy hebben , zo als wy te voren reeds te kennen gaven , nog lust nog plaats om alle de uitgedagte grondbeginzels der Zedenleer hier op te halen. Velea derzelver zyn zo los uicgedagt, en zo onvoldoende, dat zy meer voor ydele dromen van flapende lieden, dan voor doordagte ftelzels van fchrandere wysgerea 2yn te houden. Maar aan den anderen kant mag en moet men niet ontkennen , dat 'er enige weinige grond- beginzels onder zyn, die wat nader verdienen over* wogen te worden; voor al die genen , van welken in de >8 OVER DE EERSTE GRONDSTELLlNGEN de opgegevene vraag der Hollandfche Maatfchappy uicdrukkelyk wordt gewag gemaakt. Die onderzoek zalteifens zodanig nut hebben, dat menuicheczelvezal kunnen opmaken, hoe ver reeds de Zedeleer in die gewigtig opzigc iecs gevorderd is , en wac haar ter? meerdere volmaking nog ontbreekt* En zo dra wy dan deze weinlge opmerkenswaardige grondftellingen ovefdenken, dan zien wy al terftond, dac zy niet daarom verworpen zyn , of verdienen be- rispt te worden , als of zy geheel onvvaar zouden zyn ; imaar veel eer daarom dat zy geenzins zodanig ligc aanbrengen , als ons tot eert zeker verltand onzer^plig* ten en tot ene ftandvastige kennis van alle deugd en cerlykheid kail opleiden* Want zy, die ons als een grondbeginzel voorflellen^ dat men aan de Goddelyke Wil moet gehoorzamen; of dat men tnoet voldoen aan de Eindoogmerken van bet Opperwezen ; of dat men zyneVolmaaktheid moet feetragcen; of zyne daden doen overeenftemmen men de Orde van \ Heel - Al ; waarlyk , die fchryvenons wel niets voor, het geen van de waarheid afwykt. Wane vvelk raensch is *er van gezondene harsfenen, die zo- danige regels zig kan voorftellen, zondcr tefFens te erkennen j dac die waaren pligcelyk zyn? Maar, waar is nu die zekere en duidelyke blyk $ dac ftandvastig tnerkceken,het welk ons , in die voorftelleri , onderrigc en doeckennen, wat met dien Goddelyken Wil ; wac die Orde en Overeenftemming , wat met die God- D E R 2 E D E L E E R. 7$ dfclyke Eindoogmerken, aan welken wy voldoen moe- ten 5 overeenkomftig of ftrydig is? Zo zeer zyn die zelfde Wysgeren, die ons zo ernftig vermaanden, dat de Eerfte Grondftelling der Zedekunde tog vooral ene grondftelling van kennis moest zyn , en een egrfo/J- titerk van goed en kwaad bevatten, zo zjer zyn die zelven hunner eigener vermaning hier weinig indagtig! En wy menschjens, geringe wezens, die naauwlyks een kldn punt van dit onrneetbaar Heel- Al bewonen, zullen wy die Orde en Ovei -eenftemming van dit grooc Heel-Al, welks overdenking alleen ons in onze nie- tigheid doet wegzinken, kunnen nagaan ? Zullen wy die Eindoogmerken , welke de Goddelyke Wysheid zig heeft voorgefteld, en derzelver fchakel doorgron* den ; of, wat die oogmerken bevordert of verwarc 4 met onze enge vermogens, bevatten en beflisfen? Maar ook zy , die ons de bevordering van onze Volmaaktheid , als ene Eerfte Zedeles en bron van alle . onze pligten en geheel ons gedrag, aanpryzen ; ook dezen wyken niet ver van de waarheid als waarheid afl Wie zyne Volmaaktheid betragc , zal zig met gene fchandelyke misdryven bezoedelen. Daar ligt ook waarlyk in het denkbeeld der Volmaaktheid iets , hec geen ons bekoort 9 en tot zig r rekt. Een leder words yan natuur , zec:t CICERO , tot de Volmaaktheid * O gelokt en getrokken (a). En wat verders : Cm dat (#) Lib, V. De Finib. cap. 1-3 et 17 etfeqq. . ; Ri n t ., 80 O\TRDEEERSTEGRONDSTELL1NGEN ivy ons zelvtn keminnen<> en zo wel voor onze ziel als lichaam alls Volmaaktheid vsrlangen. Elders zegt hy: Ds Deugd is ah de Polmaakthsid der natuur + en van alle zaken , die tot onztn Geest behoren , dt allerwenfchelykfte (#). Dus wy ons geenzins ver- wonderen, dac, niet alleen WOLFF, maar ook andere Wysgeren, aan een iegelyk de betragting van zyneVol. maaktheid, als ene Eerfte Wet , als een zeker ken- merk van de hoogfte Deugd en x het waar Geluk, heb- ben aangeprezen (^) : Ja daar zyn Geleerde Mannen O) Lib. I. Academ. Ouaest. Cap. 5. et Lib. Hi. De Off a cap. 6. (^) De Heer FRANCOIS HEMSTERHUIS, Zoon van den fceroemden TIBERIUS HEMSTERHUIS, zo groten vadec waardig , heefc in nnvolging van Plato enige gefprekken over verfcheidene wysgerige ondervverpen in 'tFransch, gefchreven. In zyne Ariftei ou de la Divinitt handelt hy wel niet opzet* telyk over he^ Eerfte Grondbeginzel onzer Pligten , evenwe! drukt hy zig bl. no. der eerfte uitgave, over de voortreiFe- lykheid der Volmaaktheid aldus uit: M Car queile Ide'e fe faire w du vrai bonheur , Ariftee, fi ce n'est Tetat d'un ^tre, qul par cette facult^ fe regardant du centre de tome esfence , qui 1'environne , fe voit toujours egalement beau et par* w fait ; d'un ^tre , qui est toujours dans les autres pour jouit M dubrillant fpeftacle et de Tenergie de fa propre perfection} r et qui est toujours dans lui, pour fe la conferver." En bl. 138: La' plus belle proprie'te' de rhomme, Ariftee, est cellc ^de pouvoirfe corriger et perfeftionner lui-m^me autant qu w la richest de & copofion peut le lui permettre, II re^oit .<* DERZEDELEER, 8j geweest, die de Volmaaktheid als de enige oorzaak en ware reden van hec Nacuurlyk en Zedelyk Schoon aanzagen. Maar, behalven het geen wy reeds ce voren hebben aangemerkt, dat,al wiezyneeigcne Volmaakt- heid zoekt^hier in geen reden kan vinden,om zigvoof hec algemeen welzyn, geheel en zelfs met zyn eigen ondergang en dood, op te offeren (#); zo kan ook nog hec denkbeeld van VOLMAAKTHEID mogelyk wac te fyn , te duiscer , of te onzeker toefchynen , onl op het zelve ene duideljke, klare en zekere Zedeleer te bouwen. Waarlyk, wanneer WOLFF de Volmaakc* heid zo befchryft en verklaarc, dat dczelve de Viye daden met de Natuurlyke daden doet overeendem* men () y dan neemc hy. immers zyne toevlugt weder tot de Menfchelyke Natuur; en naderhand zullen wy onderzoeken , welke grondbeginzels en eerfte zede* lyke fcfes facult^<5 de la Nature; et il pent modifier fes aftions, c' a. d. les caufes du bien et du mal ^ fon plus grand ^vantages et ^, celui des autres. S'il produit le plus grand bien posft- ble pour les autres et 1'harmoni'e et le repos en 1m meme , \\ x a toute la perfection , dont fon ^.tre est fusceptible. .' S'il fe neglige tellement , que le raal refulte de fes aftions au dedans; il est imparfait\ il fe degrade voila deux espe*- Ces cTImperfeftion" (a) Verge!. ERNESTI De Legib. Nat. . 28. (In Init, Solid.) Comp. Juris Nat. . 43. et feqq. 82 OVER DE EERSTE GKONDSTELLINGEN fyke hoofdwetten in de Menfchclyke Natuur liggen opgcflotcn , daar in kunnen gevonden en gekend worden. Daar zyn ook nog Geteerden, die ons als ene Eer- fte Grondwet en Grondbeginzel der Zedeleer voor- fchryven : Dae wy zo vcel goeds , als wy kunnen , 5, te weeg brengende , en de ongemakken van die leven , die onvermydelyk zyn , geduldig doorftaan- de, gevoelen, dat wy aan den Goddelyke Wil ge- hoorzamen (^)." Maar, vragen wy, hoe bereikc men zulks, dac men zal gevoelen, \ geen in dezen regel geboden wordt te gevoelen ? Wat is hier dat goed , het welk wordt aangeprezen ? Naar welken maatftaf zal dat goed worden afgemeten ? Zou men met grond kunnen vast ftellen , dat ene Redeneerkun* dlge, wanneer hy zo veQlwaarheid^ en ene zedekun- dige^ wanneer hy zo veel goeds gebiedt ria te jagen , als kan bereikt worden ; dat die beide Leermeesters dan hunne post waargenomen en huniien pligt volbragt en afgedaan hebben , hoc zecr ook de ecrile ons geen kenteken van het 'ware , nog de laatlle geen het minde (^) FREDER. GUIL. ^ESTEL, Hbbglecranr in 't Natuur- Volkeren- Sraats- eu Burger Regt tc Leyden, in zyne Fun- dam. Jurisprud. Natur Edit. 4tac. Lugd. Bat. 1788. . 270, Nosce, conferva^ auge et fie adhibe vires tuas , ut fantuw, boni , quantum potes , effidcndo atque incommoda vitae inevi- tzbiliz fortifer feretido 9 voluntati divinac te respondere fentias. D E R Z E D E L E R. . Sj kenmerk van het egte gocde , opgeven, nog den weg aanwyzen, langs welken datflw*, dat goede kan ver- kregen worden? Immers zal een onmatig en wellustig menseh zig dan ligtelyk diets makefi , dat het voor hem goed is, zig aan zync wellustige begeerlykheden over te geven; ene giefigaafc, dat hcc goed voor hem is, dat hy geldfomnicn op een ilapele, al/choon die ian niemant nut toebrengen; ene dief, dat hy ftele en zyne hongef flille , welks nyping hy , zo als zy waarlyk is, wel een groot kwaad zal agtcii, dog welk kvvaad door enen diefilal kan verligt worden , en das geen zo onvermydelyk kwaad , dac het nodig zou zyn 9 het zelve geduldig door te ftaan. Wat betekent dan hier het woord goedP Indien hier goed het zelfde is, als nunig, dan is dit meer ene natuuflyke dan zede- lyke eigenfchap ^ .hoedanig de nuttigheid is van den koortsbast tot het ftuiten van den koofts. Of, indien hief goed in enen zedelyken zin zal genomen wordea voor billyk,j fegtmatig, eerlyk , dan is 'er nog een ander kenmerk nodig, waar door men kan weten en beflisfen , wat voor bil]yk,voor regtmatig 5 voor eerlyk moet gehouden worden. Derhalven, hy, die de be* tragting der Volmaaktheid , als een grondregel voof- fchryft, die fchryft nog zodanig iets voor , waaruit men, 't geen goed^ en 't geen kwaad is, tot zekeren trap kan kennen. Maar, die ons enkel voorfchryft te doen' 9 't geen goed is, die moet nog noodzakelyk tot andere grondbeginzelen en leerfiellingen toevlugt nemen ^ P 2, waar 4 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN waar uit kan blyken, wat een waar goed is, ter oa- derfcheiding van een fchyngoed; en door welke daclen en levensinrigting wy dac goed 9 'c welk men ons voor- fchryft, kan bekomen. Maar haasten wy nu ons, om die twe grondbegin* zclender Zedekunde ce overwegen, van welken in de Vraag der Maatfchappy zelve tiicdrakkelyk gewag wordt gemaakt, en van welken het ene, van voortref- felyke Engelfche Wysgcren afkoinflig (#) , van wege hec vermogen onzer ziel, door 'c welk wy hetkennen, GEVOEL, (namelyk inwendlg gevoel) en van wege de aarc der onderwerpen , welken wy door hec zelve kennen , Z-E D E L Y K gevotl , genaamd is : en hec ander door den naam van deszelfs uityinder RANT, wiens wysgeerte onlangs zeer vermaard is geworden , gerugc bee ft gemaakr. Wac dan voor eerst het ZEDELYK GEVOEL aan^- gaac , waar door zoinmige Geieerd^ Mann-en en- uidle- kende Wysgere x n willen , dat wy regt en onregt, eer- lyk en fchandelyk, onderkennen; daar is in de daad in onze ziel een zodanige kragt en vcrmogen, waar door (<7) Namelyk van SHAFTESBURY, IIUTCHESON,FOR- nYCE, HUME, SMITH, gCVolgd door M E R I A N , R'OBl- NET, SPALDING, HENNERT, HULSHOFF, HOTTINGER cn anderen. Zie ook Briefwisfeling van Philagathos en Phi^ laletes over de Leer van V Zedclyk Gevoel, uitgegeven door J. Petsch. Ucrechc D E R Z E D E L E E R. $5 door al vvat in dcugd en voortreffelykheid uitblinkt, al war tot gemeen nuc en heil van alien, vooral met grooc gevaar of ook ne gewisfe dood , ondernomen f en met onwankelbare kloekmoedigheid volvoerd wordt 5 ons behaagt, ons aangenaam is, en onze goedkeuring wegdraagr; waar door in tegendeel al vvat laag, fchan- dclyk, verfoeilyk , trouwloos, onmenschlyk en wreed is , ons ten hoogtlen mishaagc , en onzen afkeer verwekr.' Wie heefc ook her roernryk levens inde van Regulus of zeh'e geJczen , of anderen gehoord verhalen , zon* der bewogen te wor.ien, zonder den groren held ce beminnen , en zyne .ongelouflyke ftandvastigheid te bewonderen, met de genoeglyklte aandoening? Van, Orestes en Pylades vricndfchnp, en dcnindrukderzelve op de aanfchouwers, hebben wy reeds hier te voren bl. 32. gefproken. DC kragt van dit ZEDELYK GE- VOEL is zo groot, en het zelve behoort zo zeer roc onze menfchelyke natuur , dat CICERO over de Friend* j'chap Hoofdlt. 13. vraagt, indien het zelve is wegge* nomen , wclk onderfcheld *er dan , niet tusfchen een Mtnsch en een Beest; maar tusfchen een Mensch en enen ft een of ftomp of lets diergelyks nog overig is ? Ook heefc die Wysgecrce , welke hec ZEDELYK GEVOEL als een kennierk, en,als 't ware, als ene bron van alle onze pligten en alle zedelyke dcugd aan- pryst, dit boven vele endere Jcc rite 11 in gen vooruit, dat zo wel die pligten, welkcn het algemeen weizyn, als dic'jWelken eens ie[;c]yl>sbyzorjder geluk bevorder F ren 86 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN uit hec zelven kunncn betoogd worden , al zyn hcc ook zodanige pligten , die van ons eisfchen , dac wy ons in de grootite gevaren , of ook in ene zekere dood begeven. Daar is cgcer enige bedenking, welke ons wederhoudc van met die Wysgercn , die dac ZEDELYK GEVOEL voor een bcvoegd keunn tester van regt en onregt, eerlyk en fchandclyk houdcn ? in te ftemmen ; wane voor eerst, zy hebben alleen dac gevoel, en dus meer een deel van onze ziel, dan onze gehele men- fchelyke natuur.,in aanfchouw genomen. Tenanderen, zy bebben niet duidelyk genoeg ontvbuwd , vvelken van deze twe zaken zy eigenjyk vvilden , of dat alle pligtcn terflond en zonder redencring door dat GEVOEL onmiddelyk zouden bcoordeeld worden , dan of zy flelden, dac door dat ZEDELYK GEVOEL alleenlyk enige eerfle gronditellingen gekend , enige eerde zede- lyke yoorfchriften zouden aangevvc^en worden , uic welken dan de Reden vervolgens door rcdeaering en wettige befluiten de overige regels en voorfchriften der natuur zou moeten afleiden: yeel minder hebben die Wysgercn, iqctien die Jaatfte al hunne mening wa- re , naauwkeurig verklaard , welke dan die eerfte grondwaarheden zyn , die het ZEDELYK GEVOEL als grondbeginzels aanwees. In tegendeel zy fchynen niec zo zeer het laatfle , maar hct eerlle gewild te heb- ben. Want even danrom hebben zy voornamelyk dat ZEDELYK GEVOEL ingeroepcn , en alleen tot enen bcvoegden regter en onmiddeJyken beoordelaar der men- D E R Z E D E L E E R. 87 menfchelyke daden als 'c ware aangefteld , op dac ook hec ongeleerd gemeen,, zonder moeice en zonder redencring, waar roe het onbckwaam is, terftond alle pligcen zou bezeffcn en kennen. Maar waarfchynlyk zyn die Wysgcren hier mislaid geworden door ene zekere vlugheid van 't Menfchelyk Verrmfc ? 'c welk. dikvvyls als met ene fprong de ganfche zamenhang der voorile.llen zo fchielyk doorlaopt , dac hec zelve de tusfchenliggende voorftellen naauwlyks en niec dan ihauw en duister bezefc, en, die als in eens overge- iprongen hebbende, terftond op hec befluit vale, en zig dan ligcelyk verbeeldc, van zelfs, zonder hulp van die tusfchen beiden liggende voorflellen , en als 'c ware door een onmiddelyk bezef of gevoel^ die laac- fle voorfchrift beyat, en die befluic opgemaakt te heb- ben. Maar wy moeten nu ook omtrend de leerftelling van den Koningbergfchen Wysgeer KANT, wiens enigzins duistere Wysgeerte in Duitschland zeer vele Beftryders 'en Voorflanders verwekc heefc , nog het een en ander zeggen , dog niet meer , dan ons tegen- woordig onderwerp vtreischt. Voor eersc dan fchynt deze Wysgeer als ene onbetwistbare zaak vast te flel- len ., dat de menfchelyke daden die kragt en eigenfchap hebben , dac zy , of met de natuur en waarheid over- eenftemmen ^ of daar tegen ftryden ; dat onze ziel alle tegenflrydigheid wraakt , en in tegendeel alle overeenftemming met de natuur goedkeurc , en daar F 4 toe &8 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN toe overhck: maar zal ons Verftand in die rigting on* zen Wil kunnen bewcgen, dan erkent hy> dat daar toe ook nodig is, dat Vr gene andere tegenftrydige beweegrcdenen en aanlokzelen der wcllusc ons tot hec tegenovergeftelde tragten te verleiden ; dac een Icvensloop, volgens dc Natuurwccccn ingerigc en ver- vuld , den Mensch waardig maakc , om gelukkig ce zyn, en dan zodanig levcnsgedrag de voorwaarde is , 2onder welke niemant her geluk kan bereiken. Ver- ders (lek hy met de Scoicynen, dac de goede daden door haren elgen liiister goed zyn , en fchitteren ; zo dac zy ook zonder de mrnfte hoop en opzigc op geluk den Mensch volflrekc vcrbinden (a) 9 en dat de enkele voorcreffelykhekl der Natuurwettcn en het enkel bezef van die voorcrefFclykheid den Mensch ligcclyk over- reedc, om alle andere en uicerlyke bewcegredenen ce verwerpen (b) : ja , dat iedere deugd zo veel voortref- felyker is , als alle hoop en uitzigt op beloning meer verworpen wordc , welkec verlangen de glans der deugd zeer verduisrert. Indlen men aan' ene voor- treffelyke daad, zegt hy, denkt > van alle voor.de el of nut , zo wel in dlt als in V toskomende levsn , ontbloot; indlen zig iets aan onze zielvertoont^tegen de verlokzelcn der wellust , of ook regelregt tegen dc bewsegredenen van den mod , m:t moeite , uit groot* (a) Knt. der Reive Vermin ft. S, 835. (^) Mctaph. der Sit ten > & 33. DERZEDELEER. 89 grootheid^ kragt en flandvastlgen mosd van em ver- favene zicl* volbragt-; dat ovcrtr-eft-Vcr alle andsre daden , w-elken fl.egts fie hoop op een aanftaand geluk aanpryst. ~ Dan wenscht een iegelyk ftilzwy- gende by zig zelven, dat hy ook zelve nog ten enigen- tyd eens ene dlergclyke voortreffclyke daad tnoge kun~ nen betragten\a). KANT fchryfc ook aan iedcr mensch zo grooc een gevoel toe van die eigeno luis- cer ? door " wdke alle dcugdzame daden uitblinkeh , dat hy bet navolgend grondbeginzcl , of eerfte ze^e- lyke wee voorfchryfc : Handel volgens dien regel 9 welke gy zehtn te gelyk zoudt kunnen wiUcri of wen- fchen , dat ene algemene wet ware (b} : en een vvei- nig da^r na: Handel op die wyze , ah of die handel- wyze van u , door uwenwil 3 eens ene algemene natuur- wet zoude zyn. Maar die zelfde KANT leert nogthans elders, dat. het geluk met de eerbied, en de betragting der Na- tuurwctten noodzakelyk verbonden is, en dat hec hoogde goed in een fchtildeloos leven gclegen is; dat, alhoewel die onfchuld allecn den Mensch wanrdig niaakt om gelukkig te zyn , de gemoedcrcn der Menfchen nogtbans door zo vele begeercens en afkeer en zo vele verlokzelen der wellusc beroerd en geflin- gerd worden , dat zy de natuurwetten wel goedkcu- ren, (a) Metaph. der Sitten. S. 33. in de Aantek. flO Aldaar S. 52. F 5 p,o OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN ren,derzelver voortreffelykheid enluisterbewonderen ; niaar des nict te meer bevvogen worden tot gehoor- zaamheid aan dezelven , ten zy zy vporaf van deze ave zaken overreed zyn ; voor eerst , dat 'er een God is; en ten anderen , dat 'er ftraffen van euveldaden en beloningen van dcugd en eerlyke bedryven voor den IMensch in een ander leven te wagten zyn. En e deze twe ftcliingen, welken KANT zeer bezwaarlyk agt te bewyzen, vorderc hy dan, dat hem voo.raf, als twe geeischte zaken (postulata), worden toegefhan (#). Alhocvvel na alle deze fteliingen welligt iemant zul- len toefchynen , niet geheel en al met elkanderen on- derling te ilroken; zo blykt nogthans'uit het gezegde, en uit het bygebragc grondbeginzel van KANT, dat deze wysgcer dat grondbeginzel afleidt van den eigen luister dcr Deugd zelve, welke een iegelyk gevoelt, goedkeiut en bewondert , en dat hy dus ook tot een ZEDELSTK pEvoEL zyren toevlugt neemt , welks voor- en nadelen wy te voren hebben opengelegd. Daar en boven wil K A N x , dat wy zodanigen regel volgen , welken wy kunnen wenfchen , dat alle Men- ichen volgden en even als of die ene algemene wee \vare. Maar ik wenschte dan wel te weten 9 welke kragt en uitvverking dit grondbeginzel zal of kan heb- ben t indien 'er eens een goedig mensch is ? wiens oordeel en ge weten dwaalr. Waar uit zal zodanig ie- .\(a) Krit. far Reine fen&xft. S. 837. DERZEBELEER. 91 iemant weten en beflisfen of hy dwaalt of nice? 'Die yolkeren , wejkcn SEXTUS EMPIRICUS ver- haak O) , dat hec bccamelyk agtten , menlchen te ofFeren; zyne oudcrs na encn fustigjarigen ouclcrdom tedoden, enz. vvelken regel , bidik, zullen die weu- fchen , dat alle Menfchen ajs ene algemene wee mog- ten volgen ? Vclcii , ja zecr velen dier eenvoudige lieden , die wcl eer utc ecn dom en fchandelyk byge- loof de zogenaanide beilige kruiisvaarten ondernamen, en de onregcvaardigde oorlogen voerden , zouden die niet ligtelyk gewensqhc hebben , dat ten minften in gelyke omftandigheden alle Christenen hec zelfde de- den? Zyn 'er dan gene Menfchen geweesc, die waan- den yoortreffelyk te handelen ? als zy hunnen Gods- dienst aan nndercn ook tegen wil en dank, en mec geweld.van wapenen opdrongen ? En welken regel zpllen dan dusdanige menfchen kunnen wenfchen , dat pok anderen ia 't algemeen betragtten ? En zodanige wensch , welke kragt , welke voortrefFelykheid kan die hebben? Waarlyk, wy zien.in 't geheel niet, hoe net mogelyk zoude zyn , die twyiFelagtige vragen , welke CICERO in zyn HI. Boek over de Pligten * Hoofdft. 23 25 voordraagc , uit het Kandaansch grondbeginzel, of uic de daar uit afgcleide voorftellea te beflisfen. Ik vermoede niet, dat ik, in 't ontvouvven dezer Kan- (jf) fyrrhoniar, Hypotvpos. Lib. III. cap. 24. $t OVER DE EEHSTE GRONDSTELLINGEN Kantiaanfche lecrftelling , my grotelyks zal vergist hfcbben. Dog , indien my de duisterheid van zyne wysgcerte (wane die duistcrhcid wordc algemeen er- kend'en door de Hoi'aadfchc Maatfc'hsppy zelve niec oncvynsc) in. lien dan dezcive my evenwcl 'hier of dnar mogt mislcid heb'rcn, dan kan en mag die duiscerheici zelve myne verfchoning zyn, en my van alle befchul* dfging van onberadenheid vry pleiten. Eindelyk, in d'ezen clrom van Wysgeren , welker gevodens omtrcnd de eerfte grondflellingen'derZede- icer'wy ter toecfe brengen, zie daar ook nog enigen, die or,s :e gemoetlopen, aanhouden, en, byna mec ene zckere houding van een vernederend medelyden , ons belaggende, "aldus coerocpen : Wat vermoeic gy lieden U en tobt zo zeer, 6 goede zuldelaars ! Ene zaak," van zig zelve zo klaar, als her zonncligc, en die enen ieder in 'c oog loopt, bekommert U? Gy pynigt U dan zozeer,om grondbeginzelen van pligcen en hec waar geluk te vinden?Arme menschjens, hoorc ons, (roept ? er een uit den hoop, zyne ftem boven anderen verlieffende ,) hoorc naar ons , en gy zult ras enen open en effen' weg, langs welken men dit leven moet leiden, voor uwc ogen gebaand zien ! Wy , wy hcbbcn een eenvoudig voorfchrifc; ons grondbe- ginzel is hen enigfle en ware; aan 'c welk zo gy-maar hcc'oor wilt lencn, dan zyc gy behouden-en behoed voor alle gevaar van te dwalen.\ Volgc dan deze ene koroe ea eenvoudige-^rondles : z o 2 K T E L V,E u w GELUK! D E R Z E D E L E E R. 93 K! \Vac is, vragen wy u lieden , wat is tog mecr waaragtig, wat is duidelyker, wat e.envoudiger en nicer overecnkomftig met onze natuur? Oja, waarlyk, dit fchynt zo;< maar gy, vvie gy ook zyt-, die onsdtis toeroept, en vermaant, gy fchryft ons dat geeil voor, 't welk wy zelven ook zo harctlyk, zo vicriglyk .begcren , dat wy niet anders kunnen ,- dan hct zelfvie ten hoogften te verlangen. Dus, gy noopt ons aan , o'm te gann , daar wy al reeds van zelven lopen. Maar, wy bidden u, hoor gy zelve nu eens naar ons. Het is hier nict genoeg voord te gaan, zo lang men niet weer , welken weg men moet bewan- delen. Derhalven* ogoedevriend! gy, die zo gere- dclyk onze leermecster op het pad van dit leven wile zyn; zyt gy ook teffens onze gids en leidsman , en roep ons niet flegts toe: zoekt naar uw geluk; gaat naar uw geluky maar wys ons dien weg. aan, welke ons tot het waar geluk moet brengen. Doe dan niec even als ene Geneesheer , welke van enen zieken ge- raadpleegd, hem met dit voorfchrift zou weg zenden: zoek iiwe gezondheidfMzw geefgy zelve veel eerene of eriige grondilellingen op, welke vrugtb&ir genoeg zyn, om zulke voorfehriften en zedeksfen voort te bren- gen, die in zo vele ftormen en beroeringen,inzovele flingeringen van het fchip onzes levens,ons deklippen aanwyzen, welken wy moeten vermyden, en die ofts Icren , onzen gehelen levensiogt zo ce beftieren , dac wy 4 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN dat vvy in de bchouden haven van her waar geluk aanlanden* r 1 Derhalveri, in zo ; groat en zo velerlye vcrfchil en dobbering van gevoelens en ohwisfe leerftellingen , laten wy dien weg, welke onvoldoende was om ze- kere en vasce grondilagen voor de voorcrefFelyke Zede leer te vinden en te leggen, veiiaten; en laten vvy liever in de menfchelyke natuur zelve, in onze ziel, als 't were , intreden , om daar de verfcholene eerfte zaden van vvaarheid , deugd en alle menfchelyke kennis 6p te fporen. Daar zft'Uen wy mogelyk de eeffle grondbeginzels en grondvvaarheden , gelyk van alle aiidere wetenfchappen , zo ook dcr zedekunde , kunnen ontdekken. III. HOOFDSfUK. Cyer de Menfchelyke Natuur ; en 'tielke Eerfti en sllgemene Grondfteliingen tier lilt die Natuur, voordvloeijen. e eerfte grondvvaarheden, welken in deMenfche* lyke ziel waarlyk huisvesten , en als bedolven liggen , VfOt- D E R Z E D E L E E R. 95 worden op twederlye wyze opgefpoord en ontdekt. Vooreerst, men befchouwc, het geen in het dagelyks leven voorvalt; men bemerkt deszelfs veranderingen, vervvisfelingen , allerlye byzohdere daden en bedryven der Menfchen , de byzondere (a) zaken en derzelver uitwerkingen ; met een woord, al wat ons onder het oogvalt; en van deze. byzondere zaken klimmenwy dan op rot algemene, en meer algemene, tot dat Wy ein- delyk aan de eerlle beginzelcn komen : dat is , wy beginnen van de Zlntulgen , en gaan voord tot de Reden: vvelke leervvyze de meeste Wysgeren de ont- bindende of Analytifche ( b ) ; dog de beroemde WYTTENBACH, mogelyk meer overeenkomftig mec het gebruik der Oaden , de zameriftellende of Synthe- ufche Leerwyze genaaind heeft (c) ; en deze is de Icerw yze , wel ke A R i s T o t E L E s gezegd wordt by- zonderlyk te hebberi gevolgd en aangeprezen (d). De andere Leerwyze is, waar door wy aanvangen, met allereerst onzen aandagt tot ons zelven te wenden; en met alien ingefpannen aandagt onze ziel doorzoeken' eii (Jf) 's GRAVESANDE Inleid. tot de Wysgeerte II. B. De Redeneerk. 33 en 36 Hoofdft. ERNEST. ///. Dottr. Solid. Proleg. . 32 ec 33. (Y) DAN. WYTTENBACH Logic. Part. III. cap. i. . 3. ( ? + Dan eersr zullen wy enen veiligen we 4- kunncn inlaan en het gevaar vermeiden der ydcle dromon , die onze \vetenfchap zo lang verwa-'d hebben; dan eerst zullen \vy kmnon voordwandelen volgens dien leidraad ^ welken ons uit hec doolhof van misvatcingen e dwa lingen kan verlosfen en to: de ware rfchriften , alleen van de Menfchelyke Natuur ontleent, en, om zo veel naauwkeuriger die ware, die eenvoudige , die nog zuivere en onbedorven natuur te leren kennen , (a} Lib. V. De Finib cnp. n. C^) I" Libris Academicar. et Tiiwtlanar. Qttaeftion. Ds Natura Deor. De Finibus Bonor et Mai. Ds Offices* De Qrat. &c. G '98 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN z\'$ 9 zo als hy zclve zegt, toe de wicg, toe dc kinder- tjens, -bcgectc, in welken hy oordcdt, dat , even als in encn fpicgel , die oorfprongelyke natuur het best kan aanfchomvd worden (a). Wy zullen dan de voet- ftappcn van zo groot enen leidsman volgen , en , om aan de woorden meer fierlykheid , aan de Icerftcllingen meer gezags, en aan de bewyzen meer kragts by te zetten, zullen wy de eigene woorden van die leidsman zelven menigvuldiglyk bybrengen. En die betoog zal zo vcel minder aan enige berisping kunnen onderhevig zyn, als die eerfte gevoelens en bezeffen, die eerfte vonkjens van kennis , niet anders dan door de aandagtige befchouwing van onze ziel door ons zelven , of door dc getuigenisfen van andere voortreffolyke Wysgeren , die de menfchelyke natuur met meerder en opzette- lyker oplettendheid hebben nagegaan , kunnen bevvc- zen worden. Gewisfelyk , de Menfchelyke Natuur heeft hare waarde en uitftekende voortreffelykheid. Niet alleen heefc - 00 ^ es principes de Morale ne peuvent etre fondds que M, fur la nature de I'hemme et fur fes relations. Lorsqu'on w recherche les bafes, fur les quelles la Morale repofe , on 3, doit employer tons les moyens posfibles de connoitre 1'agent ,,ec les eiFets des actions, aux quelles on vent prescrire des ? , regies." P R E v o T s fur les Methodes (Tenfeigner la morale. Nouv. Memoir, de TAcadem. Roy. de Berlin 17^0. pag. 414. 415* D E R Z E D E L E E R: '99 heefc de Mensch zyna uicerlyke zintuigen als wagters en aankondigers van het geen buiten ' den Mensch is en voorvah, niet alleen hceft hy bekwaine ledematen, door welke hy zig beweegt, en zig vele nooddrufcen , gemakken en gencugtens dezes levens verzorgt; maar voonl is de kragt en 'c vermogen der Menfchelyke ziel opmerking en bewondering waardig: Wane zodra wy derzelver binnenfte fchuilhoeken doorzoeken, dan ontdekken wy in deceive vele inwendige gevoelens , vele eerfte ingeprente of ingefchapene denkbeelden ? of vonkjens van kennis, vele eerfte grondwaarheden , die de beginzelen van allerlye kennis en wetenfchap , en de grondflagen van alle konften zyn. Want voor eerst, 2odra onze ziel hare fcherpzinnige aandagt toe zig zelve keen, dan ontwaarc zy dadelyk, van zelve en zbndet deminfte hulpvan uitvvendige zintuigen 5 en zonder den geringften dienst van enige andere denkbeelden, dac zy denkt, dat zy vele zaken bezefc, dat veel in de ziel omgaat, veel gedagt, vergeleken, beoordeeld, goed- gekeurd , verlangd en verworpen wordt : van al hec wclk een icgelyk zig zo zeer bewust is, dat hy veel eer zig zelve kan verlaten , dan zulks niet te ontwaren. Ten anderen , ons verftand bezeft vele waarheden ,' welker duidelykheid en ligt den Mensch zo kragtig aandoet en trefu, dat, zodra hy zig dezelven maar voor- ftelt, hy terftond genoodzaakt is , die toeteftemmen, in zo ver , dat geen goud , gene beloning , hoe grooc ook , hem aan die waarheden kan doen twyffelen , G 2, veel OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN veel minder dezelven doen ontkennen; en al wic het tegendeel zou onderftaan te beweren, met het mi-nfte gehoorzou kunnen verwerven. Tot deze foort van waar- heden breng ik de navolgcnde ftellingen , als zo vele voorbeelden, te weten: Dat lets niet kan te gelyk zyn en niet zyn ; oat ene zaak onmogelyk zig zdve kan voort- brengen; dat alle oorzank eerder is, dan haargewrogt; dat bet geen niet is, ook niecs kan voorthrengejn ; dac zodanige dingen , die aan ene derde gelyk zyn , ook gelyk zyn me: elkandcren ; dat die dingen , welken aan andere gelyke dingen gelyk zyn, ook onderling gelyk zyn; dat het geheel groter dan zyn deel, en het deel kleiner dan zyn geheel is; dat gelyke getallen by gelyken gevcegd, gelyke fommen ; enongelyken, by gelyken gevoegd , ongelyke fommen uirm.iken ; dat tusfchen twe pimten niet dan ene regte lyn 1 an tusfchen liggen; dat tusfchen twe pin ten de regte lyn de korcfte is; dat twe regte lynen gene plants omvat- ten; en meer diergelyke grondfleliingen , welken of tot de wezenkunde (^ontologie,) of tot de wiskunde behoren, en welken het niet nodig is, hicr alien op te halen. Wei van ene andere foort, maar niet min- der blykbaar, zyn ook deze grondwaarheden; dat hec beter is, dat het geringere, dan dat het voortreiFclyke , het onvvaardige , dan het waar-.iige verlorcn gr ; en , wanneer meer zaken met elkanderen gelyk zyn in waar- de , dat dan liever weinigen , dan dat vclen gemischt wor- denj dat de delen zonder het geheel niet kunnen be- houden DER ZEDELEER. 101 houden worden ; dat het geheel eerder een deel , dan het decl het geheel kan oncberen (aj. Onder dusda- nige, van zig zelve blykbare, waarheden, zou ik ook gaarne tellen, dat een ieder mensch, zodra hy aan- dagtig op zig zelven lee , dadelyk gevoelc , dat hy een zwak en onvermogehd wezen is , 't welk van ene grotere oorzaak , hoedanig die dan ook zyn moge, afhangt : uit welk gevoel de vrees en angstvalligheid van kinderen, vooral in eenzaamheid, of in duiscernis, oorfprongelyk , en vaak zo vermogende is, dat velen, ook in gevorderde jaren , die angstvalligheid niet kun- nen overwinnen. Deze en diergelyke beginzels 5 gevoelens en eerfle aanblikken van kennis huisvescen dan in groot getal in *s menfchen ziel , en wor len van alien doiT ene in- wendige kragt en vermogen zo fterk ontwaard , be- zefd, gevoeld en erkend, dat al wie ze ontkent of in twyfFel trekt, voor enen halftarrigen tegenftrever of voor enen onnozelaar gehouJen worJt. Dit zyn de zaden van alle kennis , zo als CICERO, en ook SENECA () , doorgaands die noemen; dit zyn die kleine (a) Het komt hicr op enige voorbeelden , welken mogelyk ietnant gene onbewysbare , gene eerfte , raaar becoogbare waar^ heden zou agten , niet aan. 't Is hier genoeg , dat 'er verfchefc dene onbetoogbare waarheden i onze ziel haisvesten, (JT> Epitf. 120. 102 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN kleine vonkjens , van welken , door de hund der Na- tuur zelve in onze ziel geplanc , met behulp der Ondervinding en der Reden , de Reken- , de Meet- , de Natuur- en de Redeneerkunde , en alle andere kon- fien en wetenfchappen, zyn geboren en voordgehragc , en om welken mogclyk de Mensch aan p i< A T o toe- fcheen niec zo zeer te leren, als veel meer zig ilegts maar tc herinneren. En deze oorfprongelyke bezef- fen, of, (wil men liever) de gelykenende afbeeldzels van deze bezeffen, trefc men ook in de diereri aan, Wie weec niet, hoe konftig de fpinnen hunne netten weven en op de bekwaamfte gelegenheden uitfpannen , om vliegjens en muggen te vangen ? Wie ftaat niec verbaast over den yver en vlyt dermieren? Over het vernufc en beleid der Byen? Welker voorzorg, konsc en pryzelyke arbeid de digter VIRGILIUS zo voor- trefFelyk ontvouwt (<#) ? Of wie zal ontkennen , dac zo vernuftige werkzaamheid , de opgenoemde of diergelyke eerfle en algemene ingeprente beginzels tot hare oorzaak en grondflag heeft? En deze opgenoemde voorbeelden behooren meest al tot de befchouwing. Overwegen wy dan nu meer opzettelyk die beginzelen , welke den Mensch tot verlangen of verwerpen , tot begeren of tot vlieden , no- C) Ccorgic. Lib. IV. vs. 148. vs. DER ZEDELEER. 103. nopen 5 en even claar door hem in working brcngen , want dezcn zyn met ons voorgefleld oogmerk naauwer verknogt. I. VOOR EERST dan ; de Mensch gevoelt nice alleen, dar hy aanwezig is; maar even gelyk aan alle andere Dieren , zo is aan den Mensch ook die gevoel ten hoogften aangenaam, en niets begeert hy meer, dan zulks te blyven gevoelen. Hy fchuwt dus zyn en ondergang en fchnkt voor gene zaak meer, dan voor de dood , vvelke hem als ene ontbinding der natuur voorkomt. Dog de Mensch begeert niet alleenlyk te zyn , maar teffens op de' genoegeJykile wyze te zyn , en niemant is 'er, wien het onverfchillig zou kunnen zyn, op hoedanige wyze hy aanwezig ware en zig bevond aangedaan. Een iegelyk is dus voor al aan zig zelven dierbaar; hy bemint zig; hy bemint alle zyne delen; hy kcert met alleen alle gevaren en bele- digingen af, zig tegen de aanvallen van enen iegelyk vyand verdedigende ; maar hy is ook yverig daarop uit, dat hy zig alle nodige middelen tot onderhoud, gemak en geneugten dezes levens verfchaffe, en alle fchadens en nadelen ontwyke. Maar laten wy dit gewigtig onderwerp, welk wy flegts even hebben aangeroerd, nog met enige fchonegezeg- dens en plaatfen van den wyzen CICERO Haven en verfsaai- jen. Allegedlerte^ zegt hy (#), bemint zig, en zodrahet maar {#) Lib. V. De Finib. cnp. 9. et lo. G 4 1 04 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN maar geborcn Is , zoekt het zig al te behtuden , aan- ge:ien de J\atuur aan V zelve deze eetfte drift tot befcherming van zyn lev en hceft ingeprent. Verde rs lecrc hy: dat een iegelyk wezen etc bekoeder en be- "bonder van ztg zelven Is , en zlg ah een huofdoogmerk en uiterst doelrinde voorftelt , om zig zelven te be- houden in dlen wenfchelykften fland, ah met zyne tiatuur overcenkomt. En in het lode Hoof iluk zegt hy nog: Hoc zou men kunnen denken of zig verbcel- den , dat *er enlg Dler zou kunnen gevonden warden, V velk ziz zelve zou haten^. Dan zouden zlgdealler- Ugenftrydigfte zaken verenigen. Want ook zdfs al zyn *er zomniige Menfchen, die of door den flj op , of door and ere hellloze mid dele n den dood zoe- ken , zy zyn daarom geen fSyanden van zig zelven, niaar dezen w or den door finer t gedrongen^ anderen door begeerlykheid genoopt;velendoorgram- fchap vervoerd^ en wanneer zy ook willens en wet ens in hun verderf lopen , dan verbeelden zy zig nog het beste te kiezen. Derhalven, zo dik- wyls men zegt , dat ieniant zig zelven nadeel toe- frrengt , dat hy zig zelvsn tot een vyand, tot verderf is , ja dat hy het lev en J'chuwt ; ook dan zelfs behoort men te begrypen , dat Vr enige oorzaak onder fchuilt , waar itlt deze waarheid kan wordtn opge- maakt , dat een iegeiyk zig zelven dlerbaar is (a). En (a) Zie CICERO Lib, II. Do. Finib. c. 35. Lib. III. cap. 5. Lib. DER ZEDELEER. 105* En deze zugt > door welke een iegelyk zig zelven boven al beminc ; werkt zo wcl omcrend hec lichaam , als omtrend de ziel. Want voor eerst , de Menfchen veriangen den welrtand van htm geheel lichaam, van dcszelfs leden en zintuigen, in zo ver , dat , zo dra lets in de ledematen verzwakt , verdraaid of vermirkt is, zy dac begeren te genezen, en , om die gene-zing, veel l:.st, moeite en (mere doorffonn; of, indjen enig deel van 't Jichaam bloed en leven begint te omberen, of geheel nier meer kan genezen worden ; of, indien hct ook . door kanker of ander bederf ontftoken , de overige ledematen benadeek , of ook het geheel leven met gevaar bedreigc; dan geven zy zodanig lid aanhet (laal van den Heelmeester over , om , ztlfs met hec doorftaan van de felfie pynen , te wcrden afgezet , om daar door ten minften het overig lichaam en leven re beboiulen (jx}. Ten anderen , in de menfchelyke ziel is ook door de Natuur ene flerke drift tot kennis ingeprent, waar door niets voor den Mensch aangenamer is, dan het ligt der waarheid (&) : welke zugt en weetgierigheid reeds in de kindertjens zo groot uitblink*, dat zy veel vra- Lib. V. cap. 913. Lib. I. De Offic. cap. 4. POPE Esfai en Man Ep. III. vs. 269-283. (a) CICERO Lib. V. De Finib. cap. 17. (^) Zie CICERO Acad. Oitaest. Lib. IV. cap. loet^i. et Lib. V. De Finib. cap. 1 8. 05 106 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN vragen , dac zy zig verheugen lets te weten , en naauwlyks door flagen kunnen wederhouden women van 'c betasten , befchouwen en doorihuffelen van onbckcnde voorwerpen. Met de toeneming der jaren groeic deze weedusc zo zeer aan , dat 'er weinige men- fchen van zulke onbefchaafde zeden en zo verhard tegen de neigingen der Nacuur zelv.e wordcn gevon- den , dac zy van wetenswaardige zaken geheel zouden afkerig zyn (a). Die in vernuftige oeffeningen van geest en in konflen vermaak fcheppen , ziet men die met en gezondheid en goederen opofferen 9 en alles door ft aan , enkel door zugt tot kennis en wet&nfchap ingenomen, en zelfs met de grootfle moeite en zorgen dat genoegen kopen , V welk zy nit het verkrygen van kennis genieten ? Zo fpreekt CICERO ergens (), en hy voegc 'er by : Welke ene drift tot wetenfckap meent gy , dat Archimedes bezielde , die , terwyl liy in 't ft of met aandagt enige meetkundige figuren maakte , niet eens bemerkte , dat de vyand de ft ad Jtadt ingenomen ? Hoe 'was het groot vernuft van Aristoxenes ftecds bezig in de zangkunde ? Met welk ene yver heeft Arifloplianes zyn en leeftyd in de weten- fchappen doorgebragrt Wat zal ik van Pythagoras^ van Plato, of Democritits zeggen ? Welken , nit leer- zugt en 'weetgierigheld , de uiterjle grenzen des aard- bockms (/j) CICERO Lib. III. De Fitrib. cap. n. , Lib. V. cap. 18 et 19, DER ZEDELEER. 107 bodems hebbcn bezogt. Die dlt met lezeffert, die hebben nimmer iets wetenswaardigs bcmint. Eia- delyk merkt die zelfde Wysgecr aan : Vragen wy dan ens zelven maar eens 9 hoe de loop der (lerren, en de befchouwingen der Hemelfche Lichamen en de kennis yan alle die zaken , welken In de tiatuur verborgeu llggen 9 ons aandoen en verrukken ? en wac daar verders beredeneerd wordt. Derhalven in de natuur zelve van onze ziel, en in de zaken die geleerd enge- kend worden,zyh fterke aanlokzelen gelegen, dieons tot onderzoek en kennis nopen , zo dat dc bcfchavihg van den geest door wyze mannen ceregtvooreen nooct- zakely k voedzel en fpys der menfchely kheid is gehouden. En deze zelfde kragc van de ziel is oorzaak , dat de Mensch doorgaans iets wil doen en yerrigten , en op generlye wyze ene blyvende werkeloosheid kan door- flaan , maar tot de afwisfeling van (like en bczig- heid zo geneigd is , dat hy met genoegen van rust tot arbeid , en wederom van arbeid tot rust overgaat. Zo zien wy, dat ook de idnderen nice kunnen ftil zyn , maar met allerlye fpclen of bezigheden zig vermaken : welke werklust met den voordgang des levens zo toe- ncernt, dat men, om maar wat te doen te hebbcn en te vcrrigten, zig de grootfle zorgen, kommer en nagtwaken getroost (^). En deze drift om te kunncn 1 vcr- (jff) CICERO Lib. V. De Ftnlb. cap. 19 ec 20. jo8 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN verrigten 9 wat wy goedvinden en wat ons het aange- immst is, vcrwekt in ons de fterkfle zugt totVryheid, welker inbinding en beknelling ons geweldig drukt. War-t hec is den Mensch geenzins onverfchillig , wac hy doet; en het verdriet hem ten hoogflen, niet dac gecn te 1 imnen doen, 't welk hy het meeste verlangt. Hoe alle deze neigingen der Natuur, van kleine begin- zels ontloken, voordgaan, met ons opgroeijen en toe- nemen , dit drukt c i C-E R o (#) voortreffelyk uit in ene fchone plaats, vvelke ikmynietkan wederhouden , hier vvoordelyk by te brengen. De kleine wigtjens llggen na hunne geboorte , even als of zy geheel zonder ziel en leven waren. Maar hebben zy wat kragt gekre- gen, dan beginnen zy het vermogen der ziel te ge- *bruiken, a j s mede hunne zintulgen $ doen moeite om zig op te rigten, en bewegen hunne handen: zy ken- mn ook die genen , die hun opkweken. Vervolgens yermaken zy zig met hunne tydgenoten^komen gaar- ne met die by een^ en fpelen met hen: zy fcheppen ook genoegen in het aanhoren Van vertelzels; en^met het geen zy misfchen kunnen , willen zy gaarne an der en begun ft igen$ zy merken vlytig op \ al wat in huis omgaat , en beginnen ook zelven wat op te flellen en te leren ; zyn nieuwsgierlg , om de namen te wet en van hen, die zy zien : en in wdke zaken zy ^ CICERO Lib, V. De Finib. c?p. 15. D E R Z E D E L E E R. 109 ry met hunne makkers kampen, zo zy die overwln- jien , dan fpringen zy van blydfchap ; maar -warden zy overwonnen , dan zyn zy bedeest en neerflagtig. Van al het geen wy aid us over de naiuur van den Mensch, en die zugt, waar door een ieder zig zelve bemint en tragt te behoudcn , hebben opgcmcrkt , bygebragc en beredeneerd,moet dit een wettig gevolg en befluit zyn : Dat de Menfchen van natuur genoopc worden, om hun lichaam, en deszelfs delen en lede- macen te bewaren en hunnen geese met kennis van wetenswaardige zaken te verryken ; om hun leven te behoeden en te befchennen , en het zeive in dier voege te leiden , dat zy npg het noodzakelyke , nog hecnuttige, nog het aangename misfchen; maar, zo veel raogelyk is, het genot hebben van allerlye goe- deren voor ziel en lichaam ^) Uit deze Menfchelyke Natuur, welke ontkend of weggenomen wordende ? terflond de Mensch zelve moet verdwynen; volgt dan noodzakelyk deze eerlle wet i dit eerfle voorfchrift , en dus deze eerfle grond- flel- (a) Dit ^dn gedeelte der Menfchelyke Natuur, maar niet die Natuur in haar geheel , hebben dieWysgeren in aanfchouw genomen , welken de Eigenliefde , de zr.gt tot geluk, tot enen grondflag der Zedeleer ftelden. ' Dit is ook de misfiag van CAMPBEL Enquiry into the orginal of Moral Virtue, Loud. 1734. .^v DE SERSTE GRONDSTELLINGEN fteiling, welke nice die McnfchelykuNaumr volmaakr overeentletnt 5 namelyk : Dat een iegelyk Mensch van natiuir verpligt is, om zyn lichaam, en dcszclfs delen en IcJen; om 5 , zynen geese en geheel zynen llaat en fta-nd, te be- hoedcn en te bevvaren , op dat hy , zo veel -nioge- lyk is, een gelukkigst leven, cot hec welk hy van natuur geneigd is , moge leiden : En dat hy dus 5 , verpligt is tot ai dat geen, het welk dit Eerfte en Algemeen voorfch-rifc medebrengt,en uit die grond- 9, beginzel noodzakelyk volgc (^).' ? De kragt, het gevvigt en de noodzakelykheid van deze Hoofdwct, van dit Zedelyk Grondbeginzel , moeC enen iegclyk van zelven en ten duidelyldlen in 't oog lopen. Want wy hebben hier niets te docn met hen , die aan alles tvvyfFelen () ; en 't zou ook overbodig zyn, hier te herhalen, 't geen vvy, wegens de wis- kua- -,(a) Al dat geea, 't welk met deze natuurlyke zugt van deu Mensch overeenftemt , wordt nuttig Qt.&efJzaamgenzamd 9 waar van CICERO III. B. van de Pligten 28 Hoofdft. nidus fpreekt : Want wy alien begeren nut en voordeel , en wor- ,,den daar toe ilerk genoopt, en kunnen ook niet anders, dart zulks verlangcn : want wie zou 'er kunnen zyn , die zyn nut ,,en heil zou willen ontvlugten? of Hever, wie is 'er, die her zelve niet ynriglyk najaagt,'* () Sceptic!. D E R Z E D E L E E'R. ' jit kundige zekerheid te voren gezegd hebben (a). Dus wordt men dan toe ecn van beiden genoodzaakt, of om die natuur van den Mensch , welke wy gefchetst hebben, geheel en al te omkennen, 't geen waarlyk de dwaasheid zelve zoude zyn ; of om deze wet en regel , welke uit die natuur , uit die gevoelens , en allereerfte natutirdriftcn der Mcnfchen, uit die eerfte beginzels en neigingen van hunne ziel, onmiddelyk voodrvloeit, te erkennen , en als eneEerile, wezen- lyke en onbecwistbare Natuurwet aan te nemen. En ik kan niet vcrrnoeden of dugten, darmogelyk iemanc nu nog zou aandringen , ' dat nu wel bevvezen is, dat de Mensch tot bewaring en behotid van zyn lichaam , van zynen geest , van zyn leven volgens die Eerfte Natuurwet verbondcn is; maar dat nu nog niet blykt , welke die zakcn en middelen zyn , die daar toe die- ncn, en die pligtsbetragting vervullen. Immers, de beflisfing , wat eigenlyk tot bekvvaam voedzel voor ons lichaam , tot behoud en verbetering der gezond- heid en tot verryking van den geest met nutcige en wetenswaardige zaken , kan ftrekken ; dit behoort eigenlyk niet tot de Zedekunde, maar of tot de dage- lykfche ondervinding, of tot de Natuur- en Genees- kunde ; en 9 wat de ziel aangaat , tot de Redeneer- kunde , en andere Wetenfchappen. Want , gelyk wy reeds boven opmerkten, hoe zeer het ene uitge- maakte L Deel. I. Heofdft. bl. 3338... in OVER. DE EERSTE GRONDSTELLINGEN imakte zaak is, dat tot genezing van de ene of andere ziekte verkoelende middelen nodi.;- zyn j za is net nag cne andere zaak en andere wetenichap , vvelke dan die kruidcn , vrugten en diergelyke zaken zyn , die zodanigc verkoelende kragt hebben. DC voorgemjlde regei zy dan de eerfte wet, hec Eerfte vooiTchrift, het vyaar grondbegiuzel , uit hec well; nice alle pligten dcrMenfchen, maar wel degelyk die pligcen , welken een iegelyk omcrend zig zelvea moet betragten , voordvloeijen. II. TEN T WED EN; een Mensch bemint niet al- leen zig zelven; maar hem Is daar te boven ene zeer vermogende good will igheid jegens anderen ingefcha- pen, zo dat by niet alieen over zyn eigen geluk en heil zig verheu^t, en over zyne eigen ram pen en on* heilen trcurt , maar ook in degeneugten en"*c verdriet, in 'c geluk en de ellende van anderen deelneemt;dathy met de wenende weent, en met den blyden zig ver- blydt (^); ja, dat hy van alle fmcrr, ook zclfs van het lyden van redeloze dieren, een afkeer heefc ().- Die (a) Ut ridentibus arrident , it a fientibus afflent Humani ytiltUS. HORAT1US. C^) J'y cr i s C^ns 1'ame hnfnaine) appercevoir deux priii* anterieur a la raifon, dont fun nous interresfe ^ nous ; et 1'autre nous infpire line repugnance naturelle a, ^voir perir ou fouffrir tout etre fenfible et principalcmem uos femblables." ROUSSEAU Disc, fur FOrig. de I'bicgah Pref. pag. XXXI. Waar uit te gelyk .blykbaar is , hoe zeer he; DER ZEDEL E.E R. ng )ic gevoel brengt den Mensch , als \ ware , uie 2ig zelven in anderen over (#), zo dat hy^zig enig- 2ins op die zelfde wyze voek aangedaan , als zy aan^ gedaan zyn. Hierom is het voor een onverdorveri hart zo genoegelyk, anderen gelukkig te zien , maar voor al he: grootst genoe^en , zelve ook anderen ge- lukkig ce hebben gemaakc (b). t)e Men/chen^ liet tegen de natuur ftrydt, ook zelfs de beesten , fcoodzake; te kwellen of te pynigem Daar was dan weinig reden voor de Wysgeren , oni aan de pligten jegeris de rede' 1 loze Dieren en bet grondbeginzel van die pligten te twyilelen, (a) Mais lorsque l'tre aaif est dou^ du principe moral^ j,qui le transporte , pour ainfi dire, dans d'autres ^tres et les w fait fentir, fouffrir et jduir pour- eux, cette a<5tivit^ acquierc un ton de noblesfe et de grandeur , proportionn a 1'eteiidu^ w ec & la delicacesfe du principe moral dans cet e^tre." FXAN-" co rs HEWSTERHUIS Ariftee p. 124. Zieook TOUSSAINT De la Commi fetation? Memoir. de i'Acaci. Roy. de Berliii 1763. En Vergelyk HUTCHESON Inquiry into the ftrigifr sf our Ideas of Beauty and Virtue Tom. ll. Sed. IV; Art. r. 't Is zo ; zonder dit gevoel boden de Menfcheh xig elkanderen nimmer belangeloze hulp : inaar dit Medeg'e- yeet, of Medelyden is alleen niet genoegzaam oni alle deugdeir voord te brengen. (^) ^ C'est Ce principe moral , par le quel tin iridividti $ , s'identifie en quelque fs9on avec un autre esfence , par IS j, quel il fcnt, ce qu'un autre fent , et qu'il fnit fe contempler $> foimme ponr ainfi dire du centre d'un awtre individu. C'e^E 114 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN dc fchrandere navorfcher dcr natuur , CICERO, wordsn door de natuur zelvc gedreven, om hunne medemenfchen dienst tc bewyzen (a). Van wclke zielsaandoening hy vervolgens de eerlykheid, dank- baarheid , edelmoedigheid en andere foortgelyke deug" denaflcidc, enleerc, dat de UiterfteWillen en laattte aanbevclingen der ftervende van die zelfde oorzaak zyn voordgcfproten. () Hier 9 , de la que naisfent les femations de commiferation , de jus- tice , de devoir , de vercus , de vices , et de routes les qualites, qui diftinguent 1'homme de 1 'animal , et par le quei il tient au principe legislatif de Tunivcrs.** HEMSTERH. Ariftte p. 107. w Mais , (zegt ROUSSEAU^ quand la force d'une ame expenfive m'identifie avec mon ferablable et que je me fens , pour ainfi dite , avec lui ; c'est pour ne pas fouffrir 9> que je ne veux pas, quMJ fouffre, je m'interesfe a: lui, pour 1'amour de moi , et la raifon du precepte (d'agir avec autrui comme nous voulons , qu'on agit avec nous) esc 5, dans la nature elle-inenie, qui rn'infpire le defir de mon bien etre en quelque lieu, que je me feme exister. D'ou je conclus, qu'il n'est pas vrai que les preceptes de la loi naturelle foient fond^s fur la raifon feule. Us ont une bafe . plus folide et plus fure: 1* Amour des hommes, derive* de Tamour de foi est le principe de la juftice humaine." ROUS- SEAU Emit. Tom. II. p. 243. in Not. Amft. 1762. Zie ook zyn Oeuvr. Tom. III. p. 92. enz. (a) Lib. V. De Finib. c. 15, et 1822. CICERO J. B. Over de Wetten 12 lioofdft D R Z E D E L E E R. fij ttier uic ontftaat vooral die foort van pligten , waar door wy zondcr ons nadeel ook aan onbekenden diensc doen , welke pligten CICERO over de Pligten I. Boek Hoofdftuk getuigt^ dat, door den ouden Latynfchert Digtcr ENNI'US in de volgende regels, in ee"n voor- "beeld voorgefleld , tot vele andere zaken kunnert worden overgebragt* Een Mensch ? die den dwalende minzaam den weg wyst> * Die doet, ah hy y die met zyn Ugt tens anders ligt aanfteekt, Z dat hy zelve nog Ugt heeft , al heeft fry dat van enen anderen ontftoken* Door dit etn Voorbeeld > zegt CICERO, Wordt genoegzaam geleerd, dat alle dlenst, welke zondef emg nadeel kan gefchleden , ook zelfs aan enen onbe- kenden moet bewezen worden. Hier van dan dit algsmcne pligten : nlemant van Jiet ftromend water afte weren ; toe te ft aan , dat vuur aan vuur ontfloken w or den; den genen , die overweegt<> wat te doen, " getrouwen raad te geven enz. Wanneer dan hief nog enige betrckkingen by komen, welken ons met zommige menfchen naauwer verbinden , deze betrek- kingen vergroten dan noodzakelyk de kragt der Goed- harcigheid, welke de overige omftandigheden gelyk H a zyn- H6 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN ynde, fterker is tusfchen ouders en kinderen , dan tusfchen breeders en zusters ; en , als 't ware 7 van dien hoogften trap , tot Bioedverwamen , toe Nabeftaan- den, totVrienden, Buren, Mede Burgers, en zelfs tot Vreemdelingen afdaak (#). Maar vank is dit gevoe! van Goedwilligheid zo groot , dat wy nice zelden ook onzen Vyand volvaardig dienst bewyzen. Heeft niet deRomeinfche Burgemeester FABRIC i us den Koning PTR^HUS ? die reeds de muren van Romen dreigde , voor het vergif en de trouwloosbeid van zynen Jyfarts gewaarfchouwd ? En PYRRHUS daar en tegert, heeft die niet de krygsgevangene Ro- meinen , zonder enig losgeld , aan F A B R i c i tr s te rug gezonden (^)? Ja dit gevoel van Goedhartigheid, Lief- (^) Athoewel (zegt CICERO Overde yriendfchap II 9.) ^ de Goedwilligheid door ontvangene weidaden,door beproefde w geneidheid onswaards, en door gemeenzame veikenng zeer 3, kan toenemen : to dra die zaken , by die eerfte beweging onzer ziel tot goedharcigheid , bykomen , dan wordt ene hoge trap van goedvvilligheid geboren." HUTCH ESON vergelykt dus het vermogen van de Goedwilligheid niet onaartig by de nantrekklngskragt der lichaamen , welke even zo op.verderen affland zwakker , op minderen afftand flerker is. (a)Nosemm adfacraldaea accipiend a optimum virumdekgi- MUS ; nos tutores mi/imus regibus ; noftri Imperateres pro fahttt patriae fit a capita devoverunt ; noftri confutes regem inimicisfi* tnum , tnoenibus jam approquinquantem , monuerunt , a venent CICERO Lib, V. De Finib. cap, sa. DER ZEDELEER; uy Liefde , en van Dankbaarheid , werkt ook omtrend die genen, van welken ons niets dan de herdenking en 't geheugen overig is: dir is oorzaak, dat niemant ligtelyk zyn woord en trouvv, welken hy aan enen flervende toezeide , fehendt ; dat men den naatn van zynen overledenen Vriend tegen den leugen van lasteraars nog yverig verdedigt. Hierom worden aan uitftekende Mannen, uic dankbare erkentenis, na hun- nen dood , ftandbeelden of andere wydlufdge gedenkte- nen , tot vereeuwiging hunrier gedagtenisfe , opgerigt* Hierom zyn van alle eeuwen zulke heilige regten den verdorvenen toegekend (^); en van hier dan ook de begravingen der doden,de eerbied en'contzag hunner rusrplaatfen en andere pligren jegens afgeftorvenen 9 over welken, vooral over derzelver grondflag en re- den , de Geleerden zig zo zeer hebben afgefloofd. Zo verkeerd , valsch en onwaar is dan het geroep van him , die wanen , dac niets meer den Overledenen aangaat, en^ geen zorg ons langer deswege kan be- Icommeren (^), Daar en boven werkc ook nog die gevoel omtrend de Nakomelingen. Die blykc zo wel uit vele andere zaken, als ook bj^zonder daaruit, dat niemant ligt , ten zy dopr ene ongewone boosbeid aangezetjof door ene onverwagte dood overrompeld s (a) CICERO Over de Vriend f chap. H, 4. Q)} CICERO Tuscul. Qua^st. Lib^ I. cap. -3 4. en 44. Ver* |lyk De Finib. Lib. II. c. 31. alwaar hy van Epi OVER DE EERSTE GRONDSTELL1NGEN ftervende, by voorbeeld, liever een geheim genees- middel , het welk hy bezic , of ten minftcn meent te bezitten, zsd verzwygen, dan toe hulp en verjigting van eens anders fmert nalaten ; en gebeurt eens het; tegendeel , dan wordt dit algemeen afgekeurd en voor jets ontaarts gehouden (#). Maar niet zelden is deze Goedwilligheid zo vermo- gende, dat wy anderen, met onze fchaden en nadeel , ja ook met onzen gehelen ondergang, tot nut en be- houd willen zyn, Wilde Pylades niet voor Orestes fterven? Decius, Codrus, Cocles , hebben die hel- den zig niet voor hunne Mede - Burgers in enen ge- wisfen dood of doodsgevaar begeven ? Zyn niet vele uumuntende Mannen in 't ftrydperk der deugd getre^ den, en hebben alle de tegenfpoeden derFortuin ver- agt, om maar andere menfchen te behouden? Gclyk de Stleren voor het jongevee tegen de leeuwen, met de moedigfte drift en heftigfte woede flryden ; zo worden ry, die In kragten en moed boven anderen vitfteken , gelyk van Hercules en Backus verhaald yordt , door de natuur zelve aangejpoord^ omhct Metifchelyk Geflagt te befchermen (). Indien dan, zo als gezegd is , de Goedwilligheid ook (X> Ik heb geen minder zorg , zcgt LAELIUS by CICERO Qvtr de Vriendfchap H. 12. op 't einde, hoe het Gemenebest va myne dood zal zyn , dan hoe het nu is. (f) CICERO Lib, III. De Finib, cap, 20. I DERZEDELEER. ook zelfs den Vyand zoekc wel te doen , hoe grooc meet dan niec haar vermogen zyn omcrend dien ge- ncn, die zelve uit gevoel van deze deugd my ecrsc weldeedt; die de genoegens van myn leven heefcver- meerderd; die my myne egtgenote , myne kinders, uit doodsgevaar verlosce en wedergaf ; die my van *c gevaar van ftruikrovers , van ene harde flaverny , van de wreedheid van enen bloeddorftigen vyand, gered heeftPHier uit ontftaat dat gevoel van dankbare crken- tenis, welker vermogen zo groot is; dat algemeen nicts fchadelyker, niets ve^werpelyker, niets veragte- lyker wordt geoordeeld , dan een ondankbaar mensch. Want , hoe zoii men de minfte goedwilltgheid jegens anderen van hem kunnen verwagten, die zelfs gene cerstgenotcne weldaden wilde erkennen , nog met enig dankbetoon beantwoorden ? Derhalven , indiett het dan waar is, het geen ivy even te voren berede- neerden , dat de bykomende betrekkingen de kragc der Goedwilligheid (laven en verflerken , hoe zeer moet zy dan niet door vooraf oncvangene weldaden worden vergroot ? En dit verwekt hier dan wederom verwondering, welke tog de rede mag zyn , waarom zommige Wysgeren beweerd hebben , dat de pligt van dankbaarheid wel gevoeld konde worden , maar gene reden of oorzaak van die pligt kon worden aan- gewezen. Alleropmerkelykst is het dan, hoe die Liefde tot' zig zelven, hoe die zugttot geluk, welke ons alien H 4 te '** OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN fen flerkften dryft, en hier te voren door ons in *fc brcde ontvouwd is , door de Natuur zelve wyzelyk 8 wordt geremperd door een an 7 er voorcrefFelyk gevoel van Genegenheid en Welvvilkndheid omcrend ande- ren, welke wederom mildheid, minzaamheid-en dier- gclyke deugden heeft voortgebragt. Dit brengt to wege, zegc CICERO, dat ir er ook algemeen end natwtrlyke aanbeveling en zorg der Menfchen voot* qlkani.eren zo zeer plaats heeft , dat een M-ensch van een ander Mensch met kehoort vreemdtezyn-, en zulks alleen daarom , dat hy ook een Mensch is (a\ Elders zegt die zelfde Wysgeer; dat wy van de natuur gefchikt zyn , om van elkander-en dienften H ontvangen en met elkanderen gemtenfchappelyk to delen (b\ En hy age die gevoel zo vermogende en door de Natuur zelve aan alle Menfchen zo zeer inge- prent, dat wy niet alleen, zo als v/y te voren zeiden, dikwyls met een innigst medelyden over het lot van hun bewogen worden , die wy nooit gezien hebben, gelyk , wanneer wy de rampfpoeden van Regulus kzen ( pen , en wanen , dac door dezelven al dat gevoel van Weldadigheid jegens anderen , welke wy zo natuurlyk agten , geheel zou wederfproken vvorden. Wy geven toe , dat in byzondere omflandigheden, de hefcige hartstogten dikwyls dat edel gevoel verduisteren , en, als 't ware, onderdrukken; maar wy ontl^ennen, dae het zelve algemeen en~ geheel uic 's IVlenfchen hart kan "worden uitgerooid en verdelgd (^}. En wat de vooiv ter prolitatem ejtts non nimis alien os animus habemus; ahertim propter crude litatem femper haec civitas oderit" CICERO De Amicit. cap. 8. Te regt fchryft dan ROUSSEAU Emil. Tom. III. p. 93 en p. 96. II nous hnporte furement fore peu, qu'un homme alt i\& mechant ou jufte, II y a deux raille ans ; et cependnnt le mme interet nous affefte , dans FHiftoire ancienne, que ,,fi tout cela s'^toit paste de nos jours." (a) CICERO over de fVetten I. B. n. Hoofdft. (^) Mais quelque foit le nombre des m^chans fur la terre f il est peu de ces ames cadaverqufes , devenues infenfibles v hors leur interest a tout ce qui est juste et bon. II 5 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN voorbeelden van gramfchap, twedragt, wrecdheid en onmenfchclykheid derMenfchen en Voikeren aangaat, waren die den Mensch natuurlyk , zy wierden dan niet onmsnfchelyk genaamd, en zy wederfpreken immers niet ineer dac gevoel van'Goedwilligheid , dan de voor- beelden van zelfsmoord zouden bewyzen , dat den Mensch gene natuurlyke zugc toe behoudvan zynleven zoude zyn ingeprent. Eindelyk, wien bevvogen ooic de menigvuldige wandaden om tegeloven, dat in de gemoederen der Menfchen geen zedelyk gevoel , geen gerusten aangenaam gewisfen over goede , geen ontrus- tend en knagend ge we ten over fnode daden, ftand grypt ? Derhalven uit de natuurlyke liefde der Menfchen totatideren, uit dat gevoel van Goedhartigheid 5 Wel- wil- 9 , ne plait qu'autant , qu'on en profite ; dans tout le reste on veut, que 1'innocent foit proteg^. Voit-on dans une rue ou fur un chemin quelque aae de violence et d'injuftice; ? , a Tinftant un mouvement de colere et d'indignation s'eleve au fond du cceur et nous porte ^ prendre la defenfe de ? ropprime; mais un devoir plus presfant nous retient, et les loix 6tent le droit de proteger Tinnocence. Enfin , Ton a malgr^ foi , piti des infortunes ; quand on est temoin , f , de leur mal, on en fouffre. Les plus pervers ne fauroient perdre tout i fait ce penchant: fouvent ii les met en con- tradition avec eux-mcmes. Le valeur, qui depouille les pasftms, couvre encore la nudite" du pnuvre, etle plus feroce asfafin foutient un homme, tombant en defaillance." Rous- I E A u JLmil. Torn. Ill, pag. p5p/. DER ZEDELEER. willendheid en Medelyden , welk men niet kan one- kennen, welk zo vele voorbeelden dezeslevens, zo vele getuigenisfen van wyze mannen, niet minder dan eens iegelyks eigene ondervinding en innerlyke ge- waarwordingen , indien hy die gadeflaac , bevesti- gen (#); daar trie mag ik te regt deze andere hoofd- wec , dit twede grondbeginzel , deze twede" Eerfte en Algemene grondilelling der Zedekunde , dezen grond- flag der pligten omtrend anderen, opraaken: Bat de Mensch ook natuurlyk verpligt is , om zo wel het lichaam en deszelfs leden , als de ziel , hec leven en den gehelen ilaat en ftand van andere Menfchen te behoeden , te bewaren, te befcher- men : op dat die ook een leven zo gelukkig als mogelyk is , mogen leiden ; dat de Mensch dus ook natuurlyk verpligt is tot alle die betragtingen 9 welken dit grondbeginzel noodzakelyk vereischt en 3, medebrengt." Ook deze Eerfte grondwetvloeit van zelveen by een noodzakelyk gevolg uit de Menfchelyke Natuur , *c welk niet ontkend kan worden ; zo dat een van beiden nood- (a) Gelyk nnderen de Ef genii efde , zo lieeft CUMBERLAN in zyne wederlegging van HOEBES de enkele Goedwilligheid jegens anderen^ voor een grondbeginzel der Zedekunde aan- genomen. En tot die gevoelen fchynen ook CAMPBEL, te voren reeds aangehaald , ook HUTCHE$ON over tQ OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN noodzakelyk is , of dac men ook deze eerfte en alge* mene grondfteijing en hoofdwet ons toegeve; of dac men tot die onberadcnheid verv lie van die gezegde en bevvezene Natuur van den Mcnsch geheel te ont>- fcennen en te logencn. III. TEN DERDEN: Den Mensch is niet minder dan der dieren natuurlyk eigen , dat hy van een|eenzaam leven ten hoogtten af kerig is , dat hy in tegendeel de vereniging en zamenwoning met anderen zoekt. De Natuur bemint niets eenzaams , maar hegt zig al tydaan enigfteunzel (*). Die zyn de woorden van den menigmalen aangehaalden Wysgeer , die op ene andere piaats zegt (): Niemant is *er , die in dt cenzaamheid zyn leven zou mllen fly ten , zelfs niet , al zwom hy in de ruimfle overvloed van geneugtens. De Mensch is dan van natuur een gezellig wezen , en deze onwederftaanbare trek tot gezelligheid vvordt nog tyzonder geftyfd en geflerkt door de kragtige neiging tot ene Gade; door de veelvermogende liefde tot zyn nakroosc , en de llerkfte natuurdrifc om niet alleen kin- deren te telen , maar ook te voeden en op te kweken : van welk beginzel CICERO de gemene maatfchappy yan 't Menfchelyk Geflagt afleidt, en aanmerkt: Da$ fiet ene volftrekte tegenjlrydigheid zou zyn, dat d$ flatuur wel zou mllen 9 dat men kinder m voord- CICERO Over de F'riendfchap H. 23. C ICE no De Finib* Lib. III. cap. 2Q, DERZEDELEER. 135 bragt , maar , met dat m&n ze bemlnde en verzorg- de (#). Ook /dec men het vermogen van deze Natuw- drift en liefde in de beesten, welker moeite en zorg in het opkweken hunner jongen niet anders, dan do ftcm der Nacuur zelve is. Zo voedc de klokhen niee alleen hare kiekens en roept die tot bet gevondea voedzcl, 't welk zy zelve uir haren mond fpaarc ^maar zy ftelt ook voor hare kiekens haar leven aan de groot- He gevaren bbot, en ontziet zigniet, hoe weerloos zy ook zelve is , voor hun tegen de ongelykfte en grootfte overmagt te kampen. (bj. Ja , wy kunnen ook tie fchaduwen en afdiukYels van ene beftendige huwelyksch-vereniging , hoedanig by de Menfchea plaats heefc, en de opvoeding der kinderen noodzake-; lyk (a) Aldaar cap, 19. () Derhalven fchynt my de vriendfchnp toe, niet za 9 9 zeer van de behoefce oorfprongelyk te zyn , als veel eef ? , van de natuur zelve; niet zo zeer te zyn voordgefprooten 5 , uit overweging, hoe veel nut de vriendfchap kan aanbreil- gen , als veel meer uit de neiging der ziel zelve , en uit de natuurlyke trek om te beminnen. Hoe vermogende dit is 9 ? , kan men zelfs in de Dieren optfierken , die hunne jongen 5, liefhebben en van hun beinind worden , en ze tot enen zekeren tyd toe yerzorgen; 20 dat deze namurdrift allerdui- delykst doorftraalt : En dit is in den Mensch nog veel blyk baarer." CICERO Over de Pricndfchap H. 8. Vergelyfc $>e Finib. Lib. II. cap. 33. N. lop. OVER DE EERSTE lyk vordert ook in zommige Dieren , by voorbeeld in de Duiven , opmerken. Van deze bezeffen, gevoelens, ge'waarwordingert f tieigingen, natuurdriften , of, hoe men die ook vei 4 - kieze te noemen, ontlcenen de Broederfchap , Bloed- verwantfchap 5 Zwagerfehap, Namaagfchap , de Ge- flagten, Stammen, Vriendfchap, Buurtfc.hap, Gehtig* ten , Dorpcn , Steden en Landgenootfchap alle oorfprong, kragt en vermogen (a). De Mensch be- zefc, dat hy niet alleen beftaac, nog alleen kan be* ftaan ; dac hy in tegendeel met vele anderen menfchett verenigd is , voor eerst met de zynen en zyne naast- beilaanden , vervolgens met vele anderen , en eindelyfc met geheel het Menfchelyk Geflagt , met het welk by, als een deel met het geheel, door den band der Natuur ("/?) ,, *t Welk, vnn die eerfle natuurkragt ontfproten zynde , j, waar door de kinderen van hunne ouderen bernind worden , ^ het geheel gefiagc door huwelyken en ftammen verbindt; zo kruiptdit allengskens ook verderbuitens huis, eerst met bloed- verwantfchappen, vervolgens met vriendfchappen , dan met ., buurtfchappen, Burgerftaten, en met hun,die van ftaaiswege bondgenoten en vrienden worden genaamd, en vervolgens met het geheel Menfchelyk Geflagt." CICERO Lib. V. De Finib. cap. 23. Die ook Over de Vriendfchap H. 5.zegt: Dat niets meer aantrekkende , niets meer naar zyus gelykea hakende is, dan de Mensch." Zie ook li. 14. D E R Z E D E L E E R. i*? \ Natuur zelve vcrbonden is. Derhalvcn , alfchoon' iemanc zig zelven boven al lief heeft, hy heefc zig zelven alleen niet lief, maar voelt ook in zyn hart de vlam ontbranden van welwillendheid, zugt en goed- hartigheid jegens andere afzonderlyke-Menfchcn, hy voelt ook in zig ene onwederftaanbare trek tot gezel- ligheid, welk gezellig leven den Mensch zo natuur- lyk en noodzakeJyk is, dat, vvanneer men eens Men- fchen heeft aangetroffen , die by toeval, van hunne eerfte kindsheid, in enen eenzamen oord, onder de wilde beesten waren opgevoed en geleefd hadden 9 dezelven weinig van een beest vcrfchilden. Daar is ene hoogfte behoefce en noodzakelykheid van eeis maatfchappyelyk leven , niet alleen voor kinderen 9 om in hunne eerften zwakken (laac door hunne ouders te worden gevoed, behoed en verzorgd, tot dat zy fterk en ftevig zyn geworden ; maar ook zelfs voor menfchen van reeds bekwamen ouderdom 9 om zig de levens nooddruften zo veel beter te kunnen verkrygen en deszelfs gemakken en geneugtens door onderlinge hulp te vermeerderen (a) ; byzonder voor oude lie- den , welker zwakheid en onvermogen door de hulp der jeugd moetgeftut en gefchraagd worden. De Mensch heefc dan inzyne ziel enen fterken prik- kel tot gezelligheid , en zy is voor hem onontbeerlyk. Maar gene gezelligheid , gene maatfchappy kan be- CICERO* Over fa Pligten II. B, H P 4, OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEM ftaan , ten zy een iegelyk Lid * al 'c geen volgens den aart van iedere byzondere Maatfchappy * tot hare inlhmdhouding, nodig is, naar zynen ftaat , Hand en vcrmogenj voor hcc gemene welzyn bybrenge : en dir is danene voorname pligt, door welke een iegelyk mensch ten fterkile verbonden is. Daar en boven een iegelyk Mensch gevoeh, daar het geheel van meer* belang is , dan hec deel * en daar de meeste zorg voof de behoudenis van dat geen moet plaars hebben , 'c welk van het groots belang is , zo bezeft dan ook de Mensch 3 dat het heil van de gehele Maatfchappy wel vorderc, dac, zo veel mogelyk is, alle hare delen en leden bewaard en behoed worden ; maar ook tefFens dat , in geval van noodzake , het algemeen welzyn van het gehele Maatfchappyelyk Lichaam ver het be* houcl eniger Leden moet te boven gaan. En dir is de erfte grondflag ^ en voornaamfte hoofdwet van alle jnenfchelyke vereniging en van alle gezellige pligten > zondcr welke gene Maatfchappy kan beftaan (^), en , welke (V) Ik bevat dan met, wat eigenlyk die gen en willen, die vZomtyds ontkend hebben, dat het Algemeen Welzyn de eerfte wet in alle Maatfchappy elyke vereniging is. Dus fchynt dan ook die zelfde neiging om ongehoorde ftellingen voord te bren- gen , welke den fchrrnderen MONTE stjui EU "zo vaak weg- Heepre, hem ook in dit opziirc niisleld te hebben. ,,C'est un ^ paralogisuie Czegt by) de dire, que le bien particulier doit ,,ceder au' bien public." rEfprit des Loix Liv. XXVI. chap. 15, alwaar de aamekeuing van enen uaamlozen Geleerden in di D E II Z E D E L E E R: 12*) Welke hoofdwet evenwel uit geen undere grottdbe -ginzels , die enkel op eigenliefde en zugt toe eigett ;geluk en zelf behoud fteunen en gebouwd zyn j kunnende worden afgeleid , zo heefc zulks de Wys- .geren omttend dit ftuk der Zedekunde > 't welk de opoffering van zig zelve voor anderen vereischc, veel Verlegenheid en moeite verfchafr, En dit bezef ., dit gevocl,, deze namurlyke neiging tot .gezdligheid en opoffering voor dezelve , is zo fterkj dat wy wederom deszelfs duidelykfte fporen in tie dieren zelve ontmoeten. Ook de mivren^ byen-j oijevaars d&en ve-el -ten dlenjle van anderen ; yeel tneer isde verenlging aan de menfchen el gen : duszyfc wy van natuur gefthikt tn bekwaanj, vow 'zamen^ Jzowften , verenigingen en burgerftaten-^a). Eoda- iiig redeneerc hier over CICERO* die verders uitmun- tend bevestigd, 't geeii wy reeds hebben aangemerkt, dat een Menseh niet alleen beflaatj nog alleen kail ; bedaan ^ maar ^ als een deel met het gehele Men- feheiyke Geflagt, ja, met het Hed*Al verbonden i'Si de uitgave te Amfl. 1^4. in 8vb. dubbel waardig is gelezeri te worden. J t Is dan geen wonder , dat MONTESQUIEU" zelve j op ene andere plaats, geheel anders over dezen hoofdU regel oordeelt. Zie ook hier te voren bl. 92 op 'c e'nde tt blndzyde 93 . (tf) CICERO Lib. III. tie Finib. cap, 19-, I j 3 o OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN De Scoicynen ftellen, dac de gehele waereld gere- geerd wordc door de magt der Goden ; dac zy als ne algemene fhd en burgerftaat van Menfchen en > Goden is; en dat een ieder van ons een deel van die waereld is: waar trie natuurlyk volgc , dat wy 5 > het algemeen nut boven ot?s byzonder belang moe- ten itellen ; want gelyk de wetten het heil van alien , 3 , meer dan het voordeel van enkele en byzondere menfchen, beogen; zo zal eenbraaf,een wys man, 5f die de wetten gehoorzaamt , en van zyne burger- pligt niet onkundig is , meer voor het welzyn van alien, daar van een alleen, of ook voor zyn eigen, 5 , zorgen." Zo redenkavelt CATO, volgens de leer der Stoicynen, by c i CER o (^) > en (laaft deze fchone leerftelling met de voorbeelden van uitftekende Hel- den , welken de Gefchiedenisfen verhalen , van de natuur zelve te zyn aangemoecligd en opgewekt, om de weldoeners en befchermers van 'c Menfchelyk Ge- llagt te z} r n. Immers,, het is deze voorcrefFelykheid der Natuur en van 's Menfchen Geest, die COCLES bewoog, dat hy Porfenna wederftondt en alleen den aanval der vyanden tegen hieldt 5 tot dat zyne makkers den brug agter hem af braken , en dus den Vyand den overtogt beletteden. 9 t Is deze voortreffelykheid 9 door () Lib. III. De Finib. cap. i. DERZEDELEER. 13* door welke Regulus het ukwisfelen der krygsgevange- nen, niet alleen met aanraadde, ma?r zelfs afraadde. Doze voortreffelykheid bewoog Mucius , oru die ftoute daad vervolgens Scaevola genaamd^ dat hy, in 'c leger van dien zelfden zo evengenoemden Porfenna , zyne regtcrhand in 't ofFervuur flak , en zonder tcken van aandoening verbrandde, alleen om den moed van den Vyand te verzwakken. 't Is elndelyk deze uitmuntende Menfchelyke Natuur, door welke CATO verhualt^dat jnenigwerf gehele legerbenden moedig en als om (Irydc naar dien gevaarlyken post en plaats zyn vertrokken , van welken zy voorzagen ? dat zy nook zouden te rug komen. Met gel^ken moed fneuvelden in de berg- engtens van Thermopylae die Lacedtmoniers , op wel- ker graffteden , (fchryfc CICERO (;), SIMONI- DES deze digtregels [I tide: Zeg reizende VrcemdcUng, zeg te Sparte^ gy ons hler gczicn hcbt be graven llggen^ ^ Om dat wy aan de helllge wetten van ons der land geftoorzaamden" Derhalven , daar de Mensch door de Natuur zelve beftemd en gefchikt is voor een gczellig leven ; daar hy de gezelligheid ten hoogften begeert en verlangt, en tot vervulling der jnooddruften > gemakken en ge neug* C^D Tuscul. Quaest. Lib. I. cap. 42, I a 13* OVER DE EERSTE fieugtensdezes levens volftrekt behoeft en vereischt zo moec dan ook noodzakelyk die eerfle voorfchrift , deze regel , deze derde en eerfte algemene grond- ftelling, geoordeeld worden, volilrekt met -de Natuur Ovefeenftcnirnende te zyn , te wetefi : Dat de Gezelligheid en bet Maatfchappyelyk le* ven der Menfchen met elkanderen ^ moet bctragc 53 worden , en daarom alle pligren nioeten nagcko- ,, men en vervuld warden, zander welke die Maat* 5 , fchappy, van welke men een lid is, niet kan be-* j, ftaan , nog voor het welzyn van alien dienftig Men ^) Gelyk vele Wysgereu nlleen de iLigenliefde 9 en gelyk CUMBERLAND de eiikcle Goedwillightid jegens anderen , in annfchouvv namen; zoisbekend, dat PUFENDOR-FF getragt heefc de gehele Zedeleer en 't Regt der Natuur, eniglyk eii allcen , op de zngt tot gezelligheid te bouwen. Maar alle die geleerde Mannen hebben dus maar op een gedeelte der Na* ruui , niet op de ganfehe Menfchelyke Natuur in haar ge-* heel , agt gegeven. Dit was oorzaak , dat zy vele pligtefl of ter zyde ftelden , of wel , een ieder uit zyn eng grond- beginzel , maar met vergeeffche moeite en zonder vrugt , tragt- ten op te makcii en te betogen: fdiooii de Heer SULZER, van wege zyn uitmuntend vernuft en uitgebreide Geleerdheid beroemd> hier voor PUFENDORFF pleit in zyne Recherche fur tin principe fixe , qui ferve a dijiinguer les devoirs de. la Morale de ceux du droit naturel. Memoir, de 1'Academ, Roy. de Berlin. Tom. XII. An. D E R Z E D E L E E R; 133 Men moec -dan pfgeheej ontkennen, dat de Men* fchen tot gezelligheid , cot verenigingen, tot huwely- ken , roc voortbrcnging en opvoedjng van kinderen 3 toe huizelyke en burgerlyke zaiuenwoning , door de Natuur zelye genoopc en aangeprikkeld worden ; of ty, die deze neiging en drifc der Natuur toeftaat en erkent , moec dan pok de zo even voprgeftelde wet of regel toellemnien. En deze toegeftemde wet , met die onbetwistbare en duidelyke trek en neiging der Natuur, met dat gfcvoel, met die natuurdrift tot gezel- ligheid , onmiddelyk verbonden zynde , moet dan pok voor ene Ecrfte en Algemene Grondftelling ., ene hoofdwet en waar grondbeginzel worden gehouden, iiit welke alle pligpen pmtrend de JVTaatfchappy ^ yan vvelken wy leden zyn, en die daarom gpzellige en Maatfchappyelyke pligten genaamd worden (a) 9 door wettige befluiten, in orde en yerband, kqnnen worden opgemaakt , afgeleid en betoogd. IV. Eindelyk TEN VIERDE^, dit behoort ook tot de Natuur van den IVIensch , dk brengt de aart en eigenfchap der menfchelyke ziel mede ? dat wy al wac groot, al war in zyne foort uitmuntende, al wat in voortreffejykheid 9 deugd , magt, waardigheid, agt- baarheid , boven anderen verheven is , dat wy zulks geneigd zyn te bewonderen en te eerbiedigen, en hoe uieer bet zelve in voortrefFelykheid uitblinkt ? hoe ho- '00 Offi e * 's OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN ger wy het zelve fchacten 5 en , is dac voorwerp van bewondcring ecn verftandig wczen , aan het zelve eer- bied en hulde bewyzen. Velen ook, dienmarvoor hec eersc van hun leven aan 't ftrand naderen en den groten oceaan zien, verftommen en beven door hec aanfchomven van die geweldig element ; en deszelfs onmeetbare uitgeilrektheid , die de grenzen hunner verbeelding o^erfchreedt, ontzet hunnen geest; Hy, wie de zrn , dat voornaamfte ligt , en , als 't ware , de geleidfter en koningin deroverige Hemelfche lichamen, *s morgens vfoeg ziec opreizen; of wie by ene heldere zwygende nngt de talloze llerren in al deizelver iuister a^nfchomvt , de b^weging , den loop , de verwon* deriyke orde en during van alle die tintelende hemel- li^ten flil overweegt en bepynsc, zal die niet,door die glans en agibaarheid ontroerd , zo zeer by dan zyne kleenheid gevoelt en geringagt, zo zeerook al die he- xnelfcbe pragt, Iuister en grootheid be\VoncIercn?Zelfs onder de Menfchen , koine 'er eens een held cer baan , welks uit-lekende deugden en dappere bedryven hem ongemene lof en zeldzamen roetn hebben doen ver- werven , dan branden wy van begeerte om dien deugd- , zamen wysgeer of dapperen held te zien, agten hem hoop;, en verlangen om hem dit gevoel van ons hart, deze aandoening van onzc ziel , deze eerbied , op de best mogHyke wyze nit te drukken en kenbaar te ma- ken. De ruwe en onbefchaafde Volkereri hebben die ook niet zodanige mannen, welken hun vaderknd by- DER ZEDELEER. 135 byzondere dienften bewezen , door bcleid en dapperheid van hec onregtvaardig geweld en enen verwoestende oorlog bevrydden , of anderzins van enen wreden vyand verlostten, in lofdigten verheven (0), en vaak, gelyk dien Hercules , welke dedankbare roem derMenfchen, zyner weldaden gedagtig, in de vergadering en 't ge- zelfchap der Hemelingen plaatste , als Goden geeerd of ook voor Goden gehouden? Welke hulde en byna Goddelyke eer bewezen de Crotonienfers niet aan PYTHAGORAS, wiens huis zy tot een tempel maak- ten, om hem daarin, als ene Godheid te eeren ()? Welke eerbied en hoogagting betoonde niet geheel Griekcnland voor SOCRATES, na zynen dood? Wie. yerheft met den behouder der ftad Codrus 9 en de dogters van Erechteus ? Wie bemint ook zelfs den overledenen Arhtides met (O? Is die waar omtrend uit- (a) Zie de fchone Qedlgten van Osfian , in V Ncdcrduitsch door Mr. P. L. VAN DE KASTEELE. Araft. 1793. () JUSTIN. Lib, XX. cap. 4. DIOGEN. LA CRT. Lib. VII. Segm. 14 et 16. (^) CICERO Lib. V. De Finib. cap. 22. En ik twyffel geenzins , of wy kunnen ook wederom in de dieren de voet- ftappen en afdrukzels van dit gevoel opmerken. Niet alleen fchryft CICERO Lib. V. DC Finib, cap. 14. ^Daarzyn ook dieren, in welke iets naar deugd gelykende gevonden wordt, als in de leeuwen, in de honden, in de paarden, in wel- ^ken wy niet alleen de werkingen en vermogens der lichaa- I 4 $ 3 % morales ? Sauroit il ce que c'etoit , que clemence et gene- rofitc? Sur quelles lumieres scquifes esperoit-il nvappaife^. ^en. s'abandonnaat ainft a ma " discretion ? Tous les ^kiens du ^ monde font a peu pres la m^me cbofe dans le meme cas , ej| n , je ne dis ricn, ici, que ch.acun ne puisfe verifier. .Que les 3 ,philofophes , qui reiettent fi dedaigneufemen.U'Inftini die Heel-Al, terftond en van zelve, ons doetwegziri^en. Ikbeweep nu met, dat 'er geen volkeren zyn, welken van gene Godhei4 weten : dit beweer ik thans alleen , dat, welke volkeren het ook zyn, die enige Godheid, op welke wyze dan ook , erkennen (V) , dat die volkeren noodzakelyk met dit bezef zyn aangedaan , dat zy zig verpligt gevpelen, dat Groot Wezen, die Godheid te eerbiedigen en derzelver gunst en goedheid te hun^ waards, door enige dienst en hulde , te verwerven ; dat, hoe voortrefFelyker zy zig de Godheid voorftellen , hoe zuiverer zy den Gpddelyke Wil agten ; hoe meer zy zig dan gehouden rekenen 3 dien wil en d|e Goddelyke teyelen te gehoorzamen, Uit die aandoening dan van 's Menfchen ziel , uic dat bezef en gevoel , uit die ingeprente hoedanigheid , of, (a) Sive eyim Natura > five Aether , five Ratio , five Mens five Fatalis Neces/ifas, five Divina lex jit , five quid aliitd dixeris , idem eft f, quod a nobis dicittfr Deti.s, L ACT A NT . I. S. 21. 1 38 OVERDE EERSTE GRONDSTELLINGEN of, wil men liever, uic die natuurlyke gefteldheid van *s Menfchcn Geest fpiuic dan van zelve ook deze re- gel, deze hoofdwet, deze vierde eerile en al^emene Grondftelling van Zedelyke Verpligting voord: Dae een iegelyk Mensch van natuur verpligus, om God, of welke voorcrcffelyke Natuur, Mage, Kragt by erkenne, of, hoe hy het zelvc verkiezc 5, tc noemen; om dat Hoog Wezen, om dieGodhcid te eerbiedigcn , en deszelfs gunst voor zig tc ver- 9 , werven (a). n Deze vierde Eerfte wee , dit voorfchrifc , fchynt ons toe zodanig ce zyn, dat het uic de innigfte gevoe- lens der Menfchelyke Ziel ,'uic hare eigene Natuur , on- middelyk en als van zelve,ontfpruit. Die is dan zulkeen grondbeginzel 9 uic hec welk alle de pligten omtrend God, een Mensch God kenne , zulks behoort eigenlyk niet tot dit Vierde grondbeginzel, nog tot deze foort van pligten; maar tot de Eerfte onzer grondftellingen , en daar nit voord- vloeijende pligten, en byzonderlyk tot die pligt , waar door een iegelyk gehouden is , zyneu Geest te befchaven en met de nodige kennis te verryken. Voor het overige, 't geen in ge- wigt het Eerfte grondbeginzel is , zulks noopte de orde vr.n denken ons in de Vierd-e plants te gewagen. Te regt zegt ii u T c K F s o N PhiL Moral. In flit. Compend. Lib. I. c. I. . I. More omnium discipli'.iarum a nothribus ad inagis obfcura detegetida progredimur ; neque rerutn dignitate dufti ^ ab Us, quae natura prim a flint , Dei ncmpe optimi Maximi voluntate ? rdimur. DER Z E D E L E E R. 139 God, door wettige befluicen kunnen worden opge- Deze vier Eerfte en Algemene Grondbeginzelen dus opgefpoord, gcvonden en bevestigd hebbende, menen vvy in ilaa: ce zyn , om her twede lid der voor- geilelde Vraag nu aldtis ce kunnen beantwoorden : Dat die Eerfte. en Algemene Grondftellingen , welken ten grondflage moeten ftrekken van alle 55 Zedelyke Verpligdng, en uit welke de meer by. 5 , zondere foorten van pligten kunnen worden afge- 5, leid, gene andcrenrdan deze vier hopfdwetten, of zedelyke grondvvaarheden zyn, welke wy betoogd hebben en nu korcelyk in deze woordcn bevaccen: ,, Namelyk I. Dat een Mensch zyn lichaam , zyne ? , ziel , zyn leven en geheel zynen ftaat en fland be- ,, ware en behoede. II. Dat hy op gelyke wyze ,, ook anderen behoede en verzorgc. III. Dae hy de Maatfchappy voorfta, van welke hy een Lid is; 99 en IV. Dat hy die Godheid , welke hy erkent , eerbiedige en hulde doe (#)." Wei (a) Of 'er meer dan vier zodanige Eerfte Grondftellingen der Zedekunde zyn , kunnen of zyn moeten , is thans niet TiOdio; te onderzoeken. *t Is genoeg , dat deze vier g-ron-J. beginzelen, welken wy hebben opg^fpoord , voldoende grond- flngen zyn van zedelyke verpligting, om daarop liet gehele Gebouw der Zedeleer te vestigen. OVER DE EERSTE GRONDSTELLIfsfGEN Wei aan ! Bevestigen wy nu nog wat nader , in ? c volgcnde Hoofdftuk , deze vier hoofdwetrcn en Eerfte en Algemene Grondftellingen van Zedelyke Verplig- ting ; en ruimen wy enige zwarigheden op, welke iemant mogelyk tegen dezelven zoude willen opperen; maar laac ons v,ooral die voorfchriften van pligtet) kortelykgewagen 9 welken uk die Grondheginzelen ter- flond volgen , en bekwaam zyn , zo wel om het gebou\y dcr voorcreiFeiyke Zedekunde op te trekken , als oni {iec zelve ook vooral te flaven en ce vestigen, IV. II O O F D S T U E. JSnige aanmerkingen ter meerdere uitbr elding en nader e bevestiglng der Vier Eerfte en Alge- Grondftellingen der Zedekunde , welken, in 9 t voorgaande Hoofd- fluk, uit de Menfchelyke Na- tuur zyn afgeleid* fie daar dan vier Eerfte en Algemene Grondbe^ ginzelen van alle Zedelyke Verpligting en der gehelp Zede, D E R Z E D E L R* Z^deleer, nit de Menfchelyke Natuuf zelve gehaald f Zo wel de Reden en 't Gezond Verftand als het voor* beeld der Wiskunde , tot welker zekerheid en duide* jykheid de Geleerdeii, voorul in den tegenwoordigen cydj de gehele Wysgeerte vvillen verheven hebben, nooptenons, om die grondbeginzelen uit zo egte en ware broil te putten. Immers het is de gewoonte der Wiskundigen > om vooraf de binnenfte fchuilhoe* ken van 't menfchelyk verftand te doorzoeken, en die eerfte bezefFen van waarheid, welken zy daar aantref- fen, als zo vele grondwaarheden en eerfte begin zels aan te nemen, en die eerfte, onbetwistbare en alge* mene bekentenisfen tot grondflagen te leggen , om op dezelven het geheel gebouw der Wiskundige Weten* fchap te vestigen en op te trekken- Dus hebben wy geoordeeld,dat,gelyk de Eerfte en Algemene Grond- beginzels der Reken-, der Wis-, der Redeneer- , der Hede-, der Digtkunde^ op welken die genoemde ett andere wetenfchapperf gegrond zyn , in onze ziel zelve liggen y dat even zo, en zelfs nog veel meer, in onze 2iel , door de hand der Natutir 2:elve , de eerfte zede- lyke bezefFen en ware grondbeginzels van verpligting zyn ingeplant, als zo veie eerfte zaden van alle deugd en pligt, eh welke eerfte bezefFen in onze ziel den toegang voor het ligt der deugd opened 9 \ geea VSENECA over de ffleldaden IV, B. 7. D. als ene der voortraamfte weldaden van de Natuur befchouwde. Deze eerfte vonken van deugd, hoe diiister ook en bedol* 14* OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN bedolven , beftieren egter , zo als wy in 'c Eerfte Deel Tvvede Hoofdftuk zagen , hec gedrag van de nieeste men fc hen , voor al van de onkundige gemeen- te ; maar deze zelfde vonken , worden zy van de as- fche, die hun bedolf, ontbloot, en door de reden en 'conderwys omwikkeM, en aangeblazen, dan brengen zy de voorrreffciykfle wetenfchap der Zedekunde voord, Te rcgc maakc de wyze CICERO deze aan- m?rkin r : De Natuur heeft ons , zonder onderwys 9 klene bczejfen der grootfts en gewigtlgfte zaken inge- p'aut; zy hceft 9 om zo te fpreken, wel aangevangen ens te onderwyzen , en ons , als V ware , de Eerfle Grondbeglftzelen van deugd^ die in ons nulsvesten , vertoondi maar zy heeft de deugd flzgts begonnen* en mets meer gedaan (^). En in 'c vol^ende Hoofd- ftuk: En die eerfle ^vonken van dcti^dUinken in de beste geaarthcden het helderfte uit, in welken dat eerlyke , dat deugdzame , door de Natuur zelve , -air 9 * war 2^ gefchrfst Is. En die eerfte trekken ziet tnen reeds in dt kinder en uhfchitteren. Dog in ge- vorderde jar en , wle is *er dan zo weinig naar een Mensch gelykende > die van V fchandelyke met zoi* afkerig zyn, en bet eerlyke goedkeuren? Zo groot een gezag dan , ja niet hec enkel gezag ; maar de waarheid der natuur zeive volgcnde, hcbbea wy de Eerfte en Algcmene Zedelyke Hoofdwetten , of (a) Lib. V. De Fimb* cap. 21 et 22. DER ZEDELEER. 143 of Eerfte Grondbeginzels der Zedelyke Verpligting gecragt op te fporen, opgefpoord gevonden , gevonden geftaafd en bevescigd; maar, in 't voorgaandeHoofd- (luk dezelvenbreedvoerigerenmet meer toeftel geftaafd en bevestigd hebbende , zullen wy ze nu kortelyk by ecn trekken , om ze in eens met onze gedagten te kunnen bevaoten en ons voorilellen, om dus als van verre te kunnen voor uic zien en met weinige trek- ken doen opmerken , welke gewigtige gevolgen uic de zelven voordvloeijen. VOOR EERST dan, dat de Natuur in den Mensch cne brandende eigenlkfde en zugt voor zyn behoud en geiuk hccft ingeprent, daar uit hebben wy teiilond deze grondwec opgemaakt : Dat een Mensch ver- 5 , pligt is, bet behoud en welzyn van zyn lichaam eh deszelfs leden , van zyne ziel , leven en gehelen flaat en (land te betragten , om dit leven zo gelukkig ,, als mpgelyk is, door te brengen." Uit dozen hoofdregel , die met de natuur van den Mensch onmiddelyk verbonden is, kunnen alle pligten tot ons zelven , door ene aaneenfchakeling van wetdge befluiten , worden afgeleid en betoogd. En deze foort van pligten is zeer wyd uhgeftrekt , want zy heeft opzigt zo wel op den Geest als op net Lichaam ; op de bewaring der gezondheid , op de befchaving der zielsvermogens, op den uitwendigen ftand; op goe- den naam , agting , lof en roem ; op zelfsverdedfging, eigendommen en ontelbare andere zaken ; gelyk dan uit 144 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEP? / Hit dit beginzel ook de matigheid, yver, fpaariam* held, gemoedsbedaardheid, gocd geweten, en andere heilzatne zaken en deugden, teffens met de tegenover- gdtelde ondeugden , kunnen gekend worden en af* gelcidi t TEN T w ED E : uic dat natuurlyk gevoel van Goed* Willigheid jegens anderen , welk wy in 'c voorgaande Hoofdiluk bewezen hebben, kunnen en moeten wy ook deze hoofdwet, die grondbeginzel van verpligting opmaken : Dae de Mensch ook tevens verpligc is , , , om hec '-behoud en welzyn van andere Menfchen > H zo wel omtrend hec lichaam , en de liehaainsdelen , ), als omtrend den geest , 't leven , eii den gehelen 5> ftaat en iland derzelven , te becragten , op dat die andere Menfchen ook, zo veel mogelyk* een ge- ^ lukkig leven leiden*" Uic dege Eerfle, en Algemene Grondflelling ^ uil deze hoofdles , zo nauw met onze natuur verbonden , kunnen alie pligten omtrend anderen gekend worden^ 5 c zy jegens andere byzondere menfchen/t zy omtrend gemeenfchappen ^ van welken wy geen leden zym Deze pligcen hebben dan op gelyke wyze betrekking op het behoud van 't lichaam $ op de befchaving der vermogens van geest, op den uitwendigen ftaat, op alie noodwendigheden en hulp in dit leven 5 op goe- den naam, lof, roem en oneindig vele zaken, die wy aan anderen verfchuldigd zyn. Hier uit onrluiken dan minzaamheid , menschlievendheid , mildheid , dank- baar* DERZEDELEER. 145 baarheid, vriendfchap , edelmoedigheid, trouwj bil- lykheid, regtvaardigheid, grootmoedigheid en andere voortreffelyke deugden. Hicr uit kan dan ook de af- fchuwlykheid der tegenovergefteide pndeugden , van haac, nyd ,vyandfchap,laster, beilrog, listen en lagen, diefte , roof , overfpel , trouwloosheid , moord en andere fchandelyke bedryven, en derzeiver tegenftry- digheid inet de voortreffelyke natuur, gekend worden. TEN D E R D E N : uit de ingefchapene natuurdrift, uit den flerken trek tot gezelligheid ,welken de Mensch wel met het woeste vee gemeen heeft, maar die in den Mensch veel voortreffelyker 9 dan in 't gedierte , uitblinkt, zagen wy>dat ook deze grondwaarheid de- ze Eerfte en AJgemene Hoofdwet volgde : Dae de w Menfchen van natuur genoopt worden en verpligc ,, zyn tot een gezellig leven , en tot het betragten van alle die pligcen , zonder welke die Maatfchappy, van welke zy leden zyn , zwak en onvermogende ^ is, om het algemeen welzyn te.bevordcren.*' Dcze hoofdwet is de bronwel van alle gezellige deugden en pligten : welken gedeeltelyk op hunne ei* gene grondvesten fleunen , gedeeltelyk door die andere pligten , uit het voorgaande twede grondbeginzel voortfpruitende, niet weinig gedyfd en gefterkt wor- den. En de daar tegen overgeftelde en flrydende wanpHgten en ondaden verwoesten de gehele menfche- lyke maatfchappy. Tot deze foorc van deugden behoren dan niec alleen K de 146 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN de trouw en regtvaardigheid , niet alleen die pligten ? welke de huvvelyks gemeenfchap , de vaderlyke magt en betrekking, en al de huishoudelyke vereniging , me- debrengen ; maar ook de pligten jegens vrienden , bu- ren , den burgerftaat en geheel cms vaderland (#). Hier uic ontflaat vooral die grote verpligting, welke wy hier te voren tegen MONTESQUIEU vast hiel- den (), namelyk, dat de byzondere belangens voor die van alien en der gehele Maatichappy moeten wyken : het welk de hoofdzuil is , op welke alleen dlle maatfchappy kan en moet rusten. Hier van die voortreffelyke fpreuk van HO R ATI us: Dat het zo genoegelyk ah luisterryk is, voor V Vaderland te 'fneven. Hier van dat fchoon gezegde van CICERO I. Boek Over de Pligten 17 Hoofdftuk : Dat alls , cok de dierbaarfte, genegtnheden in de zugt voor V Va- derland zyn opgefloten , voor 9 t welk geen braaf man kan aarzelen , ook den dood te flerven , wanneer zulks het Vaderland behouden kan. Hierom zeide de Veldheer LEON ID AS: Gaat voort, met dappe- ren moed, 6 Lacedemoniers ! Hulden nog , zullen wy by de afgeflorvenen het avondmaal houden. Hierora, wanneer de vyand Perfes aldus enen der Spartaners dreigde : Van wege onze talloze pylen zult gy de Son met kunnen zien: Wei aan^ was zyn antwoord, wy zul- (jT) CICERO over de Pligten III. B. 6. d. Cb^ Zie in *t voorgaande Hoofdft. bl. 128. ook in de aantek. D E R Z E D E L E E R; 14? zutlen dan in de dulsternls vegtert. Hierom eindelyk , als die Spartaanfche vrouw haren zoon naar den itryd hade gezonden,en zyn fncuvelen vefnam: Cm die re- den , zeide zy , had Ik hem gebaard , op dat *er zyn zouden , die voor het Vaderland wisien te fterven (#)* Hierom zegt no^ eindelyk CICERO , in zyn III. Boek Over dsPttgten 19 Hoofdftuk: Want ^gelyk de wet ten het algemeen belang boy en liet byzondere ftelkn, zo waakt en zorgt een braafen wys man 9 die de wet* ten gchoorzaamt en zyne burgerpllgt hoog agt > meer voor V hell van alien , dan van een ofook van ztg zelven* Een verrader van V Vaderland Is niet yeragtelyker dan hy. , die het algemeen nut en welzyn aan zyn el gen voordeel opojfert. Hy is dan roem- waardig, die de doodvoor^het Vaderland fterft , om* dat het vaderland aan ons diefbaarder , dan wy aan ons zelven, moet zyn (&). TEN a) CICERO Lib. I. Tusc. Quaesi. cap. 42. Dus zingtdan ook v i R G i L i u s Lib. VI. Aeneid. vs. 655. Confpicit ecce altos dextrd laevdque pef herbam 9 fescentes , laetumque chore Paeana caiicntes , Jnter odoratum Lauri nemus , unde fuperne Pluriwus Eridani per fyh'ttm volvitur amnis; Hie manus ob patriam pugnando vnlnerA patf. &C. (^) Dezelfde CICERO In den Droom van Seipio H. 3; opdac gy moediger moogt zyn, ora 't Vadsrland te K 2 ver^ T 4 B OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN TEN VIERDEN: hoewel mogelyk met alle Vol- keren weten , dac 'or een God is , zy kunnen dit egter weten ; en de pligt tot befchaving van den Geest, welke in het Eerfte Zedelyk GrondbeginzeJ is opge- floten, vordert, dat zy dadelyk een Eerfte Wezen en Oorzaak aller dingen erkennen,van welke hetHeel-Al y endus ookzy zelvenafhangen. Immers, uit het gevoel zo vvel van onze zwakheid, als van de eerbied, welke ons natimrlyk bezielt voor al, wat in magt, waardig- beid en luister uitblinkc, zagen wy eindelyk,dat deze hoofdwet , deze Eerfte en Algemene Grondftelling voordvloeide : Dat al wie ene Godheid erkent , ver- 5> pligt is dezelve te eerbiedigen , hulde te bewyzen, 9 , en deszelfs gunst voor zig te verwerven." Van deze hoofdwet, van dit grondbeginzel dalen tile pligten omtrend God, gehoorzaamheid, liefde , vroomheid, eerbewyzing , hoogagting, vertrouwen, dankbaarheid en andere uitmuntende deugden af: waar tegen wederom foortgelyke ondeugden overftaan en van zelven genoeg blykbaar zyn. En verdedigen , zo wees gedagtig, dat voor alien, die 't Va- ,,derland tot hulp, bloei en behoudenis ftrekken, ene zekere ^plaats in den hemel beflemd is, alwaar zy ene euwige ge' w neugte fmaken. Want niets is aan dat Hoge Wezen , 't welk v deze gehele waereld regeert , op aarde behagelyker , dan de verenigingen van Menfchen , op regt en wettcfl gegrond 7 jg welke men Burgerinaatfchappyen noemt.*' DERZEDELEER. 149 En deze vier Eerfte en Algemene beginzels en grondwetten agten wy zo waar 9 zo zeer met de menfchelyke nacuur verenigd , dat niemand dezelve kan ontkennen, of hy moet vooraf de menfchelyke natuur zelve eerst verwerpen ; ook zo duidelyk en kenbaar, dat niemand dezelven kan miskennen, of hy moet zyn verftand eerst geweld aandoen ; zo zeer Eerfte en dus eigenlyk gezegde grondftellingen,dat zy onmiddelyk met ons verftand verknogt zyn , en allernaasc uit de natuur van den Mensch , uit zyne inwendige bezeffen , gevoelens, natuurdriften , als van zelven, voordvloeijen,zodrawymoaroponzeziel en hare aan- doeningen, en de eerfte vonken van kennis en gevoel, nauwkeurig agt geven ; ook nog zo algemeen , ryk en vrugtbaar, dat 'er geen pligcen, nog omtrendGod, nog omtrend ons zelven, nog omtrend andere byzon- dere menfchen , nog omtrend de Maatfchappy , ja jselfs niet omtrend de redeloze dieren zyn (^) , en welke pligten ook en hoe genaamd , of zy kunnen uit de vier opgenoemde grondbeginzelen duidelyk wor- den afgeleid , opgemaakt en betoogd : eindelyk zo gefchikt en bekwaam , om zskere kenmerken te ftel- len, door welken wy alle voorfchriften en regels van deugd en pligt kunnen weten, dat die pligten, wel- ken uit dezelven worden afgeleid , in ene behoorlyke orde en verband verzameld en verenigd zynde , ene vaste 00 Zic 'i voorgaande Hoofdft., bl. 112 en 1 13, ook aantek. (f) t j 5 o OVER DE EERSTE GRONDSTELL11NGEN vasce en gegronde wetenfchap , en voortreffclyke Ze- dclcer voortbrengen , die den veiligitcn en zekeriten weg tot bet waar gduk aanwysr. En wy kunnen naauwlyks verwagten, dat icmand ons hicr znl tegenwerpen, dat wy op deze wyze nice e'en , maar mecr Eeifte en Algemene Grondbeginzelen, van Zedelyke Verpligcing voorftcllcn , daur de Hol- lancfche Maatfchappy maar een Grondbeginzel ge- waagd en gevraagd heeft, en de meesceGeleerden ook maar een Grondbeginzel ilellen ; dat het zclfs te vre- zen is, dat als men mcer grondflellingcn aanneemt , dezelven tegen elkanderen zouden kunnen aanlopea en dry den. Want dog , om de -laatfte zwarigheid het eerfte op re ruimen, cie vrees van oncieriin^e tegenitrydig^ held dier grondbeginzelen is gelieej ydel en ongegrond. Wclke tegenftrydigheid kan togplaatsbebben tusfchen ons zelfbehoud en de goedwilligheid jegens anderen? Want,daar deze goedvvilligheid, die van anderen ons- waarts, wederkerig opwekt en uitlokt, en ons hunne gunst, mildheid, vriendfchap en diergelyke pligrsbe- tragtingen vervverfc, zo nioet ^y ons, ter bevordering van ons eigen geluk, ten hoogften voordelig zyn. En op gelyke wyze lokt zo wel de zugr tot ons zelfsbe- houd, als het gevoel van goedwilligheid jegens ande- ren, de menfchen uit tot gezelligheid , vereniging en zamenleving, welke wederom allergefchiktst is, om veelvuldige gemakken , genoegens enaangena^mheden dezea D E R Z E D E L E E R, 151 dezes levens toe te brengen en te verrneerderen , en daar door wedcrom de gocdwilligheid omtrend ande- ren, dien voornamen band der zamenlevmg 5 ten hoog- ilen op te fcherpen. Wyders de hnlde en eerbied voor de Godheid fteunt en ftut byzonderlyk de drie overige grondbeginzels , naardien die Godheid , welke den Mensch en de menfchelyke nacuur zo heefc voordge- bragt en gevormd, dat de Mensch en zig zelve lief heefc en anderen bemint, en gaarae zig met anderen verenigt , niets ernitiger kan willen , dan dat men die natuur , die liefde toe zig zelven en tot anderen , die fterke zugt en trek tot gezelligheid opvolge en voldoe : dat men nu aan dien voortreffelyken en,allerheilzaam- flen Wil van hct Hoogfte We^en moec gehoorzamen , dit brengt her gevoel, het bezef, het denkbeeld der voortrefFelykheid van dat Wezen, en de daar uitfprui' tende eerbied volftrekt mede. Daarenboven, welk grondbeginzel, of welke grond- beginzelen 1 men dan ook ftellen moge, wie heefc ons in de Zedeleer ooit dit verzorgd, of wie zal in 5 t ver- volg immer dit kunnen uitwerken , datzignooit, zelfs met in fchyn , enige tegenilrydigheid van tegen elkande- ren aanlopende pligten opdoe ? Het tegendeel tonen 5 zo wel de voorftellen en aanmerkingen van CICERO over de Pligten III.B.H.6. 23. 24 en 25, alsalledefchrif- ren, die ooit over dc zedekundein'tligtkwarnen 5 aan. K 4 Wes- iSa OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN Weshalven, indien zodanige oinftandigheden mog- ten voorkomen , in welke de Ei^enliefde , de Goed- hartigheid jegens anderen , en de zugc cot gezelligbeid iemand in twyffel bragten , dan zyn 'er nog genoeg* zamo bezcffen , gevoelens en eerfte vonken in 't men- fchclyk vcrftand, om die gefchil met de hulp der Re- den ce beilisfen. Immers onder die eedle vonken van ligs, onder die eerfte gevoelens, hebben wy te voren in dit rwedeDeeUderde Hoofdftuk bl, too en xoi.ook dezen opgeteld ,,Dat het beter is, dat, het geen min^ 5, der van belang is, voor het geen van meerder be- 9) lang is , worde opgeofFerd ; en dat , het overige >9 gelyk i!;efteld zynde, weinigen, dan velen verloren a , gaan; dat de delen niec zonder het geheel kunnea beftaan, maar wel het geheel zonder het een of ancier Heel (#)" Waar uit wy hier te voren in 't derde Hoofdfluk bl. 128. dezen hoofdregel en grondflag van alle gezelligheid en gezellige pligten afleidden : Dat 5 , het algemeen welzyn de byzondere belangens moec ,, t;e bovcnftreven en ovenreffen." Door deze en dier- (a) Men twiste nict over de woorden. Indien dit gcen door zig zelven blykbare waarheden zyn, f t zyn ten minflen algemene bekentenisfen : en , fchoou ze al eens in enige andere wetenfchappen bewysbaar zyn , zy kunnen in de Zedekund^ zonder bewys gelden . en als zekere en onbetwistbare heden aangenomen en gebrujkt worden. DERZEDELEER. 153 diergelyke regels kan een iegelyk dan ligt den eerften en oppervlakkigen fchynftryd beflisfcn. En is 'er gene zodanige omflandigheid , dat de bcvengemelde regels kunnen en moeten gelden, dan is 'er ook gene reden, waarom , in zodanige vergelyking van piigten omtrend ons zelven met die omtrend anderen , iemand zou verpligc zyn , eens anders welzyn dierbaarder dan hec zyne te houden. Wac nu de andere zwarigheid berreft , dat de mees* te Geleerden maar van een grondbeginzel fpreken , en door de Maatfchappy derWetenfchappen ook maar ene zedelyke grondftelling gewaagd en gevraagd wordt , dit kan ons weinig belemmeren. Want voor eerst , dat maar n Eerfle en Algemeen Grondbegin- zel zou kunnen plaats hebben, dit is reeds te voren wederlegd (#). Ten anderen, dit is alleen het oog- merk der Hollandfche Maatfchappy, dat de wetenfchap der Zedekunde zo wis , zo zeker en ontwyffelbaar ge- maakt worde als mogelyk is , terwyl het onverfchillig is, of die zekerheid door een of door meer grond- beginzels , op welken men de zedekunde vestigt , verkregen vvcrde. Indien, gelyk in de Wiskunde en in vele andere wetenfchappen , zo ook in de Zede- kunde 00 Zie I. Deel 2 Hoofdftuk. en II. Deel i Hoofdfluk 52, K 5 154 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN kunde, de aart dczer vveccnfchap zclve medebrengt, dac zy nice ene, maar meer grondwaarheden en be- ginzels heefc ; al wie zulks dan berispc , die berispt nice onze onkundc of eigcnzinnighcid , maar de na- tnur der zaak zelve O). En hoe zwak , hoe vrugte- loos is nice de poging van him geweest , die alle zede- Jyke wetten en pligten tot een enig grondbeginzel getragt hcbben te brengen? Welke moeite heb- ben zy zig niet gegeven, om, met wenden en keren, en him vcniuft te pynigen, uit him een enig grond- beginzel ook die natuurwetten , die in 'c zelven niet waren opgeflocen, op enigerhande wyze, en ten min- Hen met enigen fchyn van betoog , af te Jetden ? Hoe menigmalen hebben zy ons niec zodanig ene grondftel- ling willen diets maken , welke in zo verre niet van de natuur was ontleend, dat zy vecl eer tegen de na- tuur, tegen 't algemeen gevoel, tegen 't verftand en alle begrip aanliep , en zo wel Ongeleerden als Ge- leerden mishaagde? Maar het betaamt niemand meer dan den Wysgeer, cm infchikkelyk te zyn, en te zorgen , dat, hoe ge- wigtiger ene wetenfchnp zy , zo veel minder ook de ge- (a) Dat 'er meer grondbeginzels van Zedelyke Verpligring dan edn kunnen zyn, dit geeft de geleerde HULSHOFF toe, in zyne Verhand. Over Cods Wctgcvcnde Magt IV, Hoofdftuk W. 33. 0" de Verhandelingen van 't Stolpiaansch Legaat.) D E R Z E D E L E E R. 155 gefchillen der Geleerden hare zekerheid fchudden en doen waggclen, of ook flegcs in de denkbeelden der menfcben die zekerheid, en, daar door, hare agcbuarheid en invloed verzwakken. Weshalven, begeert iemanc vollirekc (leges ene eerile en Algemene Grondftelling , wy kunnen hem gemakkelyk, behoudens onze gehele leeriteliing , voldoening geven. Hy bevatce dan rnaar onze Vier Eerlle en Algemene Grondregels of Hoofd- wetten in en enkel voorfchrifc , en ftelle , in navolging der oude Wysgeren , die Grondbeginxel: DAT EEN I E D E R MENSCH VERPL1GT IS VOLGENSDK NATUUR TE L E v E N. Immers die inwendige be- zeffen , gevoelens en neigingen , die eerfte denkbeel- .den, en zaden von deugd, van vvelken wy onze vier grondbeginzelen afieidden, behoren zo zeer cot on- ze natuur, maken zo zeer haar wc-zen uic, dat vol- flrekc niemand volgens de natuur, of, gelyk anderen hec uitdrukten , overeenkomftig der natuur , kan le- ven, of hy inoet noodzukelyk de vier bovengeftelde grondvvertcn voigen. CICERO leerc, dat voor den Mensch 9 in het naftreven van het goede , de hoogfte Wet is VOLGEMS DE NATUUR TE LEVEN, het welk -H'^, zegc hy a zo uitleggen; Te leven volgens de menfchelyke natuur, allenzlns zo volkomen, ah mogelyk is , en niets ontberende (a). Elders zegt die zclfde Wysgeer: En dat eerfle gedeelte, om we I en '(a) CICERO Lib. V. De Fimb. cap. cj. et feqq. 156 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEN en deugdzaam te leven , ontleenden die Wysgeren , (name]yk,die van de oudc en nieuwe leerfchool), van de natuur, aan welke zy beveelden te gehoorzamen, en leer den , dat in gene andere zaak ter waereld , dan in de natuur alleen, *het hoogfle goed te zoeken en te vinden was. Zy flelden daarom vast, dat het alter fie van alle wenfchelyke zaken^ en het hoogfte toppunt van V goed, hier in beftaat , namelyk: ver- kregen te hebben al dat geen, w at de natuur ? dat is , onze zlel 9 ons lichaam , ons lev en ^ enz. ver- cijchen (a). En deze leertrant , uit zodanig een grondbeginze! > prysc zig ook hier door aan , dat zy met het gevoelen der voortreffelykfte Wysgeren der Oudheid inflemt : ? t welk mogelyk ook den onflervelyken HUIG DE GROOT (^) en andere voorname mannen heeft be- wogcn, om, op het voetfpoor der Ouden, de OVER- EENKOMST ONZER DADEN MET DE MEN- SCHELYKE NATUUR, als ene Eerfte en Algemene Hoofdvvet en Zedelyk Grondbeginzel , aan te pry- zen (c): en wy volgden ook gaarne zo groot een ge- zag, waren wy met door het al te afgetrokkene van dat ( 2 '. dringen ; onze leeritelling verfchih egcer van de onbe- dagczaamhcicfvan SCHMAUSS Jus mcer dan het Cos- ten van bee Westen* Want die ligtzinnige Geleerden legtden grondregel ; Volgens de natuur te leven,2ldu& tiii:^ als mocst zulks betekenen: Voor zig alleen te lc* yen (#): het welk geheel tegen de natuur en waarheid aandruischt, zo ais uit ohze gehele verhandeling ligt is op te maken. Ten anderen , SCHMAUSSIUS flelt de natimrdriften (Inftindus) alleen tot keurmeester^ Van al wat pligtelyk is, met verwerping der voortref- felyke Reden (); daar wy integendeel den nlensch^ niet (legts die eerfte denkbeelden , iDezeffen , gevoe* lens, eh, als 't ware, die eerfte vonken van deugdj riiaar ook tefehs en voornamelyk het uitmiintend Ver- ihogen der Reden tb'ekenrieri , welk^ van die eeffte Dlsfert. yur. Nat. V. . 4, Disfert. II. De Rations Hitwana. $. & L 162 OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEM vonken wel haar ligt oncleenc , irmr dan vervolgens/ door middel van dat ligt , aanwysc , welke begeercens en afkerigheden gezust a of in tegendeel opgewekt; wcl- ken , en hoe befticrd; vvclken gevierd, of , tegengegaati en getemd moeten worden ; welken boven dryven of wyken moeten. Die Jigt is het, hec welk ons moec geleiden, en, door 'e welk, hoe zeer zomtyds hec belang van tydelyke goederen mogelyk zou vorderen, dat men liever enen flaaf van geringe waarde , dan een kostbaar paafd in zee zou werpen , de Reden en Men- fchelykheid ons nogthans overreedt , den flaaf boven hec paard te ftellen (^r). Derhalven, zo dra het ver- ftand by die eerfte beginzels der Natuur bykomt, en de overige regels en pligten ? welken uit die beginzels volgen , nafpoort en in verband zamen ve'renigc , dan ontluikc die voortreffelyke wetenfchap , die voor ons de meesceresfe en beftierfter van ons leven, de vragc- bare moeder van alle goede raadgevingen , en leids- vrouw tot alle deugden zyn moet (^); die, hoe zeer zy (ti) CICERO Over de Pligten III. B. 23. H. (T) 5> Ut Phidias potest a primo inftituere fignum, idque perficere ,* potest ab alio inchoatum accipere et abfolvere ; huic est fapientia fimilis: non enim ipfa genuit hominem, fed accepit a natura inchoatum: hanc iinuens debet infti- tutum illud , tanquam fignum, abfolvere." CICERO Lib. IV. De ,* D E R 2 E D E L E E R. .16$ sy de zuy tot zclf behoud goedkeurt , nice te niin Py- lades roemt, die bereidwas, voor zynen ongelukkigen boezemvriend Oresces te fterven ; die Regulus leerde , dat hec beter was , te Carthago zyn leven met de he- vigfte fmerten te eindigen , dan de belangens van zyti vaderland verzakende, te Romen een fchandelyk en door trouwloosheid bezoedeld leven , by vrouw en kinderen , in de grootfte vcragting te flyten ; die ook zelfs Codrus bewoog, alfchoon hy een onbevlekf le* ven kon leideti en nog uitrekken , het zelve nogthans iiever voor het vaderland op te offeree Want > zo als wy hebbcn opgemerkt 9 alhoewel de mensch vele eerfte gewaarwordingen , neigingen en dritten , met de dieren gemeen heeft, weHcen de Oude Wysgeren de eerfte beginzelen der Natuur noemden (^), en ook wcderom andere meer voortref3Felyke bezefFen ^ boven het gedierte bezit ; zo is dit vo6ral ene byzondere ei- genfchap der Menfchelyke Natuur en Reden , dat al- leen de' Mensch bezeft,wat orde^watbetamelykheid, wat gepastheid in woorden en daden is (). Want alkerst words de Mensch genoopt tot het geen de Natuur medcbrengt; maar zo dra hy verflandver- krygt, en de kennis, welke de Griekfche Wysgeren tmx noemen $ en , zo dra hy de orde 9 en ^ om zo te fpreken , de over een (lemming der dlngen ontdekt^, dan CICERO Over van alle deugden en alle zedelyke verpligting , z& , ? welvoor het bedier van hec dagelyksch leven , als ,,voor den opbouw, duidelykheid, zekerheid, luistpr ?5 en de gehele meerdere volkomenheid der Zedeleer ? v vooral nutdg en beyorderiyk is. En 9? 1I. Op het twede lid der Vraag : ?> Dat die Eerfte en Algeraene Grondbeginzelen , 5? die ten gronddagen'moeten ftrekken van alie zede- ?> lyke verpligting, en uit welken alle meer byzonde^e hoofclfoorren van pligten kunnen worden afgeleid, ?5 s;een anderen J?yn, dan dexe vier Eerfte Grondwaar* ^ heden : namely); , dat men ?.. Den yelftand van zyn , 'geest, leven 9 ftaat en /land moet kz ; dat men 2, Den w el ft and van andezen behartigen ; 3. Dat men den welftand en bloei der Maatfchappy moet bevorderen , tot welke, '^men behoort; en 4.^ Dat men het Qpp&rw.exe f n mo& ^eerbiedigen. 9 , Of , indien iemand Jiever een enig grondbeginzd ? ,vierkieze'i| dat dan zodanig grondbeginzel geenande,- , ? re is, dan het navolgende : Dat de Mensch moef ^kven overeenkomftig der Natuur; dat is, (zo als ?> ik oorcleel dit te moeten uitleggen) overeenkomftig DER ZEDELEER. , ? aan die vier Eerfte en Algemene Grondregelen der 99 Nuuur, welken wy uit de Natuur van den Mensch 3 ,hebben opgefpoord , bepaald en vast gefteld ; en ^ook overeenkomftig aan alle de overige natuurwet- ten , die uic voorgemelde vk-r grondregelen by wee- ,,tige gevolgtrekkingen voordvloeijen-" Zie daar dan, gcleerde Herenl de Eerfte en Alge- inene Gron duelling, of Grondftellingen, (want hier in heefc de vooimffelykheid der Zedefcunde weinig belang), zie hier dan die eerde , algemene, ware^ duidelyke, en allenzins blykbare grondbegin/x'len, uic welken, alle hoofdfborten.vanmeerbyzondere pligten^ die men in allerlye omftandigheden van die leven moec in agt nemen, door vlyt en aandagt, met zekerheid kunnen gekend en betoogd worden; geen grondbe- ginzels, welke ene wefce ligtzinnigheid uitdagt , of een weelderig vernuft door enkele verbeelding voord- bragt , of het willekeurig gezag van eny Mensch on-- derftondr te gebieden ; maar welken uit de natuur zel- ve genomen, ontleend ofafgeleid, geheel bekwaam en vrugtbaar zyn , om die wetenfchap ten voorfchyn te brengen , die de zeden kan verbeteren ^ de deugd beminnelyk maken; en den weg moet banen tot dat geluk, naar het welk wy alien reikhalzende flreven. En hoe veel gewigtiger deze wetenfchap is , zo veel groter dienst bewyst Gy lieden , myne Heren f aan geheel het Menfchelyk Geflagt^ als welken, met hec Uitfchryven dezer fchone en belangryke vraag, de yver en OVER DE EERSTE GRONDSTELLINGEtt en pogingen van Geleerde Mannen hebt opgcvvekt , om hunne kragten tot hetoplosfen derzeiver in tefpan* nen; en $ door hen daar toe, zo veel in U lieden was, op te wckken 9 hebt gy te wege gebragt , dat mogelyk zodanige grondbeginzelen worden uitgedagt en geftaafd* welken genoegzaam zyn om de fchoonfte en heilzaam- ite aller wetenfchappen te vestigen > en alle nevelen van vertwyffeling en onzekerheid van dezelve te weren en te verdryvenien hoe minder zodanige grondbeginzelen tot nog toe fchynen gevonden te zyn, hoe veel meer belang het Menschdom daar by heeft , dat eindelyk cens zekere en vaste grondflagen der Zedeleer vverden uitgedagt , gelegd en gevestigd. Weshalven , indien ik mogelyk iets , in zo grote zaak , heb kunnen uitwerken ^ (gelyk ik zulks van harte wenschte);dan komt ook daar van aan U lieden nogthans de lof toe. Dog, indien andereWysgeren van doordringender vernufc en grondiger geleerdheid iets meer gevvigtigs en voortreffelyks hebben voortgebragt ; dan moet ookwedefom die hogere trap van volkomen* heid, welken onzeedele wetenfchap en alle ware wys- heid daar door verkrygen, dan moeten ook alle voor- delen , welken daar van op *t Menfchelyk Geflagt af- dalcn , even zeer aan U lieder beleid en yver worden toegekend en dank geweten. E I N D E. DISPUTATIO D E QUAESTIONE, 6 A SOCIET4T8 DOCTRIN4RUM HQLLAND1CA ANNO MDCCLXXXX1I p o s i T A: /f# rationi confentaiiemn fit ; /? necesfafium ; an utile denique , ejusmodl prlmum atque univerfale principium invest! gar e , ^,r ^-z/o tanquam ex fonts 5 propria et peculiaria officiorum prae* cepta ducantur^. De Inceps , y? /7/wJ fit confentaneum rationi 9 etc neces- farium atque utile etiam ; quah fit illud jpfum-priti" cipium y quod ejusmodi posfit existimari? A U C T O B. E HENRICO CONSTANTINO CRAS, Qui menfeMajo anni MDCCXCIII praemium repertavlt. SYMBOLUM. Ac primam illam part em a natura petebant 9 ei parendum esfe dicebant* C X.C R O, PRAEFATIO (*X omnis fere cognitlo nostra mliltls e$t et magnis ob ft ruff a difficult atibus> cum propter earn*> quae in rebus if/Is Inest , obfcuritatem , turn proptef infirmltatem judlcii noftri; nihil tamen wagis vet doftlsfimi phllofophi diffifi funt , quam ad prima rcrum doffirinarumque posfe initla fe penetrare. De initlis. vero officiorum omnisque moralls doffiri- nae fundament is cum rogasfet ARTIUM DOCTRI- NARUMQUE SOCIETAS HOLLANDICA, QUO* ni~ (*) Poftea demum , quam praemium huic disputation* ad* ^ judicavit SOCIETAS DOCTRINARUM HOLLANDICA, ejus comprobatione haec praefatio est adjefta* IV P R A E F A T I 0. nlam Recentionim omnem in anew vulebam indu* ftriam esfe, nihilque reperiebam ipfc me tins $ ad l' r eteres me converti: quorum explicandd et emen- dandd doffirind prodesfe , Jatius duxi , quam infruc- tuofd folertifi vanam inveatoris gloriam aucuparl. Neque tamen nesclo 9 de Feterum philofophorum Invent is omnisque do&rinae militate ac praeflantid , fi cum Recentioribus , in primis qui post CARTES IUM floruerunt , cgntendantur , fummis ftudiis dimieare inter fe erudites 5 quorum alii Recentiorum , alii Veterum patrodnium fuscipiunt laudesque-^ non minus quam moenia defendunt. At gravis ilia dis- fenfio jam multuin deferbuit $ ac partim us etiani compofita est , quae in praeclard oratione disputavit PETRUS NIEUWLAND Vir Clar. (*) ; partim distinguendi curd quddam , quac fortasfe reliqua fit dubitatioy commode potest tollL Om- (*) P,NIEOWLANDI Oratio de ratione disciplinarwmphy- ficarum cum ratione elegantiorum , qune vocantur, litterarum comparatd et ex vtrarmnque nntur^ illullrata im, etfi geometriae non nifi unus finis est , quis tame-n ejus disciplinae theoremata et problemata ab uno tantuin frincipio omnia profidsci , judicavii ? Quod vero xri VRAEFATIQ. quatuor , quae a nostrae mentis naturd minuattts fum initia 9 fubinde per metonymiam fenfus vocayi, idneque a ratlone^neque a Vcterum'fcriptorum con* fuetudine quisquam abhor r ere putet (*). Neque yero ego fen fum dlxl pro mentis facilitate intelligendi res , quani vim isti verbo tribuunt , faltern tribuere debent, qul fenfum moralem tanquatn ofjiciorum fon- iem commendant) fi commode cupiant loqui. E con- trario fenfus mihi funt ipfae psrcep;iones prirnaeque -notitiaC) quae cuique ultro tantd evidemid lucent , lit negari nequeant : cujusmodl perccpnoncs In mente humand plurlmas later e , cum ab omnibus -actanbus expcrientia docuit , turn L E i B N i T i u s ftudiofe obfervavit , turn denique una nobis mathefis fldem facit. AtqiiQ hae perceptiones , reliquaeque ab its natae comprehenfiones nil cum appetitiombus fugls- que conjunftisfimae funt , it$ eas maocime fenfus did, (*) C ICE R o //. De Leg. i. /. De Orat. 23, Pro demo 36. Pro Cfoent. 6. QUINTIL FilL 5. A E F A T I 0. xti cly da dum SULZERUS vlr praeclarus , in tat lone fua. fa Ilomme moral!, oflsndit (*;. Tandem, tit cor urn etiam aUquantum occur ram im- becillitati, quibus aut lev lor aut plane contemnen* da vldeatur bene latine fcribendi five cur a quaedam et ftudium <> five etiam confuetudo fortasfis ac facultas altqua;fane qmdem nosmoleste ferimus, esfe hodieque. tarn par vi et angnsti anlnn homines , de quibus ju(> jam tempore queftus est CICERO, qul nihilprobent\' nifi quod ipfi fe imitari confidant posfe; qui, quod fe ~confecuturos desperant, id magno fuperdlio vitupe- rent , usque adeo , ut*jejunitatein fe et famem quam copiam et ubertatem inalle , non erube scant profit erl. Verum istos precor , hanc mihl veniam dcnt>i ut Us c i c E R o N i s potius , quam meis verbis , responds am. Mandare queraquam litceris, alt divino vlr ingenio^ cogicationes fuas , qui eas nee disponere nee illuflrare posfitj-oec deledatione aliqud allicere letftorem , ho- miais - (*) Memoir, de 1'Acad. Roy. de Berliu de 1'An xiv P R >A E F A T 1 0. - minis est , intemperantcr abucentis ec otio et litteris> 3 TuscuL Qttaest. I. 4. Ac paullo post-. Hanc enim perfcftam philofophiam femper judicavi 9 quae de i maximis quaeftionibus copiofe posfetomatequedicere. Neque tamen hanc CICERONIS auftoritatem fie excito,ut nulla fcripta , nifi copia et ornatu infignia? ego iinlla esfe cxiftimem. Abfit tpnta- opinionis lev it as , quam ipfd re exiinla fcripta plurima refel- lunt. At hoc' nofcillum culpd liber at ^ qul , quae utlllter disputantur , ea pure , propriis verbis , atque adeo copld quadam et ornatu [cribi , molests ferat atque aspernetur. DIS- DISPUTATIONIS OMNIS DESCRIPTIO. EXORDIUM. Pag. i 4 PARS I. De principii primi et univerfalis , ex quo omnis obligatio oritur, inveftigandi catisfd et ra- tione, necesfitate, atque utilitate. -- Pag, 10. Caput I. An ration! confentaneum fit ^ pri~ mum atque unlverfale prlncipium , a quo propria et pecuHaria officiorutn praecepta ducantur, tnveftigare? - - Pag. 10. Caput ; 2. Num fit necesfarium, ejusmacli^ d& quo quaeritur ^ prlncipium inveftlgare? Pag. 20. Caput 3. Num mile fit , de quo quaerltur ^ prlmum atque unlverfale prlncipium^ vel quaedam ejusmodi prlnclpla Inveftlgarel Pag. 30. PARS II. Quodtiam illud principium , vel quaenam ilia principia Tint, quae pro primis atque univer- falibus causfis 9 ac pro certo fonte posfint habe- ri , unde vis omnis obligations officiorumque genera omnia ducautur? - - Pag. 34* Ca- Captft i De principiis Doftrinste Moral! & univerfe. ... p a g. 34, Caput 2. De nonnullh principiis Doctrinae Moralis., quae prae, ce fen's laudato, funt. Pag. 41. Caput 3. De naturd humand: ex qua qitae prima vivendi 'pruecept-a , veraque 'princi- pia Doctrlnae Moralls necesfario confe* quant ur 9 ea aperiuntur. - Pag. 60* Caput 4. Nonnulla ajferuntur ad quatuor Moralis Do&rinae prmclpla paullo uberius explicanda atque confirmanda. Pag. 577. CONCLUSIO. - - - Pag. 117, DISPUTATIO D E QUAESTIONE POSITA * SOCIETATE DOCTRINARUM HOLLANDICA. ANNO MDCCLXXXXII. . EXORDIUM. ullum fere tempus fuit, quo morum disciplina, apudgentes, quae aliquam, etfi levisfimam, ingenii excolendi curam asfumferant , tota negledla et de- ferta jacuerit. Nam a Graeciae fapientibus jam olim vivendi praecepta brevibds fententiis conclufa fue- runt, et in templo Delphico ad hominum memoriam confecrata. Poftea Gnomici quoque, Theognis, Pho- cylides, Mimnermus^ Simonides, carminibus morum A prae- a ''Dijfirtatio de Principiis Dottrinae morum. praecepta tradiderunt : et, quam antiquiores jam in- gresfi erant fabularum rationem, earn Aefopus in- primis ad vitae difciplinam conftituit. Atque haec ratio, quod res univerfales fingularibus cafibus com* prehendebat, et, quid verum falfumque esfet , fifto oflendebat exemplo , idcirco ad vulgi intelligentiam ac puerorum ingenia erat valde accommodata, Fuitquidem tempus, quo rerum occultarum et ab ipfa natura involutarum inveftigatione maxime occupabantur Graeciae philofophi, fed eos a rerum corporearum contemplatione avocavit SOCRATES et ad vitam communem , ad virtutes et vitia exqui- renda, ad omnem de bonis et malis rebus difputa- tionem traduxit. Exinde plurimi philofophi et va- riae philofophorum familiae exfliterunt, qui non tan- turn de natura rerum ac disferendi modo ? fed inpri* ni-fS de vita et moribus fummoque bono qtiaerebant. Inter hos, praeter Platonem, Xenophontem, Theo , phraflum, Ariftotelem, celebres fuerunt Zeno Cit- tieus, Menedemus, Arifto, Ariilippus, Epicurus, Callipho, Hieronymus, Diodorus, Carneades, Chry- fippus , ceteri , quorum alii ad alias fcholas pertine* bant, et vel Academic!, vel Peripatetici, vel Mega- rici, velEretriaci, vel Cyrenaici, vel Epicure! , vel Stoici erapt appellati. Horum Dijfirtatio de Princifiis Dottrinae tnorum. 3 Horum vero omnium philofophorum etfi diver- fisfimae erant de fummo bono opiniones, eas tamen ad tria fententiarum genera five capita omnes com- mode referri posfe, CICERO (#) judicavit. Autenim, quafi folum esfet corpus, non ani- mus, unam homini voluptatem fummum bonum, unum dolorem fummum malum esfe, disferebant, iisque fublatis nulla momenta esfe, quae aut allice- rent animi appetitum , aut declinationem excitarent. Haec Ariflippi et Cyrenaicorum fuit ratio, quae cum mollior videretur, quam virtutis vis et gravitas fer- ret, mitigavit earn Epicurus, atque ad puriorem mentis voluptatem , ad juftitiam, ad honeflatem, ad excelfi etiam animi robur , quod omni metu et an- gore hominem liberet, ad fapientiam denique traxit, vel trahere certe voluit. Aut etiam, tanquam nullum esfe,t corpus, ac fo- lus animus, unam honeflatem dixerunt, finem bono* rum esfe, ac virtutem folam esfe per fe fuoque no- mine expetendam, omni utilitate propriisque emo- lumentis omnibus repudiatis ; quae fi fpedlarentur, obfcurari putarunt lumen honeftatis, ruere commu- nitatem cum hominum genere, nullasque amicitias, nullas virtutes , nulla officia arnplius conftare, Hanc GO Lib. V. de Finibtts bonorunt et makrum^ Cf 7. ct 8, A a g. JJijjcrtati* de Principits Doftrinae tnorum, Hanc fententiam Z^no, auftor Stoicorum etprin- ceps defendit, quern Ariflo, Chryfippus, Herillus, Brutus, Cato, Epidetus, Seneca, Marcus Aurelius ct permulti alii philofophi funt fecuti. Aut deni- que, quae Calliphonis veterisque Academiae ac Peri- pateticorum fuit doclrina , utramque rationem ita conjungendam esfe cenfebant, ut fummum quidem bonum esfet honefte vivere, fed fruentem iis rebus, quas primas homini Natura conciliaret : itaque etfi omnium rerum optima esfet fapientia, fummum bo- num tamen in toto homine esfe; neque virtutem na- turae initia ita relinquere, ut ad beatam vitam, prae- ter virtutem, nullae res aliae accedere posfent ; con- era, utrumque genus una ratione contineri. Atque hanc fententiam inprimis Ariftoteles ejus- que filius Nicomachus probarunt, ac Theophraftus ct Antiochus fecuti funt , et in libro V. de Finibus Bonorum & Malorum venufta ornataque oratione CICERO explicuit. Cum Graecarum vero et Romanarum civitatum interitu, uti omnes liberales dodlrinae labi coeperunt, ;ta morum quoque difciplina negligentius coli. Nam Plotinus, Amelius, Porphydus, Jamblichus, Pro- clus, qui, Platonici appellati , tertio et quarto feculo florueruntj metaphyficam potius , quam morum di- fciplinam traftarunt Poflea, (ut haec levius per- ftrin- DiJJertatio dt Principiis Do&rinae tnorum. g flringam), etfi, devaftantibus Italiam barbaris popu- lis, fummae tenebrae confecutae fuerant, Boethius ta- men Ariflotelem, cujus ei inprimis placebat philo- fophia, latine vertit; id quod deinceps Scholaflico- rum familiae fundandae causfam videtur dedisfe ; at Scholailici ex unius Ariflotelis pendebant doclrina , neque tantum inutilibus jejunisque quaeftionibus pul- cherrimam difciplinam obfcurarunt , fed etiam, quod antiquorum praeceptis tarn Patrum Ecclefiae et Juris Canonici decreta, quam fubinde Civilis Juris leges ad mifcebant, totam perturbarunt : quam labem fuis ar- gutiis quaeftionumque inanium infinita multitudine ii, qui Cafuiftae vocati funt, baud parum auxeruht. In tantis igitur praeelarae difciplinae damnis, re prope defperata, Baco Verulamius quafi no- vus fol est exortus, qui fuis radiis omnes quaqua- verfum gentes illuftraret, atque, ad verae philofo- phiae inflaurandam rationem 9 viam monftraret. Itaque, reftkutis litteris humanioribus 3 tantoque duce praelucente, pedetentim 'cum alii viri praeclari exftiterunt, turn prae reliquis Grotius, Pufendorfius, Cumberlandusj Thomafius, Leibnitzius, Buddeus, .Barbeiracius, Wolfius, Shaftesbury, Hutchefo us> Burlamacqui, Montesquivius^ ceteri, qui fapientium ex antiquitate virorum doftrin^ ornati , ita eximiam legum naturalium difciplinam inflaurarunt, ut nifi, A 3 vince- Differtatio de Principiis Dottrinae morutn* vincere plane, faltem exaequare, veterum induftriam viderentur. At, quae de noftrorum temporum in inftaurandd philofophia , inprimis moral! , laude modo diceba- mus, non eo valent, ut omnes eruditorum compofi- tas jam lites putemus. Nam primum vetus adhuc fervetcontroverfia, utrum, omni utilitate rejecli, per fe fuoque fplendore luceat honeftas , virtusque tota fit gratuita ; an vero cum honeftate ita fit conjuncta utilitas ac felicitas , ut ea pro invitamento bonarum aclionum , pro refte fadlorum honefto praemio , at- que idcirco pro laudabili fonte eorum , quae gerimus, posfit haberi. Deinde magnis etiam animorum ftu- diis agitata est, et nondum penitus fublata disfenfio, num a&iones per fe fuaque proprii vi et natura aliae bonse fmt, aliae pravae ; quae Scholafticorum fere fen- tentia fuit () ; an idcirco tantum , quod illas jusfit, has vetuit Deus (c), a qua disfenfione omnis de vi et niturft Hanc probarunt Grotius, Leibnitzius, Wolfius, Mon- tesquieu, BUCKY de moralitate aftion. intern. Lipf. 1732. Confer. RAD. CUDWORTH de internd et immutabili ret moralis feu jufti et honefti natura. In fyftem. Intelled. Tom. II. pag. 615. et feqq. 4. CO * ta fenferunt Pufendorfius Seldenus, Barbeiracius, uter- qne Coccejus, Buddeus, et DION vs. VAN PE WYNPERSSE in disf. D Libertinismo , Traj. ad Rhenum 1746'. pag. 23. atqui Differtatio de Principiis Doftrinae morurn. y natura obligationis controverfia fluxit. Sed praefer- tim de principio Juris Naturalis, de prima lege, onv nisque honeftatis atque officii fonte, etiamnum fum- ma est inter philofophos difcrepantia* Nam, ex quo tempore philofophi vivendi praecepta certa vi et ratione tradere, officiorumque accuratam difcipli- nam conftituere coeperunt, de principio quodam la- borarunt, ex quo praecepta officiorum omnia cogno- fcerentur ac ducerentur. Quod cum difficillimum inventu videretur , magnopere variatum est inter eruditos , ut alii quidem antiquorum veftigia preme- rent; alii nova excogitarent principia* quae iterum reprehenfa ab aliis et repudiata funt; alii denique, tantarum difficultatum pertaefi , ad ipfius animi no- ftri quamdam confcientiam, ad fubitum ejus judi- cium et quafi inftinclum quemdam et fenfum, qui a fubjefta re moralis est dicftus, confugerent, i In tantd igitur de re gravi opinionum inconftan- tia* , in tantd multorum de plerisque rebus , quae ma- thematica firmitate non nituntur, dubitandi levitate, tantaque ejus difciplinae , quae morum gubernatrix, offlciorum praeceptrix, et ad beatam vitam dux esfe debet, flabiliendae necesfitate ; quae ad amplificandas omnes atque in alid disf. DC legum Phyficarum et Morattum har* A 4 mama. Ibid. 8 Dijfirtatio de Principiis Doftrinae morum. omne's liberates dodtrinas Harlemi in Hollandia con- ftituta est et floret Societas, ea praeclaram hancquae- ftionem folvendam pofuit : Cum jam diu fit, ex quo primum aliquod et 3, univerfaleprincipiumobligationis atque fundamen- " turn quaeratur^ ex quo, tanquam ex fonte , quae 9 , magis propria et peculiaria funt, officiorum prae- j, cepta posfint duci; Et quoniam, qui hie fenfuni moralem cornmendarunt fcriptores , dc eo nonni- hil laborant (d) , illudque ipfum, quod Can- ,, tins monftravit principium (e), aliis obfcurum, 5 ? aliis incertum atque infrudluofum videtur (/); ea de causfa nunc quaeritur : An ratidni confenta- 5, neum fit, an necesfarium, an utile denique, ejus* 3 , modi primum atque univerfale principium invefli- 3> gare? Atque hocfi rationi confentaneiim, fineces- w farium, aut utile fit*; quodnam illud ipfum prin- w cipium fit, quod ejusmodi posfit exiftimari ? " Cujus C^O >jVid. HULSHOFE Over Gods wetgeveydc macht , in ^de Stolp. verhandel. gedrukt te Leyden 1766. Hoofdft. IV. 9 , byzonderlyk bl. 33. 35. (e*) n Grundlegung zur Metapkyfk der Sit ten. Seite 5, w Zweyte Aufl. bey J. K. Hartknoch, Riga 1786. CO KANT Kritik der Pratt. Vernunft, Riga* 17 8^. Vor- rede Seite 14 17. ZENO Oyer ongeloof en zeden, bl. i*. Dilfirtatio de Principih Dvffirinze morum. $ Cujus quidem quaeftionis folvendae ut mihi vo- luntas fit, cum ejus ipfius, per fe praeclarae, quaefti- onis facit gravitas , turn in ea proponenda Societatis Hollandiae diligentia, quse tanta est profe&o , ut, qui in ea ulterius explicanda definiendaque labor po- natur, is fupervacancus omnis et inanis posfit judi- cari. Id unum fatis est animadvertere , pofitae quaeftionis ratione ac forma ultro difputationem no- ftram in duas partes dividi^ quarum prior in hujus- modi perveftigacionis probabili ratione , necesfitate .> atque utilitate "explicanda verfabitur : altera vero, quodnam fit illud principium, vel quaenam ilia om- nis obligations moralis prima principiafint, deck* rabit. x A 5 PARS io Differtatio de Principiis Doctrinae morum. PARS PRIOR. OE PRINCIPH PRIMI ET UNIVERSALIS , EX QUO OMNIS OBLIGATIO ORITUR, INVESTIGANDI CAUSSA ET RATIONS, NECESSITATE, ATQUE UTILITATE. C A P U T I. An rationi confentaneum Jit 9 prlmum atque uni~ y erf ale princlplum^ a quo proprla et peculia- riajfficiorum pr accept a due ant ur^ inveftigare? J[n pofitae quaeflionis parte priore hoc primum ro* gatur: Sitne rationi confentaneum, moralis dodri- 3, nae principium primum atque univerfale indagare, ex quo propria magis ac peculiaria officiorum ge- nera et formae posfmt effici?" Ad quam quidem quaeftionem quod reipondeatur, ex ea re id totum pendet , ejusmodi principii inveniendi an fpes ulla probabilis posfit videri. Nam eorum fi firma fit opinio, qui ejusmodi fpem penitus nullam fuperesfe ftatuunt fe); profefto inane omne quaerendifludium ac r C^ 1 ) E. OTTO ad Pufend. de officio horn, et civ. L. I. c. 3. i. ERNEST, in Jur. Nat. . 23 & a^. (i Init, doftr. folid.)j alii. Differtatio fa Principiis Do&rinae morum. IX ac ration! prorfus contrarium debet exiftimari. At contra, fi defperandi causfa non est, nullus quidem labor praeftabilior, nullaque fruftuofior esfe induftria potest, quam quae adindagandumpraecipuum funda- mentum confertur ejus difciplinae, qu& hominum beata vita humanique generis univerfi felicitas con- tinetur. Princeps philofophi officium est , in omnibus re* bus , quid ex utraque parte di^feri posfit , ingenue expromere. Neque adeo nos principii, a quo om- nis doftrina morum dimanet , inveniendi difficulta- tern disfimulemus. Etenim, etfi nunc quidem nobis nullum negotium est cum Democrito, cum Anaxago- ra , cum ceteris fcepticis , qui flatuebant, in profun- do veritatem esfe demerfam, omniaqne ita tenebris circumfufa esfe , ut opinionibus et inflitutis omnia teneantur, nihil veritati relinquatur; ardua tamen res est, ad ultima renmi principia penetrare, quae fugere noflram velle intelligentiam omnemque elude- re induftriam videntur. Corporum prima elementa quis, quae et qualia fmt, detexit? Quis praecipuam iilam vim, qu corpora ad fe invicem fe trahere con* flat, aperuit? De lumine, utrum idem fit elemen- tum, qued ignis, an ab eo differat, nonne contrary's in partibus paria rationum momenta folent afferri? Quae pro primo quodam elemento, in haec usque tempo* I a DiJJertatio de Principiis Doctrinae morutn. tempora, habita fuit aqua, earn partim ex acre con* cretam esfe nuperrime contendunt Chemici. Neque minus tarda fuit induftfia noflra ad primas causfas veraque principia exquirenda , a quibus omnis pul- chritudinis fuavitas, cum in Architeftura, in Pictura, in Mufica , in ceteris artibus , quae ad oculorum vel aurium oblectationemreferuntur; tumetiam mpoefi, in Rhetorica, fimilibusque liberalioribus animi ol> leclamentis , proficifcitur. Quiii ea fere ingenii natura est hominum, ut ma- gis eifecta cernant, quam causfas; ut res fingulares, propriasque perfonas et perfonarum rerumque muta- tiones, vicisfitudines, ceteraque omnia, quse in ip* fius vitae exemplis pofita funt et quotidie occurrunt, videant potius , quam aut renmi for mas , formarum genera, rerumque principia ultima perfpiciant. Ut vero ex iis exemplis, quae in vitae communis ufu per- multa fe nobis oiFerunt, tmum modo deligamus, fed ejusmodi , quod ad noflram materiam , quam tradla- mus, propius pertinet, Si quando aliquod (ait Cice- ro) officium ex ft flit amid in periculis aut adcundh, aut communicandis 9 quis est 9 qui id non maximis eff'e* rat laudibus? Qui clamor es tot a caved nuperin ho/pi* iis et amicimei) M. Pacuvii 9 nova f abut a? cum y ignorante rcge, uter eorum esfet Orestes*, Py lades Ore- ftemfe esfe dicer et^ ut pro ilk mcarctur ^ Orefles au- 9 em it a > ut erat^ Or eft em fe esfe perfeveraret. St antes autcin Differtath de Principals Doctrinae morum. ij autem flaudcbant in re fifta: quid arbitramur in ve- rd fuisje fatturos? Facile indicabat ipfa natura vim fuam, cum homines , quodfacere ipfi non posfent , id reffe fieri in altero judkarent (Zr). At eorum, qui in cave& erant, qui fhntes admirantesque plaudebant, unum vel alterum fi quis interrogasfet de causfa tan- tae laudisetcomprobationis, ejufque honeflatis, quam adeo admiraretur , ut primum (ibi principium ac ve- luti fundamentum explicaret , quale putas ilium fpe- quoad posfumus, proxime ad illud faftigium perve- niamus, aut, quara minime ab eo abfimus. Itaque eo, quod probabilitatem habeat , principio 9 principiique tifu, quern noftra difciplina fert, contend, baud te mere earn ad mathematicorum penitus feveritatem exigamus. C^) Vid. qui pofitam ab Academii Regia Berolinenfi quae- ilionem folvens, die 2. Junii An. 1763, prsemium reportavit, Germaniae et omnis philofophiae quondaiti decus et lumen MOSES MENDELSOHN Abhandelung uber die Evident* fa Mctaphyfifchen m/enfckaften, Bert. 1764. & D. BACH. Logic. p 88. B 8 Differtatio de Principiis Do&rinae morttirii At, quae vere ita fincereque de principii, rum dodtrinam firmi validique, inveniendi difficulta- te difputavimus , ea ne in hanc fententiam accipian- tur, ut rem omnino jam defperatam putemus, atque penitus incertam et fluftuantem noflram morum di- fciplinam arbitremur. Quinimo, quae ardua funt, ea demum pulchra folent judicari, et, quod difficile est ad inveniendum, necdum a quoquam inventum est, id temere quisquam concludat, a nemine inve- niri unquam posfe. Certe dubitantibus nobis hie oc- curuntfummi viri, animumque erigunt, affirmantes, etiam moralis doclrinae principia posfe inveftigari : e quibus, ut Veterum auftoritate, quippe majore, uta- mur, unum modo CICERONEM audiamus, qui Lib. III. de offic. c. 5. monet : formulam quamdam conftituendam esfe, quam fi fequamur in comparatione rerum , db officio nunquam recedemus. Idemque Lib. V. de Fin. Bon. & Mai. c. 6. Est igttur , inquit, quo quidque refer at ur ^ ex quo, id quod ^omnes expe- tunt , beate vivendi ratio inveniri et comparari potest. Sed , ne fold audloritate , quantumvis magni, lantern rem conficere velle videamur, an nulla igi- tur Aflronomia, nulla Phyfica, nulla Chemia, vel nuila Grammatica, Rhetorica , fimilesve aliae praecla- rae difciplinae atque artes conftant? aut hae num fine ullis principiis conflant, nulloque fundamento idoneo nitun* 'XMJ/ertatio de Prindpii* Do&rinac morum* 19 flituntur? aut denique hae difciplinae fi fuis, in re et naturi! pofitis , princ.piis confiftunt , e quibus illarum egregia firmaque praecepta effiorefcant ; hac laude ca- reat , perpecuoque fludiuet fola omnium bonoruia confiliorum praeceptrix, omnium adlionum modera- trix, difciplina morum? Cujus cum munus fit, nos ad beaiam vitam ducere, canto ilia quidem cetera* philofophiae partes omnes fuperare debec , quanto beata vita generisque human! felichas reliquis rebus fluxis et caducis antecellic. Profefto nemo facile negabic, plurimum inter li* beraliratem et avaritiam , inter humanitatem et faevi- tiam , inter juftitiam et injuftitiam , inter temperan- tiam et libidincm, inter modeftiam et fuperbiam, at* que, ut qmnia uno verbo compledar, inter turpia quaevis et praeclara honeftaque facinora interesfe* Ncque enim , uci antea dicebamus , nunc cum iis no- bis res est , qui rerum bonarum ac malarum omne di- fcrimen tollunt, fed cum iis,, qui. quando id ultro di- fcrimen agnofcuiit, nobiscum mirantur, quid causfae fit. quamobrem, cum praeceptis vivendi omnes egre- gie conf^ntiant philolophi, de primis principiis inter fe pugnent, acerrimisque ftudiis digkdientur. Sunc igitur omnino alia jufta, honefla, decora, atque e contrario turpia alia, indecora, injufta; funt fane praecepta, quibus haec vetentur, ilia jubeantur ; func B & etiam 20 Differtatio de Principiis Do&rinae morurii: etiam difciplinae, quae collects illis apteque inter fe connexis praeceptis contineamur. Quocirca , cum nulla fintpraecepta, ilia quidem vera certaque , quin causfas fuas, propriaque principia habeant, a quibus proficifcantur, quae causfae principiaque fola efficiunt, ut vera firmaque posllnt ilia praecepta exiftimari; uti- que necesfe esc, ut dads praeceptis concesfaeque fe- mel difciplinae rie fua certa firmaque principia eripia- mus. At, ne verbis magis, quam re et facto, tantam rem tenere velle videamur , id in alterl hujus fcrip* tionis parte praeflare nos conabimur, CAPUT II. Num Jit necesfarlum^ ejusmodi, de quo quaeritur, principlum inveftigare? Inveniri posfe five unum, five plura (quod nunc non dijudico), prima principia, ex quibus vivendi praecepca, praeceptorumque genera omnia ducantur, 1 nimirum id praecedenti capite fatis probabiliter di- Iputasfe nobis videmur. An vero necesfarium fit, ejusmodi prima initia exquirere , id age nunc explo- remus. Atque hie ftatim ante omnia quadam opus esc di- ftinclione : nam plurimum interesfe arbicramur, utrum Dijfirtatio de Principiis Do&rinae worum. ar de vitae quotidianae ufu, an de morum doctrinal quaera- tur : qua adhibit^ diftinguendi diligeruift, faciliorem no- bis ccrtioremque refpondendi viam aperuisfe videmur. Quod igitur primum ad vitam communem attinet, ad earn quaeritur, an primi cujusdam et ex interiori philofophia dufti principii, vel etiam principiorum in- veftigatio prorfus necesfdiia fit? Quod nos quidcm audafter ac fine ullo erroris mem vel remeritatis ulla fafpicione defendimus e^fe negandum. Profedlo mulca conftat op r ficiorum genera esfe , multrsque artes cum fabriles, quae dicuntur, turn alias, quarum major laus esc, et quae propterea liberates vocantur, quo genere Picluram, Sculpturam , Sratuariam , Poe?- jSn, Oratoriam, Muficam, ac permukas fimiles cenfe- mus : quas omnes ingenii human! eximia quaedam vis peperit ac praeftantia. At, quis 9 obfecro, eo un- quamdevenitlevitatis, tit iiullum flatueret operarium, pullum fabrum, nullum opificem denique 9 fuum posfe fi- ve opificium, fiveartificium, fiveartemcueri 3 nifiisnon modo praecepta vulgaria teneat artis fuae, fed ea quo- que praecepta, five exuno, five expaucis quibusdam principiis, primisque elementis et axiomatibus, cer- to ordine, ad machemadcorum confuerudinem, pos- fit efficere , efFe claque demonilrare ? Agricola, qui arat arva et conferit, qui plamas, flirpes, vites cir- gumcidit, amputat, erigit, extollit v adminiculatur, B 3 eaque aa DiJJertatio de Principiis Do&rinae tnorum. elque in re opportunas anni tempeftates fervat , is, quaefo, num agricukurae prima initia, a?que axiomata magnopere curet? Qui quotidie per maria naviganc tiautae, ii non posfint navium curfum regere, rnfi nau- ticaeardspraecep-a ex uno principle, con:inua^a ferie, repetere qtieant? EC, fi quis forte de arte navuici dubiter, nonne diu ante, quam de arte Poetica prae* ceperat Ariftoteles, Hom^rus Iliadem fcripfit? Et Pinda-us, Theocritus, Virgilius, Horatius (quam- quam hie etiam artis fuae praecepta dedit) illi igitur exirnii poetae, quando immoi talia fua carmina ex prae- claris ac paene divinij ingen : is fuis expromebant, de primo artis poeticae principle valde laborabant? Ne- que Phidias, quando Jo vem Olympium aut Miner- vam efficiebat , neque^Piaxitelts, quando fuum Cu* pidinem , neque Apelles , cum pingebat venerem, neque alii profe&o celebres piclores et ftatuarii, praeclaros incredibilis ingenii foetus proferentes, artis fuae prima initia, primasque causfas omnis pulchritu- dinis cogitarunt. Nihil experience rerumque ufui magis repngnat. Artifices fane diu eos, qui tinquam de artibus praecipiebant, antecesferunt : ut ex prae- claris artificum operibus potius collefta praecepta principlaque et arte*s omnes fumtae, quam ex his ilia nata videantur. Cum in omni genere , inquit CICERO Lib. III. de Orttt. c 50. turn in hoc ipfo> fcilicct in arte dicendi, tnagna quaedam est vis in- crctti* Diljertatio tie Principiis De&rinste morum. 23 eredibtlisque naturae. Omnes cnim tacito quodam fenfu, fine ulld arte aut ratione, quae funt in arti* bus ac rationibus re ft a ac prava, dijudicant. Et in J3rutoc.2,(). deScauro: Habebat hoc a naturd, quod A doctrindnon facile posfet (/). Itaque dum de pulchri- tudinis causfis ac primis principiis inter fe litigabant philofophi, vel diu an tea etiam, eximii quique artifi- ces exquifitae venuflatis et elegantiae pulcherrima fpe- cimina ediderunt: neque minus , dum de fummo bo- no, ejusque definiendi inveniendique ratione inter fe acerrimis ftudiis dimicabant eruditi, ab omnis aevi memoria, apud rudes etiam et incultos populos cum privati fuerunt homines, qui beate viverent, turn etiam praeftantisfimi exftiterunt heroes, qui magni- tudinis animi et conflantiae, virtutumque omnium infignia indicia darent : atque in ipfius auftralis ma- ris infulis cum Co OKI us, turn alii, navigando tellurisque igriotas oras adeundo celebres viri, ru- des et agreftes gentes repererunt , quae benevolen- ti^, humanitate, liberalitate, fortitudine et contem- tu mortis, cultos dodlosque Europae populos facile aut aequabant, aut fuperabant, /) Confer. CICERO De or at. Lib. I c. 32. & in Bru* c. 50 54, B4 &4 DiJJertatio de Principih Doctrinae morum* Nimirum a doftorum hominum argutiis, a ratio* nis, quae faepe tardior est, conclufionibus haec rerum iiniverfitas, ejusque ordo ac confervatio pendere non debuit. Quocirca , ut quaeque officia inprimis ad hominum falutem necesfaria funt , ut maxime iis confervari ac florere genus humanum debet, ita iis plurimum fuavitatis fapienter adjunxit fummus rer rum omnium opifex eteffedlor., Deus. Non est, quod hie in fame ac fiti depellenda jucunditatem, quod conjugalis amoris fuavitatem , quod caritatis er- ga prolem ac benevolentiae omnis gratiffimum fenfum eommemoremus : ut propemodum hac in re Epicu- JTO affentiamur, qui omnes virtutes ita copulatas eflfe cenfebat cum voluptate, ut ab hac nee divelli nee di- ftrahi illae poflent (nT). Quemadmodum in Statuaria, in Poefi, ceterisque artibus, de quibus diximus, ita in ( vita inftituenda homo duces habet fenfus^ five inftinc* tus, five, quemadmodum CICERO voeat, primas vh> tutum fcintillas et notitias, quae ufu vitae et longa ac multiplied rerum experientia, turn etiam honefto- rum hominum exemplis intuendis, et praedarisfadtis admirandis, audlae ac firmat^e ad bonas, juilas, ha- aeftas a&iones exhortantur ? et ab injuftitiae omnis- (?) CICEHO Lib. I. De Finib. c. Differtatio de Prmcipiis DoElnnae fnontm* 25 que pravitatis turpitudine revocant () Quae qui- dem virtutum notidae, ab ipfa natur& hominum ani- mis infitae infixaeque , nifi perverfa" educatione ac peffimorum exemplorum pravitate opprimantur, nifi praefentium voluptatum blanditiis debilitentur acper- vertantur, ita eos movent comprobatione honeftatis ac turpitudinis odio , ut CICERO nou modo difpu- tet Lib. II. De Finfy. cap. 14. honeftum quale fit* non tarn definitione, qua>ufus esfet , intelllgi posfe, (quamquam allquantum potesf) quam communi om- nium judlcio et optimis cujusque ftudiis at que faftis: ac porro cap. 34. adnjoueat 9 in animis humanis inesf& . (ti) Vid. LEIBNITZ Nouv. Effai fur PEntendem. hum. Liv. L ch. 2. pag. 48 & 49. & Liv. II. ch. 21. pag. 166* ubi : ^Ilest vrai, que, graces a Dieu, dans ce qui importe ,,le plus, & qui regarde fummam rerum , le bonheur & la w mifere; on n'a pas b^foin cje tant de connoisfances, d'aides p & d'addresfes , qu'il en faudroit avoir pour bien juger dans ,,un confeil d'etat, ou de guerre,- dans un tribunal de juftice; w dans une confutation de medicine; dans quelque controverfe w de Theologie, ou d'hiftoire; ou dans quelque point de Ma ^thematique & de m^chanique; rnais en recompenfe il faut ? , plus de fermet^ & d'hab'tude , dans ce q\ii regarde ce grand point de la felicite* & de la vertu, pour prendre toujours des bonnes refolutions, & pour les fuivre. En un mot, pour ^le vrai bonheur moins de connoiflance fuffit avec plus de bonne volonte': de forfe, que le plus grand idiot y peut par- venir auffi aifement, que le plus dode & le plus habile.** &6 Dijfirtatio de Principiis Doftrinae inesfe moderator em cupiditatis pudorem ; inesfe a& humanam focietatem juftitiae fi 'dam cuftodiam; in- esfe in perpetlendis laboribus adeundisque pericu- Us firmam et ftabilem dolorls mortisque contemtio- nem : Sed etiarn De Amic. c. 2,6. animadvertat : n&- minem impiorum tarn audacem fuisfe , quin aut ab* nueret a fe commisfum esfe f acinus , am justifui do~ lor is causfam aliquant finger et , defenftonemque faci* noris a naturae aliquo jure quaereret. O magna vis veritatis, quae contra hominum ingenia, calliditatem, folertiam facile fe per fe ipfam defendat ! At de hoc fenfu, qni moralis dicitur, deinceps plura disputare necefie erit. Ex dictis igittir non temere nobis id videmur cfficere ^ ad hanc vitam communem regendam ? prima ilia atque univerfalia principia non om- nino requiri , rnultoque minus unum principiura efle neceflarium, ex quo homines, connexione ratio- num, et argumentorum aliorum ex aliis confequen- tium conclufione , ad imitationem mathematicorum, officiorum ea tandem praecepta repetant , quibus vi^ tam quotidianam gnbernent. Atque haec de neceffi- tate : nam locum de principiorum ac doclrinae om- nis utiiitate, in virae quoque communis ufu, fequente capite demum explicandi caufla erit et opportunni- At 'Differtatio de Principiis Doctrinat fnorum. +,? At nunc altera venit , mtilto ilia quidem gravior quaeftio, num ad efficiendam morum difciplinam et quaii artem conftituendam , quae vivendi praecepta rationequadamconftrin^at et legiiima conclufionum feriecompledlatur, omnino ejusmodi, de quo difpu* tavimus, principium neceffarium fit? Atque hie quidem praeter Empiricos, quibus for- tafle ufus quidam artis tribui potent (o), ars ipfa non potest, nemo esc quin ultro cor.cedat, nullam artem, nullam fcientiam, nullam dodlrjnam effe, quincertis principiis ac fundamentis fulciatur : at vero , ad quamque difciplinam vel artem tinum folum omnino principium primum esle necesfarium, id nullam caus- fam video, cur mihi quisquam extorqueat. Itaque necesfe cst, ut alterutrum vincam, aut ex artium numero tollendas esfe omnes, quarum plura uno principia reperiantur; aut causfam esfe afFeren- dam, cur, contra quam ceterarum fert artium ratio, morum doclrina ab uno tantum principio posfit ac debeat exfiftere : quorum pofterius probare nemo potuit; prius vero totum abhorret a veritate, id quod ftatim probabimus : igitur verum non est, unum (0 Confer. S. Mus GRAVE vir de Graecis Latini.que litteris prneclare meritus, in Apokgid pro Medidna Empiricd* quam magno Albino dedicayit: Lugdun. Batav. 1763. Q& Dijfcrtatio de Principih Dottrinae mowm* unum omnino principium ad noftram doctrinam fun- dandam efle neceflarium. Profefto, quaenam ilia difciplina est, cujus prae- cepta omnia ab uno folo principle nafcantur ? Geo metria ipfa , quae prae reliquis ab evidentia et firmi- tate laudatur, nonne plura axiomata probat? Qui de Agricultura, de Phyfica, de Grammatica fcripfe- runt viri dofti, num ab uno finguli principio funt exorfi ? Non dialeftice modo , fed etiam oratorie differendi praecepta cum Ariftoteles , turn Theo phraftus tradiderunt : fed hi an ab uno tantum prin- cipio prefect! funt? Quodnam, quaefo, unum illud principium est, a quo CICERO in tdbus libris dt cratore praeclaram illam doftrinam oratoriam om- nem duxit? Neque fane tali principle, cujus unius famine omnem gravis et fublimis orationis vim et cauffam tain praeclare aperiret, ufus est Longinus, Medicina an tota ab uno jnitio ac principe veritate una omnis fluxit? Num unum modo primum quod dam enunciatum aut Hippocrates , aut Galenus ad- hibuit f a quo fua quisque decreta f fuas admo- njtiones totamque difciplinam petcret ? Quin , qui unius principii necelfitatem ad morum con^ flituendam difciplinam tanto opere jaftarunt philofophi , idque fe inveniiTe , exfultantes lae- titii , fibi perfuaferunt 9 ejusgue veluti ''Diflertatio de Principiis Doftrinae tnorurto. 29 fundament! ope et praefidio legum naturalium to- tam aedificare difciplinam funt aggreffi , eos ipfos, precor, intueamur: quos fane conftat, praeter adeo laudatum fuum principium , fere omnes alia fubinde initia et ex fuo principle non effecta praecepta ad- hibere ad amplificandam ftabiliendamque fuam mo- rum difciplinam, Atque haec quidem fufficiant ad profligandum errorem eorum , qui unius principii nobis temere obtrudunt necefficatem : ceterum non obfcurum est^ nee ullas alias artes, nee praeclaram morum dodlri- nam, vitae magiflram , boni, jufti et aequi praecep- tricem, fine certis principiis, veluti cauffis, unde vis praeceptorum et veritas oriatur, poffi confiftere* Omnino, quam operam intelligentiae noflra Lo- gica praeflat , eandem voluntati , praeftat dodrina morum. Ilia quidem regulas defcribit aptas ad in- telligentiam regendam in perveftigando judicando- quevero: Haec fimiliter decreta expromit, ad vo- luntatem, in deligendo bono , juflo, honefto, vi- tandoque male 5 injufto, omniqne vitiorum dedeco- re, gubernandam accommodatiffima. Quocirca, uti Logica neceifario prima quaedam elementa re- quirit, a quibus ordiatur fuaque praecepta ducat; ita Ethica, C4 UO verbo hie univerfam philofophiam moralem compleftor) prorfus ftbi poilulat prima prin- go Dijfirtatio de Principiis Dottrinae moruml principia , a quibus proxima quaeque decreta ducat, atque ex bis iterum alia efficiat vivendi praccepta, donee, quae quaeritur morum difciplina, ea tota ef- fljrefcat ac peniius conftituatur. Tandem, quema imodumLogicusartis fuae prin- cipia in natura* hominis, in ejus animo, animique parte inprimis intelligence , five in mentis viribul et facultatibus quaerit , indagat , perveftigat ; fie Ethicus (imilicer in natura humana, in hominis ani- mo, cum univerfo, tuiji in ejus parte maxime appe- tenrefive voluntate, ejusmodi prima initia, primal notitias , primaque praecepta exquirit , e quibus, quae ad viiam recle inftituendam virtutumque om- nium excellentiam apta fit moralis doftrina , ilia quidemperfpicua, vera et firma, efficiatur. Cujus- modi principia, ex ipfa natura , veluti ex fonte, haufta, qualia fint, nos in aher hujus fcriptionis parte inveftigabimus. C A P U T III. Num tttilc fit , de quo quaeritur , primum at qua vniverfale .prlnclplum , vet quaedam ejusmodi principia inveftigare? Quo brevius huic quaeflionis parti, quae deprin cipii utilitate vult exponi , refpondeamus, id nunc efficitur Dijfirtutio fa Principiis Doctrinae tnorum. 31 efficitur iis , quae copiofius jam praecedenti capita de ejus neceffitate difputavimus. Etenim, quod pri- mo ad vitae quotidianae ufum attinet , non quidem, qualia in fcholis tradantur, principia, omnino ne- ceflaria efle, defendipius; at vero , ad vitae quoque communis curfum tutius regendum, officiorum quae- dam cognitio requiritur: quae quo certior est, ea melius, quid in omni vitae munere nobis aut facien- dum aut omittendum fit, tenemus; eoque conilan* tius erit propofitum fie adhaerefcendi honeftati vir* tutumque omnium decretis , ut ab iis nullae nos fal- farum voluptatum illecebrae divellant , nullaeque Hos vitiorum blanditiae vincant aut' debilitent. Quocirca , cum ex principiis , veris illis , perlpicuis ct certis , ipfa certior legum naturalium cognitio exoriatur, de horum principiorum vi atque utilita* te ad tutius quoque dirigendam vitam communem non potest dubitari. Atque hie etiam ipfe ille Cele- bris locus est de theoriae et praxios con j unction e, ejusque conjunctionis laude omnique militate, quern ne pluribus tradlem, propofiti noflri prohibet ratio. Hoc unum monuiffe fatis est, in vita faepe ejusmodi incidere tempora, ut, quid oflScii poflulet ratio , paribus rationum momentis videatur utrim- que poffe difputari. Quod cum ufu venerit, necefTe st profedlo, a vera certaque docl:rina ? quae fine prin- 3 a DiJJertatio dt Principiis Doftrinat morum< principiis nulla es,t, opem petere dubiaeque cauflae quaerere dijudicationerru Quod vero riunc ad principiorum vim atque uti- litatera, ut inveniatur et ftabiliatur firma quaedam morum difciplina, pertinet; eorum cum plane ad omnem certam doftrinam necefiitas praecedenti ca- pite fit probata, profe&o utilitas perindedebetpro- bata videri. Oninino, fi utilia ad difciplinas quales- cumque ea omnia funt judicanda, quae ad majoris perfpicuitatis atque evidentiae lumen praecepto- rumque copiam et firmitatem profmt; atque fi has laudes nobis certa demum principia praeflent; prin* cipiorum quidem, a quibus tot et tanta bona dima- nant, utilitatem nemo certe est, qui poffit inficiari, Atque his omnibus de inveftigandi principii pri- mi atque univerfalis ratione 9 neceffitate atque uti- litate fie difputatis ; priori quaeftionis parti omni nunc ita refponderi pofle atque etiam oportere exi- ftimamus: Omnino rationi confentaneum est, ejusmodi indagare principium , five principia prima , atque ,, univerfalia, quae fundamenta fint moralis obliga- tionis omnis , et ex quibus magis propria et pe- 9 , culiaria officiorum genera ducantur." Idem- 'Dijfirtatio dt Principiis Do&rinae tnorum* 33 Ide.mque porro ad communem vitam quidem a , minus, fed ad morum doftrinam prorfus est ne ceflarium : ut tamen non necefle fie , unum tan* turn ejusmodi principium exquirere et probare.'* Ceterum, quae aequitatis, juftitiae, hone- J, ftatis, virtutumque omnium, omnisque moralis obligationis initia fint, eoi um perveftigatio, cum ad vitae communis ufum, turn ad dodlrinae mo- ralis peripicuitatem , firmitatem , iplendorem, 99 decus et omnem praeftaatiani inprimis wtilis est g , ac peregregia.'* C PARS 34 Differtatio de Principiis Doftrinae mtuml PARS ALT ERA. QUODNAM ILLUD PRINCIPIUM 5 VEL QUAENAM ILLA PRINCIPIA SINT, QUAE PRO PRIMIS ATQUtt XJNIVERSALIBUS CAUSSIS, AC PRO CERTO FONTB POSSINT HABERI, UNDE VIS OMNIS OB- LIGATIONIS OFFICIORUMQUE GENE- RA OMNIA DUCANTUR. C A P U T I. De principiis doftrinae moralis univerfe. is difputationis noilrae, in priori parte hu- jus fcriptionis, haec fuit conclufio, hie exitus : Rationi non repugnare, fed in primis con- ? , fentire , ejusmodi invefligare five unum , five plura quaedam principia , prima atque uaiverfa- 3 , lia, ^ quibus omnia genera officiorum et peculia- res formae poffint repeti : Eamque perveftigatio- 5, nem non quidem ad communis vitae ufum ne-/ ,5 ceflariam efle ; fed ad doftrinae firmitatem ac 5, praeftantiain effe omnino : Ad utramque vero, cum vitam quotidianam, turn doftrinam , effe hanc indagationem utilem, atque inprimis fruc- ,, tuofam." Ita Differtatio fa Principiis Doftrinae morum. 35 Itaplacuit, aliis paullum verbis , eandem prio* fis quaefHonis folutionem proponere. Sed hujus quidem ratioriis ac demonftrationis ut aliquis fructus percipiatur, neceffe est profecto, ut nunc alter! po- fitae quaeftionis parti refpondeamus , ec quodnam tandem iilud principium , vel quaenam ilia principia fiat, oftendamus, quorum cum ad doftrinam neces- fitas, turn ad vitam eommunem tutius regendam doftrinamque morum firmius ftabiliendam utilitas tanta fit , quantam effe nos efFecimus. Hanc igitur fafcepti muneris partem an fimiliter poffimus exple- re, id age nunc experiamur- Atque hie primum error quidam univerfe toljendus est. Suntenim, quimorqpidoftrinam, nonafenfu 3 fed a ratione moneant repetendam efle : quod fi refte intelligatur, bene monent, fi perperam, male. Nam primum, principiorum, quae proprie ita vocentur, ea vis et natura est, ut a ratione, quae fimiliter fie proprie dicatur , non pendeant. Etenjjn, quod ra- tio docet, ita docet, ut, cur illud fit ejusmodi* cauflam aperire poffit. At principia fere funt ini- tia, funtprimae notitiae, funt veritates fimplices^ ultra quas adfcendere non posfumus , quarum igitur ulterior nulla ratio reddi potest. Quod vero ejus- modi principia et axiomata] omnino infunt in mente noftr^ ac percipiuntur intelligent!^ , id non ratio ^ C a fed 36 Dijfirtatio de Principiis Do&rtnae fed fuus quemque fenfus interior docet , quampri- mum ad fe ipfe redeat, in naturam fuam intret, fuas- que cogitationes ad animum fuum diligentius contem- plandum intendat (/>) Attamen omnino morum doctrina rationem duccm fequitur : est enim una ra- tio , quae ab illis pVincipiis et axiomatibus lumen fuum accendit, et inde praecepta repetens, aliaque ex aliis efficiens , eximiam morum difciplinam park. Neque fecus geoitietria progreditur, quippe quae non. a ratione ducit axiomata fua, fed a cujusque fenfu in- teriori atque intelligentia : ut, qui axiomata negent, non iis ratione ftudeant axiomata perfuadere Geome- trae, fed moneant folummodo , ut interiores anitni fui fenfus ac recesfus ipfi explorent :' et , qui ne fie quidem ea percipiant r hos e fcholis fuis ad operas rufticas, ad opificia, fimilesve corporis labores di- mittant. At femel perceptis, agnitis, et concesfis principiis et axiomatibus 5 adhibent rationem Geo- metrae, ejusque ope et auxilio pulcherrimam di- fciplinam fuam totam conftituunt. Atque hoc ita errore disfoluto, nunc reliqua per- lequamur. Eorum Vid. infra Cap. III. verba Roflaldi , laudata in not* Diflertatio de Principiis Dottrwae morunf. 57 Eorum fane, qui in inveniendis.excoghandisque moralisdifciplinaeprincipiis elaborarunt, laudandain- duftria est, quod, quae ad ejusmodi principiorum vim necesfaria fint aut videantur, ea enumerent an- tea ac definiant. Itaque poftulant fere omnes, ut principia fint prima, ^vera ? evidentia et perfpicua, certa et firma, univerfalia quoque, nee non , ut fint principia cognofcendi , quae vocant , id est , ex qui- bus cognofci omnia officiorum genera posfint : ac plerique etiam ita fibi perfuadent , unum tantum , a quo omnia naturae decreta vitaeque praecepta fluant, oportere principium conflitui (^). Atque has qui- dem principiorum , ex quibus moralis doftrina efflo* refcat, plerasque notas, non est, cur valde repre- hendamus : de unius tamen principii neceffitate er- rorem fupra disfolvisfe nobis videmur. Quod vero cognofcendi monent principium requiri, id est, quod ad cognofcenda vitae praecepta valeat, id illi quidem rede monent; fed fortasfe ejusmodi est, ut, nifi paullum explicetur, non bene intelligatur ; et nifi be- ne intelligatur, in errores inducat , multisque jam ei> yandi causfam fuisfe, fufpicemur, Etenim Vid. ex mulds unus HEINECCIUS &e jur* Nat, ** Lib. I. c. 3. . 67, et feqq. 3 8 Diflertatio de Principles Doffrinae moruffll Etenim principium cognosfcndi nos primo non ij lud probamus, fine cujus adjumento ac fubtiliori ra- tione , in .communi vita , quid bonum , aequum , ju- ftum fit, nemo posfit flatuere: quod fecus esfe fu- pra Parte I. c. 2. apparuit. Deinde nos ne ad di- fciplinam quidem morum tale cenfemus principium aut poftulari aut inveniri posfe , ad quod, veluti au- rum ad lapidem Lydium, ita occurrentes causfae om- liesque aftiones fmgulares, flatim fine aliarum notio- num ac praeceptorum inter je<5lorum adjumento, pos- fint explorari, et, quales fint, judicari. Profefto fi hanc principiorum naturam ac vim es- Feoporteat, vereor, ut ulla doclrina fit , quae fua principia retineat: et quae causfa potest esfe , cur, quam laiidem fibi ne Geometria quidem vindicat, earn ad morum doftrinam requiramus ? Neque enim ejusmodi funt Geom-etriae axiomata, ut eorum vi fo- 1^ fine aliis , exinde effeftis antea demonflratisque praeceptis , quisque (ut hoc exemplum afFeram) praeclari Pythagorei Theorematis necesfitatem ac praeflantiam, nimirum quadratum hypothenufae ae- quale esfe quadratis cathetorum, continue perfpi- ciat. Num aut Aftronomiae , aut Phyficae , aut Chemiae, aut Logicae, aut Oratoriae, aut Medici- nae , aut ullius artis ac difciplinae principia earn lau- 4em et efficaciam habent ? Neque hie quisquam mi- hi occurrat, qui de ceteris hoc difciplinis agfentiatur, fed DiJJertatio de Principiis Doftrinae morutn. fed moralis doclrinae objiciat diverfam rationem es* fa, propterea quod ejus praecepta omniulii homi- num patere intelligentiae debeant : Nam patent oni- nino, cuireiprofpexit;Divini Numinis fapientia ^ feji fine dodlrinae fubtilioris praefidio patent, in vitaqui- dem communi , quod antea vidimus. In arte yero ac fcientia fatis est , ea habere principia , ex quibus proxima tan turn praecepta, ex his vero alia rurfus fie efficiantur, ut primis media, mediis extrema, om- nibus omnia refpondeant. Ita fit, ut, quicumque in- genii vires in earn rein conferat , omnium officiorum genera et formas intelligere, quidque in fingularibus rebus et cauffis aequitati , juftitiae , honeftati confen- taneum fit, poifit cognofcere f Atque error ille fortasfe posfet apertior videri, quam ut opus esfet tanta refellendi diligentia , nift conftaret, ilium ipfum errorem aliquando philofo- phis fraudi fuisfe, ut partim ejusmodi exigerent prin- cipia, quae omnium difciplinarum naturae repugna- rent , humanique ingenii longe fuperarent imbecilli- tatem; partim, quod reperiri talia non posfent, qua- lia temere fingebant , omnia faftidiofe rejicerent. Omnino ex difputatis apparuit, quamvis evidentisfi- mum principium ponatur , et (quod volunt) unicui- que ex rudi et impend plebe perfpicuum 9 ex e tamen plebe neminem ab illo principio, uno veluti C 4 faltu^ 4& DIJJertatio de Principiis Do&rinae morUml falcu, ad quaevis officiorum posfe praecepta tranfi- re; fed ad dodlrinae vim ac rationem fie demum ilia principia proficere , fi, quae interjedhe ideae, quae- que media praecepta 9 cum principiis extrema con- jungunt , ea percurrere noftra mens et complecti omnia poffit. Praeterea in conftituendo principio cognofcendi, quod vocant, haec etiam permagra nonnullorum fal- lacia est ac magnus error, quod ejusmodi principia reqiiirant , quae non aftionum modo virtutem , vim ac praeftantiam moralem , fed etiam utilitatem, quae, per fe Tola fpectata, vismagis phyfica est, doceant at- que aperiant. Etenim, quemadmodiim Medicina ad morbum aliquem depellendum nonnunquam adftrin- gentia praecipit, fed, quaenam fint illae herbae, ra- dices, cortices, olera, quae earn vim habeant, id alia dodlrina , five Chemia five Pharmacia itatuit; fimiliter univerfe , verbi gratia , ingenii cultum et doclrinas laudat et commendat Ethica ; quid vero ad earn rem utile fit, Logicae dijudicandum relin- quit. Docet etiam univerfe Ethica, quid fit avari- tia, quid parcimonia, et hanc explicat esfe providen- tiamejus, qui curet^ ne fibi necesfaria vitae adju- menta defint; illam esfe nimiam follicitudinem mole- ftiamque ejus , qui fibi fupeiflua cumulet; hanc ve- tat, illam laudat: neque tamen de Chremetis aut Micio- Eiffertatio de Princtptis Doftrinae morum. 41 1 Micionjs ilatuit neccffitatibus , divitiarumque modo, neque adeo ilium avarum , hunc parcum ac bonae frugis hominem judicat. Ac fimiliter, quamquair* univerfe commendat ingenii cultum ornatumque doctrinae, nihil tamen pronunciat, num utile fuerit Chercae, deferta mercatud , litteris fe totum trade- re; vel, an Pamphili tanta vis fit ingenii, ut fatius fuerit, philofophiam eum, quam aliud quodvis, five artificium , five opificium doceri, Nimirum haec omnia in re, in facTio, in efFedlu pofita flint, de qui- bus peculiariter nullae difciplinae exiftiniare pos- Cunt. C A P U T II. De nonnullh principle dc&rinae moralis 9 'quctt prae ceteris laudata funt. *+. De principiis j a quibus morum praecepta orian- tur, ac praeceptorum jufta quaedam comprehenfio et difciplina exiftat , magna inter erudites varietas est ac fumma disfenfio : quorum omnium opiniones, magnam partem jam explofas et ejeclas, ne hie om- nes recenfeam , cum taedium facit , quod hie labor habeat, turn laboris ejus inutilitas, turn obfcuritas nonnullorum auclorum ? quorum nomina jam obruit C 5 obli- 42 Dijfirtatio de Principiis Do&rinae mortim'. oblivio; turn inprimis focietatis HoHandicae auclori- tas, quae diferte, quae ad rem nonpertinerent, vo- luit praetermitti. Id vero omnino ad rem pertinere videtur ; primum , ut omnes de doctrinae moralis principiis opinioncs univerfe ad duo genera revoce- mus : deinde , ut peculiares nonnullas fententias , quae vel praecipua quadam laude excellant , vel au- ftorum fama nobilitatae fmt ? panels expendamus. Primum igitur omnium philofophorum omnes de noftro argumento fententias univerfe ad duo genera refero. Nam, alii hanc rationem fequuntur, ut a fui amore , a propriae f elicitatis fludio ? quo incenfi funt homines, omnium officiorum repetere praecep- ta, totamque difciplinam efficere inftituant. In hac fchola jam olim fuerunt Ariflippus , quique eum fe- quebantur Cyrenaici omnes, atque etiam Epicurus; qui omnia ad voluptatem five corporis, five etiam animi referebant ; qui, quae fine voluptate propria- que utilitate magnifice laudetur honeftas, non nifi gloriofum in vulgus nomen esfe ftatuebant ; non ve* ram vitae regulam, non normam agendi, non prae- ceptionem naturae. Ad hos proxime accedunt no- ftrae aetatis philofophi , qui fui amorem , qui felici- tatis curam 3 qui , quod cuique bonum fit , quod unumquemque perficiat , id praecipiunt , et veluti priricipemlegem, ad quam tota,vita regatur, corn- men- DiJJertatio de Principih Doftrinae morum. 43 mendant. Contra vero alii communem potius utili- tatem, univerforum falutem ac totius generis huma- ni tutelann atque incolumitatem fpectant, ad quam omnia vivendi corifilia morumque praecepta putant oportere referrL Hujusmodi fuit olim inprimis ra- tio Stoicorum, quorum de hac re praeceptio fere hue redit: univerfum genus humanum quafi unam maxi- mam civitatem esfe, ad cujus falutem docebant om- nia noilra confilia ? omnia, quae moliamur, quaeque geramus , conferenda csfe ; atque inprimis ordinem commendabant et rerum convenientiam (r) f Cum hac dodtrinae ratione hodie fere confentiunt illi phi- lofophi, qui aut a fenfu morali, aut ab ,hujus rerum univerfitatis ordine atque harmonia, tanquam prin- cipe atque univerfali lege, omnes peculiares naturae leges ac propria oificia repetunt, - Ac prioris quidem cum veteris, turn recentioris fcholae ratio hanc ruinam habet, ut non univerfam naturam humanam complecli, fed ejus panem modo fpedare videatur , atque omnia ad fui amorem , ad cujusque hominis propriam felicitatem referre : cujus ftudium etfi valde naturale est ac laudabile etiam (^) , ex . CICERONIS liber III. De Finib. Bon. et Mai. (s) Vid. Esfai fur le bonheur, conjidert comme un principc moral. Dans les Memoir, de !'Acad Roy. de Berlin. Tom, VII. 44 DiJJertatfa de Principiis Doffirinac monim* x eo tamen difficile est omnk officiorum praecepta,' quae in omni vitae munere fervanda fint, efficere. Itaque hi philofophi , quamprimutn ad eas vitae et officiorum partes perventum est , ut praeclare fecisfe Regulum, Decium, Coclitem et alios fimiles heroes, oporteat difputari, atque univerfe oftendi, commu-. nem falutem fupremam legem esfe, pro qua unum- quemque vitani fummis periculis ac morti quoque oporteat objicere; (latim ofFendunt, haerent, et vel ingenue fuae rationis labem et anguftias agnofcunt, vel ita torquent vexantque ingenium, ad hujnsmodi etiam officiorum neceffitatem, qualicumque tandem modo, ex propriae felicitatis ftudio efficiendam, ut propemodum in vocibus occupati inanes fonos funde- re videantur. At cautis prudentibusque non facile illi perfuadent. Nam quod ad animi noftri immor- talitatem confugiunt , omnino fie cupide arripiunt id, quod per fe veriffimum est, fed, quod Codro, Regulo, Deciis, qui pro patrM fe devoverunt, et telis hoftium certaeque morti obtulerunt , perfuafum propofitumque fuisfe, fane difficile est probare. Et, fi vel maxime valeat 5 quod nonnulli refpondent 9 ignominiae et contemtus metu commotum Regulum fuisfe, VII. cujiis fcriptionis auftor esfe fertur Fridericus Magnii5, Ilex Borufliae. Vid. etiam. Tom. XIX. Differtatio fa Principiis Do&rinae morum'. 4$ fiiisfe , nulla tamen facile propria utilitas , quae Co- drum ac permultos alios moverit, potest excogitari. Atque haec res alteram philofophorum fcholam movet, ut , fi ad propriam utilitatem cujusque et fe- licitatem officiorum praecepta referuntur, metuanr, ne nulla amplius virtus fuperfit , fed fallax modo imitatio fimulatioque virtutis, oranisque honeftas, ac praeclarorum facinorum decus et excellentia tolla- tur (*). Quapropter hi potius communem omnium falutem , atque tmiverfitatis rerum humanique prae- fertim generis confervationem ac tutelam urgent. At vero hi i quidern Charybdin vitarunt , nee fa- ds tamen ScyMtn caverunt. Primum enim , non modo extra naturam humanam morum prima vi- dentur initia praeceptaque quaerere, fed ejus naturae 'penifus oblivifci, quae inprimis fui confer vatrix est, et fui amore , uno omnium ardentisfimo , ducitur. Deinde natura ita confuluit mundo morali , ut ,, quae faftu esfent maxime necesfaria , ad ea facienda inge- neraret homini effica^isfima momenta , invitamenta, et quafi iftus , fine quibus haud^magis homo mo veri ad (/) ^Tum autetn, qui non ipfo honefto movemur,, ut boni w Yiri fimus , fed militate aliqu^ atque fruflu, calliAi fumus, w non boni. Nam quid faciet is homo in teuebris v&c" CICER. De Legg. I. 14. 46 Dijfirtaiio de Principiis Dottritm moruml ad agendum potest, quam navis, nullo impeUente vento, procedere. Itaque, qui hujus rerum univer- fitatis live ordinem , five harmoniam , tanquam pri- mam Vivendi officiorumque normam laudanc , idque exigunt, ut univerfornm nos felicitati commodisque totos tradamus ae devoveamus, atque etiam, fi ille ordo et harmonia id poilulet , fortiter moriamur, omni noflrd propria falute posthabita rejedlaque; ii non a natura petere legum naturalium difciplinam, fed naturam illam deferere adeo atque contemnere videntur, Quemadfflodum dixitnus, non omnia, quae quan- doque a viris dodlis excogitata funt , morum princi- pia hie enarrare aut vacat, aut libet. Stint enim per- multaita levia, ita mania, ut dormientium fomnia, non philofophorum judicia videantur. At diifitendum non est , nonnulla digna esfej quae paucis exploremus, nimirum, cum alia quae- dam, turn in primis ea, quorum in ipfa quaeflione fit commemoratio : quae res etiam hanc utilitatem praeftabit, ut breviter doceatur, quid in hac gravis* flma re profecerit jam fortasfe difciplina morum, et quid adhuc perficiendum fuperfit, Atque haec nonnullorurii principia ac fundamen- ta doftrinae moralis quamprimurn intuemur , appa- ret, Dijfirtatio de Principiis Doftrinae morum. 47 ret, non ea idcirco admodum reprehendenda esfe, quod omnino fallaciam ac repugnantiam habeant, fed quod non tantum lumen afFerant, quantum nos ad certain firmamque officiorum intelligentiam o'm- nisque honeftatis cognitionem adducat. Nam, qui vel yoluntati divinae monent oledien- dum esfe, vel Deifinibus obtemperandum, vel fludiofe nojtri perfeffiionem esfe quaerendam , vel id conan- dum, ut r quaecumque agamus, ea hujus rerum uni* verfitatis ordini confentiant ; nae! illi nihil praecipiunt, quod admodum veritati repugnet* Quis enim fanus est homo, quin, fi talia cogitet, continuo ea fui of- ficii esfe, ultro profiteatur? Sed ubi nunc nota, certa ilia quidem et aperta, est^ qua quid Deus ve- lit, quid illi Ordini, quid Harmoniae, quid Divinis finibus aut confentiat, aut adverfetur, nos cognofca- mus? Adeo, qui ad cognofcendum inprimis opor- tere principium valere monuerunt, illi fuae flatim ipfi admonitionis funt obliti ! Et nos humunciones, qui vix minimum pundlum hujus vaflisfimae rerum univerfitatis occupamus , an tarn immenfae nos mag- nitudinis ordinem atque harmoniam , an fines , quos fibi propofuit fapientisfimus Deus, aut quid illis fi- nibus profit vel repugnet , noflrae mentis angufliis< compleftemur ? Neque, qui hanc principem legem ac veluti fon> tem officiorum commendant, ut ad noftri perfeftionem oinnto <|5 Differtatio ds Principiis Do&rinae moruml omnia agendl con/ilia referamus y magnopere illi aber- rant a veritate : nee enim , qui ad fui perfedb'onem contendat, is vitiorum fe turpitudine inquinabir. In- est etiam aliquid in perfedlione , quod nos alliciat atque ad fe rapiat. Quisque naturd , inquit CICE- RO, ad perfettionem traJiitur; et porro: Quoniam ipfi a nobis diligamur, omniaque et in animo et in cor-* fore perfect a velimus esfe (#). Alibi : Virtus, inquit (y) 9 quafi perfe&io naturae , omniumque rerum , quas in animis ponunt, una res optima. Quo minus mire- mur, noil WOLFIUM folum , fed alios philofo- phos etiam perfe&ionem tanquam fummae virtutis veraeque felicitatis notam laudasfe (w). Quin fue- runt () CICER. Lib. V. De Finib. c. 13. & 17. & feqq. (v) Lib. I. Acad. Oy. c. 5. Lib. III. De Offic. 6. (w) FRANC. HEMSTERHUSIUS, patre eximio Tiberio Hemfterhufio , dignus filius , ad Platonis imitationem , nonnul- los dialogos Gallico fermone fcripfit. In eo dialogo, quern infcripfit: Arife^ ou de la Divinitt , pag. no. non quident de principio quaerit noftrae difciplinae, at de perfeftionis tamen laude ita difputat: ,,Car quelle ide^ fe faire du vrai ,,bonheur, ,Arifte^, fi cen'est Tetat d'un ^ire, qui par cette fa- w cult^ fe regardant du centre de toute eflence , qui TenviJ w ronne, fe voit tou jours egalement beau et parfait; d*un w ^tre, qui est toujours dans les autres, pour jouir du bril- w lant fpeftacle, et de Tenergie de fa propre perfection, et qui w est toujours dans lui, pour fe la confer ver." Et pag. 138. w La plus belle propriety de ThoQime, Ariftee*, est celle de Differtatio de Principiis Docfrinae morum. 49 runt viri dodli, qui omnis pulcliritudinis, tarn Phy- ficae, quam Moralis five honeftatis, unam perfedlio- nem esfe veram causfam arbitrarentun At praete* ea, quae jam fupra monuimus, qui fui perfectionem propriam quaerat , non ilium invenire causfam ? cur pro univerforum falute fe devoveat (x) ; PER-; FECTIONIS notio fortasfis fubtilior , obfcurior, ac fubinde inconftantior posfit videri : certe, quando WOLFIUS fie interpretatur PERFECTIONEM* qua Jiberae aftiones cum aftionibus naturalibus con-, fentiant, fane ad naturam humanam recurrit , ex qui quae prima vivendi praecepta haurienda fint, postr inodum nos exquiremus. Sum >, pouvoir fe corriger et perfeftienner lui m^me , autant qu w la richefle de fa compofmon pent le lui permettre. II re- ^9oit fes faculcds de la Nature 5 et il pent modifier fes afti- w ohs, c. a. d. les canfes du bien et dU mal j a fon plus grand ^avantages, et a celui des autres; s'il produit le plus grand j, bien poflible pour les autres, et 1'harmonie et le repos en w lui m^rae, ii a toute la perfection, dont fon ^tre eft fufcep- ^tible. S'il fe neglige tellement* que le mal refulte de w fes actions au dehors, et la difcordance de fes propres fa-* au dedans, il esc imparfait, II fe degrade < " voil* efpeces . D 5o Diljertatio de Principiis Doffrinae morttm. , Sunt etiam, qui hanc principem defcribant le* gem, ut tan turn boni, quantum efficere posfimus, ef- ficientes, vitaeque incommoda, quae vitari neque- ant, fortiter perferentes, fentiamus, voluntati nos divinae obtemperare (iy) At quo tandem modo ob- tineri potest, ut id. fentiamus 9 quodfic, ut fentia- jnus, praecipitur? Quodnam hie bonum commenda- tur? Unde illud exftimabitur ? Qui Logicus jubeat tantum v E R i indagare ; qui Ethicus praecipiat tan* turn B o N i fibi efficere , quantum poslit obtineri, an, utrumque ilium munere fuo perfunftum esfe cenfea- mus, etfi neque ille veri neque hie boni notam ullam ponat, nee, qua via utrumque obtineri posfit, doce- at? Etenim intemperans homo facile fibi perfuadeat, id bonum fibi esfe, ut fe libidini tradat; avarus, ut cumulet nummos, qui nemini profint; fur, ut fur- rep to cibofamem depellat, cujus moleftiam fie, uti est, magnum malum putabit ? fed furto levandum, neque adeo ita inevitabile,^ ut illud fortiter perpeti neces- (j) FIIID. GUIL. PESTEL Vir cl. Juris Civ. Nat. Gent, et Publ. Profesfor in Academid Lugduno Batava" , in Fun- dam. Jurispr. Natur. Ed. 4tae Lugd. Bat. 1788. in 8vo. .270. ita fcribit: Nofec, conferva , auge, et jlc adhibe vires tuas 9 ut tantum bom, quantum potes, efficients, atque incom* moda vitae inevitabilia fartite.r firendo 9 voluntati divinae ts refpondcre [intias* 'Differtatfo de Principiis Do&rinat morum. 51 necesfe fit. Quid igitur illud verbum notat? Si bo. num erit, quod fit utile , magis phyfica haec vis, quam moralis videtur , qualis est utilitas Peruvian! corticis ad fanandam febrim : fin bonum dicatur , fen*, fu morali, quodaequum, juftum, honeftumfit, no- ta alia est necesfaria, qui ejusmodi quae fint, cog- nofci posfint ac dijudicari. Itaque, qui fui perfedlio* nempraecipiunt, faltem id praecipiunt , unde, quid bonum fit, quid fecus, quodammodo exiftimari po* test: fed qui fimpliciter , quod bonum est, praeci- piunt, iis necesfario ad alia praecepta principiaque confugiendum est, ut, et, quid vere bonum fit, et, qua vitae degendae ratione illud bonum posfimua adipifci, cognofcamus. , Sed jam properemus ad duo ilia dodlrinae mora Iis principia perpendenda, quorum in ipfa quaeftio- ne mentio fafta est, et quorum alterum , ab Augliae praeclaris philofopbis (2) expromptum, ab inflru- menti ratione fenfus , et a re fubjedla fenfus moralis appellatur; alterum vero audloris fui KANT u, cu- jus (X) S HAFTESBURY, HUTCHES ON, FOUDYCE, HUME, SMITH, qups fecuti func MERJAN, ROBINET, SPAL- PING, HULFSHOFF, HENNERT, HoTTIJNGER, fllii ^ non omnes eadem ratione. D 2 5 Diffirtatio de Pfincipiis DoEtrinae morum. jus nova philofophandi ratio nuper Celebris exftititi fama nobilitatum est. Quod igitur primum ad SENSUM MORALEM attinet, quo bonaetmala, jufta etinjufta, honefla et turpia omnia dijudicari nonnulli dodti. viri iidem- que eximii philofophi volunt; est omnino in ammo noilro ejusmodi vis, qua, quidquid excellit, quidquid honeflate lucet, quidquid in univerforum falutem, praefertitn cum magno periculo vel etiam certa mor- te fusceptum, et fumma animi conflantia perfe- dlum est, placeat, gratum fit, noflramque comproba- tionern moveat; qua contra, quidquid est turpe, foedum, perfidum, inhumanum, crudele, id valde diipliceat atque odium excitet. Quis unquarn acer* bisfimos Reguli cafus vel ipfe legit , vel audivit, cum narrarent alii , quin continuo commoveretur animo, virumque eximium amaret, ejusque incredi- bilem animi conflantiam cum fumma voluptate admi- raretur ? De Pyladis et Oreftis amicitia jam fupra meminimns. Hujus fenfus moralis tanta vis est, at- que adeo ille ad naturam humanam pertinet, ut eo fublato CICERO de Amlc. c. 13. roget, Quid it a> inter fit 9 non inter pecudem et hominem, fed inter Jio minem et fax urn aut truncum^ -aut quidvis generis ejusdem? Est etiam ej us ration is , qua fenfus mora- lis tanquam officiorum omnium omnisque honeftatis nota ac veluti fons commendatur, ea vis et prae- ftantiaj, Differtatio de Principiis Doftrinac mwum. 53; ftantia, ut cum quae ad cujusque propriam, turn, quae, omni propria detract utilitate , ad univerfo rum communem falutem referantur officia, hide effici posfe videantur, etfi ejusmodi fint officia, quae vel inaxime praecipiant, ut fummis nos periculis certae- que morti offeramus. Attamen nonnihil est, a^r viris praeclaris, qui fenfum hunc moralem, omnis juftidae atque injuftitiae, honeftatis ac turpitudi- nis judicem conflituerunt, non asfentiamur. Nani primum ad unum fenfum , mentisque noftrae ve- luti pattern magis illi adhaeferunt , quam to- tarn naturam humanam contemplati funt. Deinde non perfpicue docuerunt, utrum probarent; illone fenfu ut omnia ftatim officia fine rationum conclufio-, nedijudiearentur, an vero mallent, ex eo quaedam. prinia tantum efficerentur praecepta, quibus quae confequentia esfent, ea postmodum exquireret ratio; neque, fi hoc maxime voluerunt , quae prima ilk praecepta esfent, accuratius aperuerunt. Quin e con- trario, hoc noluisfe, fed illud videntur probasfe: nam, quo magis indocl:a etiam plebs omnia officio- praecepta, facili operi, fine doftrina, intelligeret, inprimis ilium fenfum ad partes vocarunt , et unum omnium adlionum humanarum judicem et cenforem conflituerunt. At fortasfe etiam iis philofophis in hac re fraudi fuit ingenii humani celeritas, quod fae* 54 Dijfirtetio de Principiis Doftrmfa worum* pe repentino veluti impetu atque ita velociter prae* ceptorum percurrit connexiones, ut, quae interje&a funt fingula praecepta , aegre nee nifi obfcurius per- cipiat, iisque uno veluti falcu fuperatis, facile fibi ul- tro ac fine iis, et veluti fenfu quodam, non ratione,in conclufionem incidisie videatur. Ac nunc de KANTII Regiomontani philofophi, cujus dodlrina nuper in Germania plurimos fibi cum adverfarios turn defenfores peperit, ratione, etii obfcurion, pauca dicamus; fed, quae rem, quoad fcic neccsfe eft, fatis explanare putamus. Primum igitur K A N T i u s omnino flatuere vide- tur , aclionum humanarum earn vim esfe , ut vel confentant rerum naturae ac veritati , vel repu- gnent; mentem vero noftram repudiare omncm re- pugnanuam , at comprobare convenientiam conien- fionemque omnenr cum natura, eamque fequi velle: verum. ut intclligentia fie moveat voluntateni , ne- ccsfe esfe, ut ne alia fine invicamenta contraria, ac voluptatum illecebrae, quae repugnent; vitam au- tem, fecund um naturae leges inftitutam et peraftam reddere hominem dignum, qui felix fit; et hanc esfe nccesfariam conditionem, fine qua nemo beat am vi- tam ad-'pifcatur. Ceterum, ad Stoicorum rationem , adiiones bonas judicat proprio decore ita lucere, ut, Diffirtatio de Principiis DoStrinae worum 55 rejecH omni fpefelicitatis, hominem abfolutl officii necessitate devinciant (a) ; et folam legum natura- iium praeflantiam, ejusque praeftantiae cogitationem efficere , tit homo facile omnia momenta externa afpernetur () : quin virtutem quamque tanto esfe praeftantiorem , quanto magis oninis fpes praemii contemnatur, quo fpe&ato y virtutis lumen valde obfcurari. Si quando affio honefta, inquit, cogital tur, omni fpe lucri utilitatisque > five in hac praefen* ti^ five in futura vita , vacua ; fi quid appareat 9 con* tra voluptatum Uanditias* yel etiam contra necesftta* tis invit amenta 9 cum meleftid quddam ex animi excelft vnagnitudine , rot>ore et conjlantia esfe peraBum ; id longe fuperat ceteras affioneS) quas futurae felicitati$ fpes commendet; turn quisque fecum tacite optflre^ up quandoque fimile f acinus puklierrimum fufdpere ipfe posfit. (c). Atque hujus proprii decoris, quo luceat honefta quaeque aftio , tantum cuique homini fenfum iribuit KANTIUS, ut hoc ponat principium , five primum praeceptum ; Age fecundum earn norm am , quam ftmul ip ft fosfts velle , aut optare , ut agendl lex uni* Krit. tier reinen far nun ft ^ Seite 835. Metaphyf. der Sitten, Seite 33. Mffttphyf. der Sitten, Seite 33, m notii, $6 Differtatio it Principals Do&rinae morum* wr falls fit () ; ac paullo poft: Sic sge, tanquam agendi ea tua norma, tua yoluntate aliquando umver^ falls naturat lex fit futura. At idem K A N T i u s tamen alibi docet , cum le- gum naturalium fludio , reverential et obfequio fe- licita r em necesfario esfe conjundlam, in vitaeque in- nocentia fummum bonum esfe pofitum; quae cum fola hominem dignum reddat felicitate, tot tamen appetitionibus et declinationibus voluptatumque ille- cebris agitari vexarique hominum animos , ut pro- bent quidem naturae leges , earumque admirentur decus et excellentiam; neque tamen fa tis moveantur ad obtemperandum , nifi antea iis perfuafum fit, pri- mo, esfe Deum; deinde, in alcer^ vitl hominibufi fcelerum poenas , praemiaque virtutum parata fore: quae igitur duo decreta , quippe demonftratu diflBcil- lima, veluti duo poflulata, quae vocantur, ut fibt demur, exigit KANTIUS ( Quae quidem omnia, etfi forte cuiquam videan- tur non penitus inter fe confentire; ex diftis tamen et ex ipfo illo commemorato principio apparet , KANTIUM petereid principium ab ipfius honeflatis fplendore, quern unusquisque fentit^comprobatatque adrai- Metaphyf. der Sitten, Scite 52. (ji) Krit. tier reinen Fermwft > Seitc DiJJertatio &t Principiis Dottrlnae tftorum. 5? admiratur; itaque ad fenfum etiam moralem confu* gere, cujus cum laudes, turn damna et ruin as fii- pra nos explicavimus. Praeterea praecipit KANTIUS, ut earn fequamur normam , quam velle posfimus , ut omnes homines fequantur, et quafi ea univerfalis lex fie futura. Sed , equidem rogo , hoc praeceptum quam vim habebit, fi quis bonus fie homo, cujus errec opinio et animi confcientia? Unde hoc cognof* cet , atque ? utrum fallatur , nee ne , judicabit ? Quas Gentes SEXTOS EMPIRICUS PyrrJion! Hypotyp. Lib. III. cap. 24. narrat, reclum esfe pu- tasfe humana Sacrificia facere, parentes poft fexsi- ginta annos occidere, latrocinari , illae quam, pre- cor, normam vellent , ut veluti legem univerfalem fequerentur omnes homines? Qui quondam ex foedi fuperftitione , crucis figpo asfumto, expeditiones, quas facras vocabant, fufceperunt multi Viri boni, injuflaque et turpia bella gesferunt, ii nonne facile optasfent, eadem (i tempora quandoque inciderent, ut ceteri homines Chriitiani idem omnes faditarent ? Nonne fuerunt , qui praeclare fe facere putarent ,' fi fuam Dei venerandi ac de rebus Divinis fentiendi rationem aliis, invitis etiam, vi et armis obtrude- rent? Ecquid igitur hujusmodi homines volent, ut fimiliter ab aliis univerfe fiat ? Et haec voluntas quam vim habebit, quam praeftantiam? Certe, quas dubias causfas commemorac CICERO Lib. HE De P 5 offig. 58 Differ tatio de Principiis Do&rinae moruni: vffic. c. 23 25 j eae quomodo'ex KANTIANO principio, vel ex duclis inde praeceptis judicari pos* lint, nos penitus ignoramus. Non fufpicor, in hac Kantiana ratione explicanda magnopere me aberrasfe a vero ; quod (i tamen ali- quantum ejus philofophiae obfcuritas et.tenebrae me fefellerint .(neque enim omnes non fatentur > illam obfcuritatem , neque earn ipfa Societas Hollandica disfimulavit) haec fane ipfa obfcuritas, hae tenebrae valeant ad omni me temericads culpa liberandum. Tandem in hac turba philofophorum , quorum nos de moralis dodlrinae principiis opinion es ad veritatis normam exiginiws^, ecce occurrunt etiam nonnulli, nosque interpellant , ac poene irridentes y Quid adeo vos laboratis, miferi homuli? clamant; Tantumne ea res vos follicitat, quae per fe ita per- fpicua eft, ut omnium in oculos ultro incurrat ? Tan- tumnQ de principiis officiorum omnique beata vita vexamini? Quin, nos, (ita unus ex iis praeterce t teros vociferatur) nos audiatis , et vobis plana viven- t fie tandem inveniamus quaedam initia ac priraa elementa cognitionis humanae, a quibus profedli, or-; dine et quafi per gradus, delcendamus ad fenfusJ Haec fere Synthetica vocatur methodus , fed a WYTTENBACHIO Analytica est nominata ; haec Platoni praefertim probata est, et maxime ad do-; dlrinam proficit , quocirca nos quoque earn Ut igitur moralis hominum obligationis'priina principia, uc f on tern, ex quo naturae decreta, vi- vendi praecepta, legesque naturae omnes dimanant, 1 inveniamus , mens noftra ad fe ipfa redeat , fuamque naturam (ludiofe contempletur ; neque hanc vel il- lam modo ejus partem 1 , nee hunc vel ilium interio- rem fenfum unum , fed omnem ejus naturae vim ec rationem comprehendat, et, quantum ad propofitum noftrum pertinet, fumma diligentia perfequatur. Ita animi noftri primes' motus , primas appetitiones de* clina* (ft) JAC. FACCIOLATI Rudim. Log. pag. 12. cittt. s WYTTENBACMIO 4. 1, . nifi vel propria noftrafc mentis contemplatione , vel praeflantium virorum, qui diligentius naturam humanam explorarunt, tefti^ moniis, probari nullo modo posfunt. Omnino naturae humanae fumma dignitas est ec praeftantia. Neque enim homo taritum fenfus ex- ternoshabet, rerum et mutationum, quae extra homi- nem flint atque fiunt, nuncios ; non folum apta mem- bra, quibus fe mo veat, vitaeque necesfitates, com- moditates, fuavitatesque permultas fibi paret: fed inprimis admirabilis vis est mentis humanae ? cujus fi interiores recesfus ac latebras cxcutiamus , depre- hen- (f) Les principes dc morale ne peuvcnt etre fondes, que ,,fur la nature de 1'homme, et fur fes relations. Lors q^on recherche les bafes , fur les quelles la morale repofe , on ? ,doit employer tpus les inoyens poffibles de connoitre Ta- gent et les effets des ad:ions , aux quelles on veut prefcrire ? , des regies." PREVOTS fur les methodes cTenfeigner la mo rale. Dans les Nouv. Memoir, de TAcadem. Roy. de Ber* lia. 1780, pag. 414 & 415* 6% Dijfirtatio de Principiis Do&rinac hendimus in ea in csfe fenfus internes; inesfe infita$ quasdara notitias , vel notitiarum feintillas ; inesfe prima cognofcendi inida , quae omnium artium et dodlrinarum principia atque elementa funt. Nam primum, fimul ut fuam ipfa mens noflra aciem in fe convertat , fine externorum fenfuum omniumque aliarum notionum ullo adjumento , ftatim Mque i^onte deprehendit , fe cogitare , multa fe percipere, muka in anlmo agitari, comparari, judicari, expeti, repudiari , quorum omnium unusquisque ita fibi confcius est^ ut prius a fe difcedere ipfe posfit, quam ea nonfentire. Deiriceps complurium etiam, quae ultro percipit, initiorum evidentia ac lumine fie mo- vetur homo, ut, quam primum ea cogitet, iis as- fentiri cogatur , ! ut nulla mercede, nulloque prae- mio invitatus dubitare, nedum negare ea posfit , et, qui contra velit dkere , eum plane non audiat f Ex quo genere fequentia modo exemplorum loco com- inemoremus: Nullam rem et esfe fimul et non esfe posfe ; Nullam rem posfe fe ipfam efficere ; Causfam omnem effedlu priorem esfe; Quod non fit, agere nihil posfe; Quae fint aequalia eidem, ea esfe ae* qualia ipfa; Quae fint aequalia aequalibus, ea quo- que aequalia esfe; Totum qualibet parte fua ma- jus esfe ; Quamlibet partem minorem esfe toto ; Aequalia fi adjiciantur aequalibus , fummas effici aequales; Si inaequalia aequalibus addantur, 'Differtatio fa Priricipiis Doflrinac mofUtit. 6$ ttias nafci inaequales ; Duobus pun&is non nil} unam reftam lineain posfe interjedlatn esfe, In- ter duo punfta brevisfimam lineatn esfe , qua6 refla fit ; Duas lineas reftas non pbsfe fpatium cir- umfcribere , atque id genus alia : quae fere aut On- tologica, aut Matheinatica initia funt, quaeque hib omnia enarrare non tiece^fe esf. Ex diverfo auteni genere, nee minus tamen evidentia haec funt: Sa- tius esfe, interire, quod vilius fit, quam quod prae* ftantius; et, fi paria fint, interire pauca, quam multa; Partes non posfe falvas esfe, hifi totum falvum fit et incolume; Facilius totum pane, quam partem tot6 carere. Hue etiam volens referarii., unumquemqud hominem, fi ad fe redeat, fentire, debilem fibi InH becillamque naturam esfe , atque a major! quadatri poteflate , qualiscumque demum ilia fit, pendere: ex quo puerorum metus in folitucline terroresque in tenebris exfiilunt, ui faepe tahti funt , utplufi* mis etiam in confirmatft aetate adhaerefcant. Hujusmodi igitur et fimilia funt initia permnlta, liae primae notitiae , quas vi quadarh interiori ita fentiunt omnes homines , ita perfpiciunt, ac fponte M profitentui*, ut, qui repugnet aut dubitet, pro pertinaci homine vel pro imbecillo habeatuf. Haec: femina funt omnis cognitionis, uti CICERO faepe^ 6t SENECA quoque (Ji) vocarunt; hi parvi iili ig- IJZP, 66 Dijfirtatlo dt Prmcipiis Docirinae morutft* niculi, a quibus, ab ipfa natura menti noftrae inge* neratis, experientiae et rationis ope, Arithmetica, Geometria, Phyfica, Logica, ceterae artes dodlri- naeque omnes natae {lint, et propter quos etiam for* tasfe homo Platoni non tarn difcere, quam magis meminisfe vifus est* Atque has ipfas notitias , aut , fi quis malit , harnm notitiarum fimulacra in ipfis quoque beftiis cernimus. Quis enim, araneae quam fcite retia fua confidant atque ad mufcas captandas expandant, ignorat? Quis formicarum induftriam, quis apium , ut ita dicam , ingenium non admiratur ; quarum providentiam , artificium, omnesque laudes VIRGILIUS Georgic. Lib. IV, vs. 148. et feqq* et vs. 218. et feqq. praeclare cecinit ? Aut quis ab ejusmodi, quae diximus 5 vel fimilibus initiis tantam proficifci folertiam inficletur? Atque haec^fere ad contemplationem pertinent : nunc vero ea potius, quae hominem vel ad appe* tendum vel ad declinandum, et omnino ad agendum vel omittendum movenc, expendamus : quippe quae propofito noflro funt conjunftiora. . I, PRIMUM igitur homo non fe tantum esfe fentit, fed, quemadmodum cetera animantia omnia* ifa ipfe eo fenfu valde deledlatur , ac nihil ardentius expetit, quam ut pergat illud fentire : quocirca f ugit interitum, et a nulla re magis abhorret quam a mor- &iffertatio de Principiis Doftrinae it , qnae ei naturae disfoliitio videtur. Neque esfc tantum cupit homo , fed quairi optiiiie affectus esfe* lit nemo fit, qui, quo modo fe habeat, iiihil fua" inte- resfe cenfeat; Itaque fibi quisque vehementer caruS test, diligit fe ipfe , diligit partes fuas ornnes, nequfc omnia tantum pericula., bmnesque injurias repellit, fet quoad potest fe contra hoflem defendit ; fed etiam in eo Jaborat, ut fibi necesfafia ad vitam fus- tentandam et comniodam fuavemque efiiciendam ad- jumenta undique comparet, damnaque et noxia quae- vis fugiat; Atque hunc locum, a nobis ita brevitet modoi eommemoratumj CICERONIS quibtisdam fen- tentiis confirmehius ntque ornemus* Omne animal* (inquit Lib. V. de Finib. cap. 9.) fe ipfum diligit ^ &c fhnul, ut ortum est> id agit, ui fe confers $, quod, ei hie primus ad omnem vitam uiendam appetuus a vatura datur. Porro docet : omn'em naturam esfe fui confervatriceni , idque habere propo/itum^ qua/i finem et extremum, fe ut cuftodlat , quam in optimb fui generis ftatu. Et cap. 10 : Qui potest Intelllgi mit cogitari, esfe aliquod animal , quod fe oderitf res enim concurrent contrariae Neque enim^ fi nonnulli reperiuntur , qui aut laqtieos, aut alia? exitia quaerant inimicus ipfe fibi putandus e st ; fed alii dolor e moventur , alii ctipiditate, irfc candid etiam multi eferuntur 9 et, cum in mala E 3, 63 DiJJertatio de Principiis DoStfinae fcientes irruunt , tamen fe optime fibi confukre ar* bitrantur. Quare , quotiescumque dicetur male de fe quis merer i, fibique esfe inimlcus atque host is, vltam denique fugere ; intelligatur, aliquant fubcsfe causfam , ut ex eo iffo posfit intdligij fibi quemque car urn esfe (/). Atque hoc ftudium, quo quisque fe maxime di* ligit, cum ad corpus pertinet, turn ad animum. Nam primum expetunt homines corporis valetudinem , membrorumque et fenfuum integritatem, adeo ut, fi qua in membris prava, aut debilitata, aut imminuta funt, ea fanari cupiant, multanaque moleftiam cura- tionis causf^ perpetiantur ; vel, fi pars quaedam cor- poris (anguine et tanquam fpiritu carere coepit, ut nequeat fanari, vel, fi gangraeni corrupta nocet re- liquis partibus corporis , aut vitae periculum affert, earn partem etiam cum fummo dolore amputandam tradant, ut reliquum corpus et vitam confervent(w). Deinde in animis hominum innatus est fummus cog- nitionis amor, quo fit, ut nihil homini veritatis luce dulcius (/) Confer. CICERO Lib. II. De Finib. 35. III. 5. V. p 13. I. De offic. 4. POPE Esfai on Man. Ep. III. v*. 283. C0 CICERO V. Dt 'Dijfirtatio de Principiis Doffrinae morum. 69 dulcius fit () : qui cognofcendi amor jam in pueris tantus lucet , ut requirant , et aliquid fe fcire ge- fliant , et ne verberibus quidem a contemplandis rebus perquirendisque deterreantur ; cum aetate ve- ro ita adolefcit, ut pauci fint, qui tarn agreilibus in- ftitutis vivant, aut contra fludia naturae tarn vehe- menter qbduruerint, ut a rebus cognitu dignis ab- horreant (ji). Qui ingenuis fludiis atque artibus deleft antur^ nonne videmus eos nee valetudinis , nee rel familiar Is habere ratlonem ? omniaque perpeti 9 ipfd cognitions et fcientid captos , et cum maximis cur is et labor ibus compenfare earn 5 quam ex difcen* do capiant, voluptatem? Haec CICERO Lib. V. De Finib. c. 18, , additque cap. feq. Quern enim ardor em ftudii cen/etls fuisfe in dr chime de , qui 9 dum in pub ere quaedam defcribit attentius y ne pa* triam quidem c apt am esfe fenferit? Quantum Ari- floxeni ingenium confumtum videmus in mnficis ? Quo ftudio Ariftophanem putamus aetatem in litte- ri$ duxisfe? Quid de Pythagord? Qitid de Plat one aut Democrito loquar , a quibus propter dlfcendi cu* videmus , ultimas terras esfe per agratas? Qtiaa (n) CICERO Academ. Quaeft. Lib. IV. c. 10. & 41 V. De Finib. 18. ^i) CICIRQ Lib. III. De. Finib. cap. IK 70 Dijfirtatio de Princlpils Doftrmae morum. Quae qui non vident^ nihll umquam cognitlone dig* num amaverunt. Obfervat tandem CICERO: Ipfi enim quaeramus a nobis , flellarum mottts, cent em- pLationesque rerum code/Hum , eorumque omnium , quae naturae obfcuritate occult antur , cognit tones quemadmodum nos mov.eant : et quae reliqua ibi praeclare difputantur. kaque in ipf^ noftrae men- tis natur^, ipflsque in rebus , quae difcuntur et cog- riofcuntur , infunt invitamenta , quibus ad cogno- fcendum difcendumque movemur, ut animi cultus a fapientibus quafi quidam necesfarius humanitatis ci- |?us vere fit exiftimatus. **' '- '' - ' - * Atque haec vis animi etiam causfa est ? cur ho- jnio plerumque aliquid agere cupiat , neque ull^ conditione quietem ft mpiternam posfit pad ^ fed ita requietis et laboris expetat vicisfitudines , ut liben- ter a quiete ad laborem, a labore ad quietem trans- eat. Itaque ne infantes quidem conquiefcere posfe vHemus , fed lufibnibus v.el laboribus deledlari; quae ageadi cupiditas cum aetate fie adoleicit, ut rerum gerendarum causfa homines funimas curas, follicitudines , vigilias perferant (p ). Et , quo ma- gis, quae cuique arrideant, ea agere posfit, fummo liber- ty) CICERO Lib. V. De Fittib. c. ip ^ 20, Differtatio de Principiis Do&rinae morum. jrt libertatis ftudio homo ducitur , quam etiam molefte fert imminui atque coerceri : neque enim parum cjus interest, quid agat, neque libenrer, fi quid agere velit, cohiberi fefentit. Qnae quidem omnfo i naturae iludia , quomodo 5 a parvis initiis coepta, progrediantur et crefcant, id eximio loco expresfit CICERO Lib. V. de Finib. c, 15. quern quin ad^ fcribam, rnihi temperare nequeo : Parvi enimpri* mo ortu fie. jacent , tanquam omnino fine animo fint. Cum autem paullulum firmitatis accesferh ; et ani- mo utuntur et fenftbus ; connitunturque , ut fefe eri gant^ et manibus utantur et eos agnofcunt ^ a quit bus educantur : delude aequalibus deleffiantur^ liben- terque fe cum his congregant\ dantque fe ad {uden* dum ; fabellarumque auditione ducuntur : deque eo^ quod ipfis fuperat, alils gratificarl volunt : animal yertuntque ea , quae doml punt , curlofius ; Incl^ piuntque comment arl aliquid et di/cere ; et eorum , quos vldent, volunt non Ignorare nomlna: quibus* que rebus cum aequalibus decert ant ^ fivincunt, ef- ferunt fe laetitla^ vifti debilitantur , anlmosque de^ mlttunt. Horum vero omnium, quae fie de natmi homi* nis, eoque fludio, quo fe quisque maxime diligit, difputavimus, hie exitus, haec conclufio est: natura homines ferri ad corpus fuum, ad corporis membra E 4 ?a Differtatlo. d& Princtyiis Do&rinae tuenda; ad animum variarum rerum cognitiorie im ilruendum; ad vitam denique copfervandam atque ita tranfigendain , ut fuftineatur rerum necesfaria- rum, utilium et jucundarum qustdam copia" , fitque omnibus corporis et animi bonis, quo.ad fieri potest, expleta,(#). Ex qua natura hurnana, quam quidem qui neget eripiatque homini, continue hominem ex homine tollat, ultro ac necesfario haec prima lex, hoc primum praeceptum , atqu^ adeo principium, yii naturae apprime confentaneunj , exoritur. 3 , Unumquemque hominem natura" obliga-. ^ turn esfe ad corpus ? ad corporis membra, 5 , ad animum, ad vitam ac totum ilatum fuurn,' ^ tuendum, ut vitam, quam natura expetit, ,, quoad ejus fieri potest 3 beatisfiniam posfit tranfigere ; itaque obligatum esfe ad omnia, 5 , quae huic primo praecepto, , five principia s> confequentia fint (r),"- Atque {) Hanc naturae humanae unara part$m, non omijem na- baram hiimanam i fecati funt illi philofophi, qui a fuj amore, a beatae vitae (ludio, vivendi praecepta omnia duc^re yolue-_ runt. Sic quoque, CAM PEEL Enquiry into the Original tf Moral Virtue. Lond. 1734. CO Quae huic hominum ftudio naturali confentanea funt, milia fere dicuntur, de quibus ita GJCERO Lib. III. DC. c. a 8. Conines enim cxpeiijnus udlitatenij ad earaqup, dt Principal Doclrinae worum. 73 Atque hnjus priticipis legis five principii vis efc necesfitas umcuique ultro debet perfpicua. esfe; ne- que enim hie aut cum fcepticis nobis nunc res est, aut, quae fupra de mathematicae evidentiae ratione, quae ad morum doctrinam fruftra requiritur , disfe- ruimus , hie repetenda funt, Itaque jam eo quis-s qtie compellitur, ut, vel, quam diximus, naturam humanam totam neget, quod fane abfurdum fit; vel, quae ex e natura, ex ipfis hominum fenfibus , in- flindibus, primisque naturae initiis necesfario con- fequatur, earn veram, primam, perfpicuamque na^ turae legeni esfe , nobis ultro concedat. Neque mine fufpicor, fore quemquam, qui etiamnum in- (let, utcumque jam erleclum fit, ad carpus, 'ad CCM> poris membra , ad animum , ad vitam tuendam ho- minem ipfa prima naturae lege obftrictum esfe; pondum liquere tamen, quaenam ilia fint, quae ad earn rem omnem, ad fummum illud officium explen* ^um valeant. Neque enim , quid ad nutriendum corpus, ad valetudinem aut confervandam aut in- flaiirandam, idonenm fit, quid utilium rerum ver2.. cpgnitione ornqt animum , id valde ad doclrinam morunij ,,rapimur, nee facere aliter ullo modo polfumus: nam quis ^eft, qui utilia fugiat? aut quis potius, qui ea non flwdio* perfcquatur?" E5 74 Dijfirtatio de Principiis Dottrinae momm. morum , fed vel ad quotidianam experientiam ufumque, vel ad alias magis difciplinas, ad Phyfi- cam, ad Medicinam, et, quod ad animum attinet, ad Logicam pertinet : quemadmodum jam fupra no- tavimus, utcumque conftat, ad morbum cuemdam fanfindum refrigerantia necesfaria esfe , aliam adhuc rem esfe, aliamque artem, docere, quaenam illae fint herbae, olera, fruges, quae ejusmodi vim, qua- lis ad fanandum requiratur, habeant, Haec igitur, quam diximus, fit prima lex, fit primum praeceptum ac principium, ex quo non om- nia quidem ofBcia hominum , fed ea certe ? quae unumquemque homintm erga fe ipfum explere opor- tet, exoriantur. II. SEC UNDO, non fe'tantum ipfe diligit ho- mo, fed praeter fui amorem ei ingenerata est incre- dibilis quaedam benevolentia erga alios, cujus ea vis est, ut non fuis tantum bonis deleftetur ac mails doleat, , fed aliorum etiam cum voluptatem , turn dolorem, omnemque felicitatem ac miferiam partici- pet; ut cum lacrymantibus fere collacrymetur, et cum laetantibus laetetur ipfe ; quin ut abhorreat #b om- nium aliorum, etiam brutorum animantium, dolore (j)- Hie (0 I'y crois C dans I'ame humaine) appercevoir deux prin- cipes anterieur a h rsifon , ^ c Fa f oricii, M. Curii non cum caritate W aliqu4 et benevolent!;! memoriam ufurpet, quos nunquam vi- 3,derit? Quis autem eft, qui Tarquinium Superbum , qui Sp. ? ,Caffiura, Sp. Maelium uon oderit? Cum duobus ducibus de ,,imperio in Italia decertaunn, Pyrrho et Hannibale: ab altero propter probitatem ejus, non nimis alienos animos habeinus, ^alterum propter crudelitatem Temper hsec civitas oderit," CICERO De Amic. c. 8. Itaque vere ROUSSEAU Emits Tom. III. pag. 93. & feqq. ubi pag. 96. ,,11 nous importe furement fort peu , qu'un homme ait e't^ mechant ou jufte , ^il y a deux mille ans; et cependant le me^ine interet nou$ affefte, dans 1'hiftoire rncienne , que fi tout cela s'etoit n de nos jours." F $2 Diflertatio de Principiis Doflrinac moruml Neque hie fufpicor fore ? qtii bellorum hie nobis crudelitatem , multaquc hominum tetra diritate fa- cinora forte objiciant , iisque infirmare plane , quern nos benevolentiae erga alios fenfum humanae naturae tribuimus , fibi videantur. Etfi enim pro temporibus interdum vehementioribus animi pertur- bationibus obfcurari hunc fenfum et paullisper op- primi posfe concedimus , univerfe tamen ac totum divelli ab homine posfe, minime nos flatuimus (V). Et, quae iracundiae, difcordiarum , crudelitatis at- que inhumanitatis exempla afferuntur, non ea inhu- mana (c) Mais quelque foit le nombre des me'chans fur la terre, ,,il eft pen de ces ames cadavreufes , devenues infenfibles, w hors leur imert, ^i tout ce qui eft jufte et bon. L'iniquit^ w ne plait, qu'autant, qu'on en profite; dans tout le refte, on w veut, que 1'innocent foit protege. Voit.on dans une rue ou fur un cherain quelque afts de violence et d'injuftice ; a 1'in- 3, ftant un mouvement de colere , et d'indignation s'eleve au ,,fond du coeur, et nous porte a prendre la defenfe de 1'op- ?? prime' ; mais un devoir plus prefTant nous retient, et les loix nous 6tent le droit , de proteger Tinnocence. Enfin w l'on a, malgrd foi, pitie' des infortune's; quand on eft temoin de leur mal, on en fouffre : les plus pervers ne fauroient per- dre tout ^i fait ce penchant : fouvent il les met en contra- yy diftions avec eux memes. Le voleur , qui depouille les pafTans, couvre encore la nudite' du pauvre, et le plus feroce ^aflaffin foutient un homme tombant en defaillance." ROUS- SEAU Emk Tom. III. pag. 5 97. Dijjertatio de Printipiis Docfrinae morum. 8 j ftiana dicantur, fi confentiant naturae humanae, nee ea magis, quern defendimus , benevolentiae fenfum tollunt, quam autocheiriae exempla probent, nullo vitae tuendae ftudio homines duei. Tandem , cui unquam perpetrata ab hominibus feelera earn vim habere vifa font, ut iiullum hominibus infitum fen* fum inoralem, nullam recle fa6lorum tranquillam et fnavem, male faftorum moleftam gravemque con* fcientiam esfe, ftatueret? Itaque ex hoc etiam hominum natural! amore et?- r ga alios , ex hujus benevolentiae et mifencordiae fenfu 5 qui negari nequit , quern tot vitae exempla , tot fapientium virorum fides et teftimonia , queiii denique fua quemqiie propria experientia, cogitatio et mens, fi earn exploret, docent ( f) ; hanc ego jure principem legem alteram, hoc aliud principium, offi- ciorumque erga alios * homines fundamentum tiiihJ * efficere videor: ,, Hon) Quemadmodum alii foluni fui amorenii ita CUMBER- LANDUS, contra Hobbefium dimicaas, unam hanc benevd* lentiam tahquam principium alTumfit , ex quo omnem doftri-* nam morum efficeret. In quam quoque fentemiam cuni ftlii, turn HUTCHESQNUS proclives videntai; F 2 $4 Dtffertatio de Principles Doftrinae morum+ Homfnem quoque natura obftriftum esfc ad ceterorum etiam hominum corpus, cor- poris membra, animum, vitam, totumque flatum tuendum , ut, quoad ejus fieri potest, vitam illi beatiffimam degant : itaque fimul 5 , obligatum esfe ad omnia , quae ex hoc prin- cipio necesfario confequantur." Haec vero lex quin ultro etiam ac necesfario ex humand natuil exfiflat, negari nequit: ut vel pro- banda haec lex fit, vel eo deveniendum levitatis, ut, ilia natura tota rejiciatur. III. TERTIO, ut cetera animantia, ita homo hoc a natur habet , ut a vita folitaria abhorreat , ut amet congregationes confociationesque cum aliis. Natura nihil folitarium amat, femperque, ad all- quid adminiculum annltitur. CICERO De Amlc. c. 23. Et nemo in folitudine vitam agere velit , tie cum infinitd quidem voluptatum abundantld. Lib. 111. de Finib. c. 20. Atque hunc focietatis ap- petitum inprimis confirmant augentque vehementer fumma ilia propenfio ac voluntas adjungendi fibi con- jugem, tenerrimus erga prolem amor, ejusque non procreandae modo, fed etiam rutriendae educandae- queiludium: a quo initio profe&am communem hu* mani generis focietaiem perfequimur. < Neque vero haec inter fe congruere posfent, ut natura et Dijfirtatio de Principiis Doftrinat morum. 8| procreari vellet , et dillgl procreates non curaret* CICERO Lib. III. De Fmb. c. 19. Atque etiam in befliis huj.us naturae et amoris vim perfpicimus, quarum in foetu et in educatione laborem cum cer- nimus, naturae ipfius vocem audire videmur. Ita- que gallinae non nutriunt modo pullos fuos, atque invitant ad pabulum, a quo fibi ipfae temperant, fed pro falute pullorum vitam quoque fummis periculis objiciunt, neque dubitant cum fortiori multo hofte certare (i). Quin etiam in amore conjugali conftan- tiae ? qualem et homines amant , et liberorum edu- qatio omnino requirit, fimilitudinem in quibusdam beftiis, veluti in coiumbis, cernimus, Ab his vero initiis, fenfibus, propenfionibus atque inftindlibus, (neque enim interest, quo verbo utamur), ab his igitur initiis , ut omnia breviter compledlar, frater* nitates, confanguinitates , affinitates, cognationes^ familiae, ftirpes, amicitiae, vicinitates, oppida, ur* bes, CO Quapropter a natur^ mihi videtur potius, quam ab indli gentisi, ona amicitia, et applicatione magis animi cum quodam fenfu amandi, quam cogitatione, quantum ilia res utilitatis cffet habitura. Quod quidem quale fit , etiam in beftiis qui- '^busdam animadvert! potest: quae ex fe natos ita amant, ad quoddam tempus, et ab eis ita amantur, ut facile earuro fen- ^fus appareat: quod in homine n^ulto eft evidentius." RO De Amis. cap. 8. ct De Finib. Lib. II. cap. 33. N. Fa 86 Differ'tatto de Principiis Doctrinae morum. bes , civitates deniqne ac gentes exftiterunt (/) ; Quae nata a primo fatu , quo a procreatoribtis nan diliguntur , et tota domus conjugio et ftirpe conjun- gltur , ferplt fenfim for as, cognatlonibiis primum^ delnde amicitiis , post vicinitatibus , turn clvibus et Us 9 qul publlce focil atque amici flint: delnde totius complexu gentis humanae. CICERO Lib. V. De Finib. c. 23. Sentit igiturhomo, fblum fe neque esfe, neque esfe posfe^ fed conjunclum primum cum fuis et pro- ximis , deinceps cum cetcris hominibus , ac tandem cum univerfo genere huniano , cum quo, tanquam pars cum toto , naturae vinculo , est copnlatus, Quamobrem, etfi quisque fe maxime diligit, non fe tamen unum diligit 9 fed ducitur etiam fenfu bene^ volentiae et fludio erga alios homines fingulos ; du- citur etiam vehementiffimo appetitu focietatis , quae homini fie est necesfaria, ut, qui forte a prima in- fantia in folitudine inter feras beflias vixerint homi- nes, brutorum fere fimiles fmt reperti. Socialis igi- tur vitae fumma est neceffitas, non mcdo infantibus, ut a parentibus nutriantur, curentur, et conferven- tur, (/) Confer. CICERO De Aniic. c, 5. Nihil est enim ap- fetentius fui fmilium, mhil rafacius, quam nature* Ibid. Dijftrtatio de Principiis Dottrinac tnorum 87 tur, donee adolefcant; fed etiam hominibus confir- matae jam aetatis, ad vitae fibi praefidia facilius pa- randa , atque ejus commoditates fuavitatesque mu- tuis auxiliis augendas (g) : ac fenibus denique, quo- rum infirmitatem fulciant juniores ac fuftineant. Homo igitur vehementiffimo fludio focietatis duci tur, neque fine e&vitam fatis commode ducere potest. At, cum nulla conftet focietas 3 nifi , quae pro cujus- que confociationis natura ad fuftentandam focieta- tem requirantur adjumenta, ea pro fuo etiam munere et facilitate quisque focius in commune conferat, hu- jus erga focietatem officii rieceffitate homo plane est devindus. Praeterea fentit etiam homo, cum to- tum praeftantius fit fuaparte, et, quod praeftantius fit, ejus praecipuam curam esfe ac tutelam oporteat; ad univerfae quidem focietatis falutem pertinere, ut partes, quoad fieri poffit, falvae fine, at univerfita- tis falutem partium incolumitati multo esfe antepo- nendam. Et hoc quidem omnis conjuncftionis hu- manae pfficiorumque focialium praecipuum fun- damentum est , fine quo conflare nulla potest fo- cietas (A) : attamen , cum ex aliis principiis 3 quibus fua Confer. CICERO Lib. II. De offic. c. 4. (/) Ut non intelligam , quid fibi velint , qui aliquando ne- gent, publicam falutem omnis confociationis fupremam legem F 4 efle. 88 DiJJertatio de Principiis Doftnnae moruml fua cuique propria feliciras unice propofita esf, liujus officii neccfliras non posfec effici, hie locus admodum vexavit philofophos. Atque hujus etiam fenfus propenfionisque tanta Vis est, uc in ipfis bruus iilius fimulacra occurrant. Itemque formicae , apes , ciconiae , aliorum etiam causja quaedam faciunt : mu/to magis haec conjun- ftio esf homlnis : itaque naturd fumus apn ad coe- 1US) ad concilia, ad civ it at es. CICERO Lib. III. De Finib. c. 19. Omnino praeclara funt, quae ibi- dem fequuntur, et apra ad confirmandum, quod dixi- mus, hominem non per fe folum exfiftere, led, tan- quam partem, esfe conjunftum cum toto genere hu- mano, omnique hac rerum univerfitate. Mundum autem cenjent Stoici, regi numine Deorum, etimque esfe^ quafi commimem urbem et civitatem homimnn tt Deoruin, et unumquemque noflrum ejus wiundi esft tfTe. Itaque quod nliquoties MONTESQUIVIO obfuit pnrr- doxn dicendi fludium, id in hac re quoque viro prneclaro vi- detur frrudi fuilTe. ,,C'efl un parnlogikme, (inquit) > de dire, 5 , que le bien pnrticulicr doit ceder ?u bien public." FEfpr. des Lotx. Liv. XXVI. ch. 15. ubi vid. Re;narq. fun Anony- we. Edit, d' ^mfterd. 1764. Svo. Ut rnirum non fit, alibi de hac fuprem^ lege aliter judicasfe ipfum Montesquivium. Confer, fupra hoc cap. pag. ^5. Dijfirtatio de Principiis DoEtrinae tnoritm. 89 esfe par tern: ex quo illudwaturd confequi, ut com- tnunem utilitatem noftrae anteponanms : ut enim leges omnium falutem , fingulorum faluti antepo* nuflt; fie vir bonus et fapicns et le gibus par ens et chilis officii non ignarus , f elicit an omnium plus^ quam unius alicujus aut fuae, confulit. Ita ex StoU corum difciplina Cato apud CICERONEM Lib. IIL De Finib. c, 19. egregie difputat, et hanc fenten- tiam exemplis illuflrat praeflantium heroum, quos hiftoria narrat , ad fervandum genus hominum natu- r^ incitatos fuisfe. Profe&o haec ipfa naturae prae- ftantia movit Coclitem, ut Porfennae , per Subli- cium pontem tranfire conanti, refifteret, hofliumque impetum folus fuftineret , donee a tergo pons a fo- ciis frangeretur ; haec movit Regulum , ut capti- vos non modo reddendos non cenferet, fed etiam dis- fuaderet ; haec natura induxit Mucium , poftea ex hac re Scaevolam dictum, ut, in ejusdem Porfennae caftris, dextram manum igni impofitam exureret, ad labefadlandum hoflis animum : ex eadem naturae excellentia incegras legiones fcripfit Cato, faepe ala- cres in eum locum profedlas , unde non redituras fe arbitrarentur : ac pari anlmo Lacedaemonii in Ther- mopylis occiderunt, in quos (inquit CICERO Lib. I. Tufc. Qiiaeft. cap. 42.) Simonides: Die hofpes Spar t as ^ nos te hie vidisfe jacentes p Dum fanftis patriae legibus obfequimur* F 5 Qua- jo DiJJertatio de Principals Doftrinac morum. Quapropter , cum homo natura ipfa aptus fit ad focietatem, eamque vehementer appetat , et ad vitae neceffitates, utilitates fuavkatesque fibi comparandas, omnino requirat (/); huic naturae prorfus confen- taneum exiftimandum est hoc primum praeceptum ac decretum, five principium : 5 , Tuendam hominum inter ipfos focietatem 99 esfe, omniaque explenda officia, fine quibus 5, ea focietas, cujus quis pars est, ad falutem univerforum fructuofa esfe nequeat." Omnino auc negandum est, homines ad conjugia, ad liberos procreandos educandosque ., ad confocia- tiones, cum domefticas turn civiles, natura ipfa fer- rij aut, qui hanc naturae propenfionem fateatur, is neces- (Y) Ut plnres philofophi fui amorem folum, atque uti C u M- BERLANDUS, atque alii nonnulli imam benevolentiam erga alios, fecuti funt; ita P UPEND ORFIUM conftat, inpri- mis omnem legum naturaliura dodrinam ab hoc uno fludio focietatis voluisfe repetere. At illi viri do<5ti fie partem modo naturae, non totam nnturam huraanam contcmplati funt: quo faftum eft, ut raulta officia aut defererent , aut vano la- bore , ex fuo quisque principio , couareiicur efficere : quain- quam Pufendorfii cauflam agit SULZER, vir omni doftrinae et ingenii laude egregius, Rccherch. fur un principe fixe, qui ferve a diftinguer les devoirs de la Morale de ceux du droit vaturel. (Memoir, de TAcadem. Roy, de Berlin, Tom. XII. An. 17560. Differ tat io de Principiis Doftrinae morum. 91 necesfario debec pofitam modo legem probare : quae lex, quemadmodum cum perfpecH ilia" certaque na- turae propenfione , cum illo focietatis fenfu atque inftinftu proximo conjuncta esc, ita pro principe Icge, pro vero principio est habenda, ex quo omnia erga focietatem, cujus nos partes fumus, officia,, quae id- circo folent focialia vocari, apt a connexaqtie ratione effici posfurit et demonftrari, IV, Tandem QUARTO, haec etiam est natura hominis, haec vis ejus animi , nt quidquid magnum, quidquid fuo genere eximium fit , quidquid praeci- pua quadam laude, potentii, dignitate, majeitate excellat, id homo admiretur ac fufpiciat, et ? quo praeftantius fit, eo pluris faciat, atqne etiam, fi na- tura intelligens fit , veneretur. Qui prima vice ad oceanum accedit, is obftupefcit ejus infinit^ magni- tudine, quae mentis fines excedens terret animum. Qui ducem, et principeni, et moderatorem luminunt reliquorum, folem mane exorientem conternplatur, vel ferena nofte incredibilem coeleftium corporum numerum et fplendprem irituetur, curfumque et or- dinem admirabilem cogitat, is tanra majeftate cap- tus, ut fpernit maxime humilitatem fuarn, ita maxi- me tan turn decus admiratur. Inter homines ipfos, fi nobis oiFertur heros, cui virtutum praeflantia, aut res egregie geftae magnam famam et gloriam attule- runt, 92. Dijfirtatio dt Principiis Doctrinat tnorum. , runt, eum coram intueri cupimus, magni facimus, atque hunc fenfum animi ac reverentiam quibusvis modis ei avemus patefacere. Rudes etiam et inculti populi nonne olim viros, qni de patrid praeclare me- Titi esfent, eamque fu& virtute crudelis hoftis vi et injufto bello liberasfent, carminibus celebrarunt , et faepe, uti Herculern ilium, quern hominum fama, beneficiorum memor , in concilio coeleftium colloca- vit, tanquam decs coluerunt, vel inter decs habue- runt? Quantam laudem Crotonienfes Pychagorae et quam prope divinos honores tribuerunt () ? Quanta veneratione Socratem post mortem tota Graecia pro- fecuta est ? Quis urbis confcrvatorem Co drum , quis Erechthei filias non maxime laudat ? Quis Arifti- Hem non mortuum dillglt (/)? Quae cum de homi- nibus (XO JUSTIN. Lib, XX. c. 4. DIOG. LAERT. Lib. VIII. fegm. 14 & 1 6. (7) CICEIIO Lib. V. De Finib. c- 22. Neque dubito, quin etiam hujus fenfus quamdam limilitudinem in animantibus brutis reperiamus. Non tantum CICERO Lib. V. De Finib. c. 14. fcribit: Sunt autem bcftiae qua edam , in qtiibus inest aliquid (tinile virtutis , tit in lesnibiis , ut in canibus , ut in equis, in quibus non corporum folum , ut in fuibus , fed etiam animorum aliqud ex parte motus quosdam videmus, Sed ca- nis , qui majorem domini poteniiam atque imperium et novit ct metuit , ei non modo prae mem obcemperat , fed et fidelis eft et gratus, et blandiendo quoque domini fibi favorem au. cupatur. Difftrtatio dt Princifiis Do&rinac morum* 93 nibus egregiis valeant , quo animi fenfu nos affeclos csfe oportet, fi mundi hujus ac r^rum omnium fum- me potentem aliquem opificem et effedorem, con- fervatorem benignum ac fapientiffimum moderate* rem, a cujus ditione et numine omnia pendeant^ omniaque bona in nos proficifcantur, agnofcamus? Inprimis, fi, quae ex hujus immenfae rerum univer- fitacis magnitudine ejusque magnitudinis fenfu ultro exfiftir, cupatur. Hie memini verborum , quae ROSSALDUS fcripfit : w je demande encore, et ceci eft plus important, pour quoi la premiere fois , que j'ni menacd mon chien , il s'eft jette le dos centre terre , les pattes replieds , dans une attitude fup- j,pliante, et la plus propre i me toucher; pofture, dans la ,,quelle il fe fut Men garde de refter, fi fans me laifTer fle- ,,chir, je 1'eufTe battu dans cet etat? Quoi! mon chien tout petit encore , et ne faiflant presque que de naitre , avoit il ,,acquis deja des id inquit, In optimd qudque Indole maxlme apparent. In qud haec ho- msta , quae intelliglmus 9 a natura tamquam adumbrantur. Sed haec in pueris {expresfa^): In Us vero aetatibus., quae jam con fir mat ae funt, quis est tarn disfimilis homini, qui non moveatur , et offenfione turpitudlnis et comprobatione hone ft a- Tantam igitur audloritatem, ac magis etiam natu- rae ipfius veritatem, fecuti nos prima praecepta mo- rum five principia moralia invefligavimus , inveftiga- ta invenimus, inventa conftituimus ; conftituta vero pluri- Cnf ibid* cap. 15* Dijfirtatio de Principiis Doffrinae mowm. 99 pluribus verbis, nunc contrahamus, ut un cogitatione ilia poffimus comprehendere, et, quae iis confequentia fint , quodammodo profpicere* PRIMUM igitur, quod natura homini ardentis* fimum fui amorem ingeneravit , ac fummum vitae et confervationis ac felicitatis ftudium} ex eo ftatint haec prima lex a nobis eflfecla esc: Hominem oporu- re et corpus 9 et membra corporis\ et animum^ et vitam, ac totum ftatum fuum tueri , ut vitam quant beatijjimam tranfigat. Ex quo principle omnia officia, quae quisque fibi ipfe debet, juila eoiiclufio- num ferie posfunt exquiri ; quorum officiorum prae- cepta late patent, ac tarn ad animum et corpus , quam ad tuendam valetudinem , ad excolendas men- tis et ingenii vires , ad ftatum externum , ad bona fortunae , ad famam , exiftimationem ? laudem , glo* riam, ad fui defenfionem, ad dominia rerum j atque infinitas ad res alias pertinent: quemadmodurn exin- de etiam temperantia 9 diiigentia, parfinionia, trail* quillitas animi et moderatio , recfte factorum con- fcientia, et cetera bona et virtutes, et quae contra- ria vitia funt, facile posfunt cognofci* SECUNDO: Ex natural! fenfu benevolentiae erga alios, quern probavimus, hanc etiam prmciperil naturae legem, hoc principium efFecimus: Homi- G a mm loo Dtffift&tio de Principiis Dottrinae naturd obftriftum esfe ad ceterorum quoque h$ tninum corpus, an'tnium, membra corporis 9 vitam* totumque ftatum tuendum , ut illi etiam, quoad fieri fOtest, yitam degant beatijfimam. Ex quo princi- pio, quae erga alios fingulos homines vel etiam ho- jninum coetus, quibuscum nos peculiariter conjun* ili nonfumus > officia valeant, omnia duel posfunt ct intelligi: quae fitniliter ad aliorum hominum cor- poris tutelam, ad animi vires excolendas , ad flatum cxternum vitaeque adjumenta omnia , ad famam, lau- dem, aliasque res permultas pertinent. Hinc igitur comitas^ humanitas, liberalitas, gratus animus, ami- citiae , nemini nocendij, et aliis injuria's facile remit- tendi officium; hinc fides, aequitas, juftitia, inagni- tudo animi , et reliquae eximiae virtutes oriuntur. Hinc etiam, quae contraria Hint vitia, inimicitiae, fimultates, odia, invidiae, calumniae, obtreftatio- nes, fraudes, doli, infidiae, furta, rapinae, adulte- ria, perfidia, homicidia, et quae alia foeda flagitia Ct fcelera fant, ea omnia quam fint turpia, quam- que naturae repugnent, jam facile est ad cognofcen- dum* TERTIO: Ex infito etiam appetitu focietatis, qui homini quidem communis cum brutis animan- tibus, fed cujus major excellentia hominum pro^ pria eft , hanc vidimus naturae primam legem , hoc priii- < 'Dtffertatio fa Principiis Dottrinae morum. lot principium nafci : Homines natiird ipfa obligates esfe ad tuendam inter fe focietatem , omniaque faclenda^ fine quibus focietas^ cujus quls quo pars est^ad univer- forum falutem fruftuofa esfe mqueat. Atque haec princeps lex est fons officioruin omnium , quae vulgo focialia folent appellari , quae partim propri vi valent, partim confirmantur etiam iis officiis, quae ex fecundo principio exfiftere vidimus ; quibus quae contraria facinora funt, ea magnopere omneiu humanam focietatem perturbant. Quare ad hoc genus officiorum non modo fide^ et juftitia pertinent, neque ea modo, quae five con- jugalis , five paternae , five uni verfe domefticae fo- cietatis ratio requirk ; fed pariter officia erga vici- nos, amicos, civitatem ac patriam omnem (^). Hinc inprimis oritur infignis ilia praeceptio, quam fupra adverfus MONTESQUIVIUM defendimus (r), nimirum a communi univerforum falute privata fin- gulorum commoda obfcurari prorfus ac vinci , quae cujusque focietatis fuprema lex, praecipuumque fun- damentum debet judicari. Hinc igitur illud Ho-- RATH, Duke esfe et decorum pro p atria mori% hinc illud CIGERONIS Lib. L De Offic. cap. 17. Omnss ft) Vid, CICERO Lib. III. De Offic. c. 6. Cr) Pag. 87 et 88. Differtatio de Principiis Doftrinae morum. / Omnes omnium car it at es patriam unain complex am tsfe , pro quo quis bonus dubltet mortem oppetere, fi el Jit profuturus ? Hinc ille dux Leonidas dixit : Per git e animo forti Lacedaemonii; ho die apud infe- ros fortasfe coenabimus ; hinc unus ex Spartanis , cum Perfes hoftis in colloquio dixisfet glorians : So* lem prae jaculorum multitudine non videbitis. In umbra, igitur inquit, pugnabimus. Ac Lacaena, cum filium in praelium mifisfet et interfedtum au- disfet : IdcircO) inquit, genuerain, ut esfet , qul pro f atria mortem non dubitaret occumbere (}). Hinc etiam VIRGILIUS Lib. VI. Aeneid. vs. 655, Con/plcit ecce allos dextrd laevdque per herbam Vefcentes, laetumqne choro Paeana canentes r Inter odoratum Lauri nemus 9 unde fuperne Plurimus Erldanl per fylvamvolvltur amnis. HlO MANUS OB PATRIAM PUGNANDO VULNERA PASS I. Hinc rurfus idem CICERO Lib. III. De Offic. cap. 19. Ut enlm leges ommum faint em fingulorum faluti anteponunt, fie vir bonus et fapiens et le gibus far 'ens , et civ His officli non ignttrus , utllltatl ow niumplus, quam unius alicujus > aut fuae confulit. CICERO Tfiffrt* Qjtaeft* Lib. I. cap. 43 Dijfirtatio de Principals Dottrinae morum. 103 Nee magis vituperandus est proditor patriae,. quam communls utilitatis aut falutis defer tor propter fuam utilitatem aut falutem. Ex quo fit, ut laudandus fit is, qiti mortem oppetat pro republic^, quod de- ceat car I or em esfe pair I am nob is , quam nosmet ip- fos. Ac tandem in Somn. Scip. cap. 3. Sed quo fit alacrior ad tutandam rempublicam , fie habetote? omnibus , qui patriam confervarint , adjuverint^ Gitxerint, certum esfe in coelo definitum locum, uH beati aevo fempiterno fruuntur. Nihil est enim illl principi Deo, qui omnem hunc mundum regit, quod quidem in t err is fit , acceptius , quam concilia , cac- tus que Jiominum jure fociati , quae ,civitate$ appel- lantur. QUARTO denique , etfi fortasfe non omnes homines esfe Deum fciunt , at fcire id posfunt : ut vero rerum omnium audorem, a quo ipfi etiam pen- dent, cognofcant, id requirit animi fui excolendi of- ficium, quod primo principio praeceptoque contine- tur. Ex fenfu vero cum noflrae imbecillatis , turn ejus venerationis , qua quidquid egregium fit , quid- quid vera potentia, dignitate ac majeflate excellat, profequimur, hanc vidimus ultro manare principsm legem five principium : Quern quis cognwerit Deum 9 eum oportere colere ilium , verier ari^ ejusque fibi im- m&n propitium redder e. A qua* primS lege feu prin- G 4 cipio IO4 Differtatio fa Principiis Doftrinae moruml cipio pariter officia ergaDeum, quae vocantur, di- vinaeque voluntati ac decretis obtemperandi alacri- tas, amor, pietas, honos, reverentia, fiducia, gratus animus , atque aliae fimiles praeclarae virtutes profi* cifcuntur : quibus quae contraria vitia funt, ea non difficilem explicatum habent. Atque haec quatuor praecepta ita vera exiftima- mus, it^ cum natura humana conjunfta, ut negari nequeant nifi ab eo , qui naturam humanam prorfus ipfam tollat; ita evidentia etperfplcua, nt, qui ea nolit percipere, is animo fuo vim inferat; itzprima, ut ex natur3. homiuis , ex ejus interioribus fenfibus et inflinftibus ultro ac proxime nafcantur, quampri- mum animum noftrum ibique latentes fenfus at- que inftin&us diligentius contemplemur ; ita deniqtie univ erf alia et fruftuofa , ut nulla fint neque erga JDeum , neque erga nosmet ipfos , neque erga alios homines fingulos , neque erga focietatem humanam, imo ne quidem erga bruta animantia (/f) , quae ab ul- io homine adimplenda fint, officia, quin ex pofitis quatuor illis principiis clare et perfpicue efficiaHtur; ita denique apta ad certas notas conftituendas , qui- officiorum virtutumque omnium praecepta cog* nofcan* O Vid. fupra cap; III. psg. 74 et 75. in not. (s). 'DiJJertatio dt Princifiis Doftrinae moruin. 105 nofcantur , ut , quae ex iis principiis colligantur praecepta , his jufli ferie atque ordine inter fe de- vinctis, fumma, quae in hifce rebus haberi poffit, exfiflat fcientiae firmitas, eximiaque tandem difcipli- na exoriatur, quae cerciffimam viam ad beatam vi- tarn aperiat. Neque hie quisquam reprehendac , plura nos principia ponere , cum de uno tantum quaefiverit Societas Hollandica , et plerique eruditi unum modo principium dari difputent, ac metuendum etiam esfe, ne plura fortasfe principia ilia diverfique fenfus inter fe contendant atque adverfentur. Nam, ut pofleriorem difficultatem prius tollamus 5 metus ille de pugna principiorum totus inanis est. Quaenam enim^ obfecro, contentio posfitesfe, inter fui tute- lam et benevolentiam erga alios , quae ipfa cum aliorum erga nos benevolentiam viciffim augeat , eo- rumque favorem, liberalitatem , amicitiam, ac fimi- lia officia provocet ; ad noflram ipforum vitam bea- tiorem efficiendam inprimis prodesfe nobis debet? Ac fimiliter, cum propriae felicitatis ftudium, turn fenfus benevolentiae erga alios, uti excitant homines ad congregationes , ita hae congregationes viciffim iis magnopere ad vitae commoditates fuavitatesque omnes amplificandas profunt , ac vim benevolentiae erga alios mirifice augent. Veneratio autem et om~ G 5 nis DiJJertatio de Principiis Dottrinae uwrum. nis culms Dei reliqua tria, quae pofuimus, initia praeclare fulciunc ac fuftentant; quandoquidem qui fie generavit homitiis naturam, ut is et fe et alios diligat , et cum aliis fe hominibus confociare cupiat, Deus ille profecto nihil prius velle potest, quam ut ei naturae 9 ei amori tarn fui, quatn alio- rum , eique acerrimo focietatis fludio parent ho- mo et obfequatur : atque ei Divinae voluntati , quippe uni omnium fancWimae obtemperanduiti esfe, ipfa ilia opinio de Divinae Naturae praeftantiS. ct inde nata veneratio magnopere jubent. Praeterea, quaecurnque tandem five plura pro- bentur principia ? five unum modo commendecur , quis in morum difciplina id nobis aut praeflitit un- quam, aut poftea praellabit, utnemini, faltem fpe- cie quadam ac fallacia, officiorum ulla esfe pugna vi- deatur? quod longe fecusesfe, cum ea, quae CI- CERO Lib. III. De Offic. cap. 6. 23. 24 & 25. di- fputat, probant, turn omnium fcriptorum libri fidem faciunt* Quapropter , fi fortasfe ea incidant tempo- ra , ut et fui arnor , et benevolentiae fenfus erga alios, et focietatis fludium, alicujus animum in con- trarias fententias diflrahant, is habet profedlo, quo fe hac follicitudine liberet litemque componat, Etenim in multorum initiorum numero nos fupra pag. 65. , fequetitia pofuimus : Satins esfe , in? tefire , quod yilius fit , quam quod praeftantius; Diffextatio de Principiis DoSrinae morum. 107 Et, fi paria fint, praeftare, ut intereant pauca quam multa ; Neque partes posfe falvas esfe , nifi totuni fit falvum et incolume; Facilius etiam totuni parte carere , quam contra (if) : Ex quibus fupra pag, 87. focialium omnium officiorum hoc unum prae- cipuum officium effecimus, nimirum : ab univerfo- rum utilitate commoda fingulorum vinci ac fuperari. Ex iis praeceptis igitur quisque facile petet, quo tollat animi dubitationem : quod fi vero cjusmodi tit causfa , in qui nullum eorum praeceptorum valeat, certe nulla fie ratio erit ? cur quis alium fe ipfo ca* riorem habere, fibique anteferre cogatur. Quod nunc a4 alterani difficultatem attinet, unum a plerisque principium poftulari , et de uno tantuni principio in noftra quaeflione rogari, id parum nos retardat. Primum, quod unum modo principium morale esfe queat, ejus opinionis temeritatem fupra refutavimus. Deinde Hollandicae dodlrinarum So- cietati hoc folum propofitum fuit, ut doftrinae mo- ralis certa ratio esfet et firmitas: quae utrum ex uno, an ex pluribus quibusdam principiis certis exoriatur, parum interest. Si, uti in Geometril etin multis aliis ^) Non difputo* de verbis. Nifi liaec axiomata fint ,^ funt certe communes notitiae , et , quamquam fortafle in aliis di~ fciplinis demonftrentur , in morum do&rina fine demonftratio- De valere debent, atque iniciorum locum tenerc. Dijfirtatio dt Principiis Doffrinae m aliis difciplinis , ita in morali doclrina hoc ipfa fert natura, ut plura initia fmt; qui hoc reprehendk, HOD noftram aut tarditatem aut voluntatem, fed ip- fam naturam arguit (y). Et,.qui omnia,omnino vi- vendi praecepta ad unura principium referre volue- runt, eorum quam inanis, quaefo, quam infrucluofa induftria fuit? Quam laborarunt, ut ex uno princi- piofuo, quae eo non continebantur praecepta, tor- quendo tamen et in varias panes verfando fuo in- genio, ncc fine fudore, qualicumque tandem modo, efficerent ? Quam nobis ejusmodi faepe obtrudere principium voluerunt, quod adeo a natura non esfet ductum, ut abhorrereta natura 1 , afcnfu, ab intelli- gentia omni , et tarn doftos quam indodlos pariter ofFenderet^ At nullos alios profedlo homines magis oportet faciles esfe ad nonnihil concedendum ? quam philo- fophos : qui illud maxime praeftare debent , ut , quanto quaeque difciplina gravior fit, tanto minus eruditorum disfenfio ejus firmitatem vel tirmitatis opinionem minuat ac labefaclet. Quapropter , fi quis unum omnino principium velit, ei ? falva omni^ doftri- , (v*) Plura etitim principia pofTe " moralia dari , fatetur HULSHOFF, vir doaiffimus, de Pot eft ate Dei cap. IV. pag. 33 G n differt. ftolpian.), 'Dijjertatio de Principiis DoHrinae morum, dodlrinae noftrae ratione, morem nos geremus. Ni- mirum is quatuor noftra principia un formul& com- pleftatur, veteresque philofophos imitatus, hoc unum ponat principium : S&cundum naturam yivendunt esfe. Etenim illi fenfus interni, illi appetitus et de- clinationes , illae primae notitiae ac femina virtu-;" turn, a quibus nos quatuor noflra principia duximus, ita noflra natura continentur, ut nemo j naturam^ vel, quemadmodum alii loquebantur, venienter naturae vivere, quin is necesfario quatuor noflra principia fequatur. Homini docet CICERO in bonis id esfe ultimum 9 SECUNDUM NATU- RAM VIVERE; quod ita inter pretamur^ vivere ex Jiominis natura^ undique perfeftd et nihil requiren- te. Lib. V. De Finib. cap. 9. et feqq. Alibi dick, 1 nimirum Lib. I. Ac ad- Qttaeft. cap. 5. Ac pr imam illam par tern bene vivendi a natura pet eb ant (nimirum cum veteris turn novae academiae philofophi) eiquc parendum esfe jubebant , neque ulld alia in re? nifi in naturd) quaerendum esfe illud fummum bonum , quo Omnia referrentur : conflituebantque extre- mum esfe rerum expetendarum et finem bonorum* adept um esfe omnia e natura et animo et cor pore et vitd &c. (^). Atque haec ratio etiam hanc laudem habet. Confer* CICERO L.\l< DC Fintt* c*-n. et no Differtatio de Principiis Do&rinae tnorum^ liabet, ut praeftantium ex antiquitate philofophorum do&ritiae ea propius confentiat. Quae res fortasfe cum G u o T i u M (tf), turn alios fummos viros mo- vit, ut, ad Veterum imitationem, convenientiam ac~iio- jium cum natura humana, veluti principem legem, princlpiuttique morale ccmmendarent (j). At, quo- minus tantorum virorum ego fequerer audoritatem, cjus formulae quaedam ambiguitas aut certe ob- fcuritas efFecir. Neque enim 5 fi cui praecipias , ut fecundiim naturam vel convenient er naturae vi- va* , is facile intelliget , quam naturae notionem animo et cogitatione oporteat informare : itaque me- tuendum est fortasfe, ne haec formula variae inter- pretationi multisque etiani erroribus pateat : idque magis etiam, quod ipfi vet'eres earn multiplici modo funt interpretati (^). At O) De Jur. B. et P. in Proleg. $. 8. et n. et Lib. I. cap. i. . n. 00 ERNEST, in Jur. Nat.. . 30. (Init. Doftr. folid.). (j&) Secundum naturam vivere , id efl , virtute adhibitu w frui a natura datis: Callipho ad virtutem nihil adjunxit, nifl ?> voluptatem : Diodorus , nifi vacuitatem doloris : his omni- j,bus, quos dixi, confequentes funt fines bonorum. Ariftippo (implex voluptas; ftoicis confentire naturae; quod efle vo- ^lunt, e virtute, id eft honefte vivere: quod ita interpretan- ^tur, vivere cum intelligent earumrerum, quae elfent fe- CUR* DiJJertatio quod ofJLohoyiav Strict, nos CON- VENIENTIAM appelkmus, &c. CICERO Lib* III. De Finib. c. 6. Arque haec eadem Ratio docet: ca expetenda esfe maxime , quae plurimum habeant dignitatis; virtutem adeo expetendam esfe maxime ; animi virtutem corporis vlrtuil anteponcndam esfe; Qnimique virtutes non voluntaries vinci a virtutibus voluntariis. CICERO Lib, V. DeFlnib. cap. 13* 'JDiffertatio de Principiis Doormat mwum. * C O N C L U S I O. H- is igitur, quae diximus, invefligatis , inventis, coultkutis, ac plene confirmatis quatuor principiis , ut operi noftro, prope jam abfoluto, tamquam fafti- gium imponamus , hunc conftituere fyllogismum posfe nobis videmur, quo, quae fufcepta res est, _ T . nunc tota connciaiur. Igitur: v ,3 Quodcumque natura humana exigit^ ad- id homo ipfa natura moraliter obligates est. Atqui natura humana omnino exigit, i. ut 3, homo corpus, et animum, et vitam et ftatum ? , fuum omneni tueatur : 2. ut tueatur fimiliter 3, alios homines : 3. ut tueatur focietatem, cujus pars fit : 4. ut omnium excellentiffimam Natu- 3, ram, Deum, colat ac veneretur. 3, Ergo ad quatuor ilia praecepta, ad fe, ad 3, alios , ad focietatem tuendafn , ad venerandum 33 Deum 3 homo ipfa naturS. moraliter obligatus 3, est. Hujus fyllogismi majori, five propofitionij quarn vocant Logici, nun video quid ebjici poffit dubitatio- nis: fi hoc non fit axioma, nulla pi$fant alia inve- niri profeclo: atqui jam diximus, <:um iis nolle nos H 3 . difpu- *vlio Dijftrtatio de Principiis Doftrinae morunt* difputare ; qui omnia negent. Quis medicus velit convincere errorem ejus, qui aut corporis humani naturam totara tollat, aut, qui, quod corporis natupa 1 eviclenter requirit , atque requirere earn ipfe fate- v tur, id tamen neget ad valetudinem five tuendam flvc infiaurandam quidquam prodesfe. Neque nunc admodum memo , ne quis fortaffis "verbum oUlgari captet ac reprehendar. Etfi enim bene novi, da obligationis definitione inter fe di- ^icrepare eruditos, de e tamen non rogarunt Socie- tatis Hollandicae Moderatores , quin contra diferte noluerunt ea difputari, quaecumque ad ipfam ex^ plicandarn quaeftionem non Tint prorfus necesfaria, Accedit, liodie quidem de eft re videri minus esfe < iterum vis appareat ac ratio , non unum fenfum quemdam, non humanae naturae partem, ftd earn naturam univerfam nos compledti. Atque ea de causfa, quod ilia momenta ab ipf^ natura exfifluntj naturalis ilia obligatio , ac lex naturalis officiaqne itidem naturalia dicuntur. Quamobrem omnis vis noftri fyllogismi noftrae- que difputationis a firmitate pendet a&fumtionis, Nimirum an fert hoc et exigit natura huniana, ut, i . homo corpus et animum et vitam et omnem ila- tum fuum tueatur? 2. ut tueatur fimiliter alios ho- jnines ? 3. ut tueatur focietatera , ad quam pert\- H 4 nest? Differ tatio de Principiis Doftrinae morum. neat? 4. uc colat ac veneretur Deum? Omnino haee quatuor , quae diximus}, ita necesfario fert et requi- rit natura humana, ut, ea qui tollat, ipfam hominis tollat naturam, hominemque ex homine exuat, id quod fupra confirmavimus : nee fere flint, qui du- bitent , nifi forte , qui nihil fciri posfe 'comendant. Quomodo enim, obfecro, fieri potest , ut> qui fe amec homo, Js tamen corpus anirnumque non debeat merit Qui benevolentiae erga.alios fcnfti ab ipfa na- tura moveatur , ut eum prodesfe aliis non oporieat ? Ut, qui focietatem et expetat, et fine ea mifere vi- vat, ab eo tamen illam, cujus pars fit, focietatem defendi non necesfe fit? Ut denique, quam quis ag- nofcat atque fufpiciat excellentisfimam omnium, fumme potentem atque intelligentem naturam, earn non debeat venerari ? Contra, haec adeo inter fe conjuncta funt, ut alias notiones interjeftas requi* rant nullas, quarum demum adjumento probentur: quocirca vel aperte esfe falfa ilia debent (quod ne- mo fanus dixerit), vel ita perfpicua atque evidentia, ut ultro, veluti axiomata , fint concedenda: qualia quinegant, ii omne tollunt verum, omiiesque di- fciplinas evertunt. At, qui malit, loco quatuor, quae ego pofui, principiorum, illaveteri, quam commemoravi, for- snul& uti 3 fecundum naturam , vel congruent er na turae Diflertatio de Principiix Do&rtnae wvrum, I2f turae vlvendum esfe 9 ei jam dixi, me non admodum repugnare, modo is bene interpretetur illam formu- lam, ut quatuor illis, quae conftitui , principiis con- fentiat. Itaque is hunc fyllogismum conftituat : Quodcumque natura humana necesfario exi- 5 , git , ad id homo natura moraliter obligatur. Atqui Natura humana necesfario exigit, uc homofecundum naturam five convenienter na 99 turae vivat. Ergo homo ad vlvendum fecundum natnram, five convenienter, naturae moraliter obligatur." Atque illi nunc fyllogismo nos hunc alterum ad vi vendum fecundum naturam (/). Ergo CO Nana ejusmodi eft conclude fyllogismi fuperioris. H 5 432 Diffcrtati* dt Principiis Doftrinac tnorum* Ergo homo pariter quatuor, quae diximus* ;,, naturae praeceptis est obftriftus, ac moraliter 3, obligatus ad omnia officia explenda, quae ex 3, quatuor illis primis praeceptis necesfaria con- fecutione colligantur." Atque his ica conflitutis , non dubitamus , quiti tiniverfae quaeftioni Societatis Hollandicae fie oppr- teat refponderi: I. i. 3> Omnino rationi confentaneum esfe, 5, ejusmodi indagare five unum principium, five 99 principia quaedam , prima atqtie univerfalia, 55 quae fundamenta Tint moralis oblrgationis , et .,, ex quibus magis propria et peculiaria officio- w rum genera omnia ducantur." 2,. 9 ,Idemque porro, ad communem vitam qui- ? , dem minus , ad morum vero doctriham prorfus 5 , esfe necesfarium * ut tamen non necesfe fie unum modo ejusmodi principium exquirere et 3, probare. 2 ' 3. ,, Ceterum, quae aequitatis, jtiftitiae, ho- nedatis , virtutum omnium , omnisque obli- 3, gationis moralis initia fint, eorum perveftiga- tionem cum ad vitae communis ufuni, turn ad moralb doftrinae perfpicukatem, firmitatem> fplen- Diffeftath de Principits Dottnnae mortirn. '133 fplendorem, decus, et ornnem praeftantiam in- ? , primis utilem esfe et peregregiam." , II. Ipfa vero prima ilia , atqne univerfalia ? , principia, quae fundamcnta Tint omnis obliga- 5 , tionis moralis, et ex quibus propria magis et peculiaria officiorum genera oillnia posfmt re- ? , peti, nulla alia esfe, quam haec quattfor prima praecepta: nimirum, tit i. homo tueatur et cor- ? , pus et animum ^ et vitam et omnern ftatumfuum: 2. ut tueatur pariter homines allot: 3. ut tuea- 9> tur focietatem , a d quam fertineat : 4. ut , quern 5) quis cognofcat Deum , col at ac veneretur"* ,, Auc fi quis omnino unum principium malit: af hoc fequens esfe praeceptum : Hominl fecuri- dum naturam esfe yivendum: id est, (uti equi- dem interpreter ); homlnem vivere oportere 5 , fecundum ilia quatuor , quae pofui ? prima na turae praecepta , ceterasque leges , quae ex iis 3 , principiis jufta conclufione efficiantur." Ecce igitur, Viri do6lif?imi! Doftrinae mora- Iis five principium five principia, (neqtie enim ad Do6lrinae illius praeltantiam id magni refert); ec- ce igitur principia, ilia quidem prima, vera, per- ipicua, atque uuiverfalia^ quaeque certain notam habenr, DiJJertath fa Principlis DoSrinae moruml -habent, omnia , qtiae in quacumque vitae parte fervanda lint, officia ftudio ac ratione cognofcen- di: neque ilia temere excogitata, aut pro ingenii quadam ubertate leviter fifta, neque ex ullius ho- minis arbitratu vel imperio profefta, fed e natur ipfa haufla , arrepta , expresfa ; omninoque apta ad earn tandem exornandam difciplinam , quae , vi- ticrum emendatrix , virtutumque omnium com- .mendatrix , viam aperiat ad earn , quam quisque aidentiflime expetit, bea.am vitam confequendam. Atque haec difciplina quanto gravior est, tan- to vos, Viri eruditiflimil praeclarius de omni gene- re humano meremini, qui, ponenda eximia quae- ilu-nc t -i 6lorum virorum induflriam et ingenia ad earn folvcndam excitatis , iisque ad tantam rem ef- ficiendam excitandis , quantum in vobis est, faci- tis , ut ejusmodi forte inveniantur ac ponantur, vel emendentur atque explicentur principia , quae ad ilabiliendam pulcherrimam Qmnium doftrinam, omnesque dubitationis tenebras difpellendas valeant : Et quae principia, quominus ad hoc usque tempus inventa esfe auc bene explicata videntur, eo plu- ris interesfe univerfi generis humani debet , ut tandem aliquando 3 quae quidem certa firmaque fint, ponantur. Quocirca, fi quid in tanta re prae- ftare DiJJertatio de Principiis Dottrinae mritm. 12$ ftare ego fortaffis potui, (volui quidem libenter), ea veftra laus putanda est. Sin autem major! ja- genio et exquifitiori doftrinS philofophi, noftro conatu majora atque iliuftriora expromferunt ; quae inde ad nobilem difciplinam veramque fapien- tiam omnem incrementa, atque ad univerfum ge- nus humanum emolumenta accedant, eorum fimi- iter omnis causfsi a vobis profedla debet ccnferL F I N I T tW E E D E c ANTWOORD ' OP D E V R A A G E, i VOORGESTELD DOOR Dfi ( * HOLLANDSCHE MA ATSCHAtPYE DER WEETENSCHAPPEN TE HAARLEM, Over den eerflen en algemeensn grond van zedelyke verpllchtlng^ enz* DOOR ONDER. DE ZINSPREUK: t mXov Trust* KM pay Aan welken Schryver het Accesfit van eenen ZILVEREN MEDAILLE is toegeweezen. TWEEDE ANTWOORD Of R A A G: Zedert lange zoekt men na den eerjlen en Alge* meenen grond van Zedelyke Verpllchting Hit welke men alle meer byzondere hoofd- Joorten van Plichten zou kunnen aflei- den c> JL/e eerfte en hoogfte van alle zedelyke wetcen zul* lende voordragen, moet men naar myn oordeel tefFensi aantonen , dat deze vooreerst door de fterkfte , zo wel uit> als inwendige verplichting bekrachtigd is : ten tweeden alle overige zedelyke wetten in zich bevac, en bygevolg alle vrye handelingen der menfehen be- 1 30 TWEEDE ANTWOORD OP ns VRAAGE " paald ; waar nit ten derdeu geraakkelyk zal kunnen worden, afgeleid, dac dezelve met alleen zeernuttig, maar ook nooclzakelyk.is: men zal 'er ten vierden kun- nen byvoe^en, dat, daar zy zich tot alle menfchen uitllrekt , het niet zeer moeilyk is , om dezelve te zoeken en te leren kennen. *, Om het eerftc der opgenoemde ftukken te bewyfen, word 'er voor alle dingen vereischt, dat ik verklare, wat men naar,myn inzien omtrent het oogmerk en het voornaamfte doeleinde , waar toe de Allerhoogfte alle eindige wezens heeft voortgebragt en onderhoud , be- hoorc vast te ftellen. Dit nu bepaald hebbende , zai men ook dan eersc kunnen nagaan, door welke mid- delen de Schepfelen ter bereiking van dit doel het- meest gefchikc gemaakt worden. Het zal derhalven niet onnuttig zyn, dit vooraf kortelyk te ontvouwen. God, een oneindig wezen, die uit kracht van zyn beftaan alle verhevenfle wezenlykheden en volmaakt- heden van eeuwigheid bezit, kon echter niet Schep- per genoemd worden, voor dat hy iets voortbragtj nog onderhouder, tenzy hy, het geen hy had voortge- bragt, deedt voortduren, nog de hoogfte Beftierder van zyne Schepfelen, zonder dezelve overeenkomftig zyn voornaamst oogmerk in te richten. ovERDEZEDELYKEVERPLICHTING,ENz.i 3 t De zo evenge nelde hoedanigheden zyn de uitwen- dige kenmerken van God; becrekkingen, in genen dele ftrydig mec zyne inwendige volmaaktheden, maar veeleer met dezen op hec naauvvfte verbonden en over- eenftemmende: Uic welke overeenftemming eene vol- maaktheid geboren wordt, dog geenzins eene inwen- dige ; want deze was boven alle aanwas en vermeer- dering verheven: welke derhalven , daar uicerlyke.merk- tekens dezelve bepalen, niet ten onrechte de uitwen- dige volmaaktbeid van God kan genoemdworden. De volmaaktheid nu, van welke wy fpreeken, is buiten alien twyffel iecs goeds, iets wezenlyks; want zy is met wezenlykheden verbonden , namentlyk met goede handelingen: vvaarom zy zelve eene wezenlykheicl zyn moer. God heefc ook deze volmaaktheid bedoeld : dus is ze het oogmerk van God , en welhetvoornaam-. fte oogmerk, omdat hetzelve uit alle daden van den Alwyfen volgt en onmiddelyk voortvloeit. De uit- wendige volmaaktheid is derhalven het uitterfte doel- einde, het welk God met de waereld te icheppen, te onderhouden en te beftieren wilde bereiken. Want, indien iemand het oogmerk. van alle de handelingen cenes verftandigen wezens tracbte op te fporen, zal hy geen eindc aan zyn onderzoek vinden , tot dat hy tot eene wezeniykheid gekomen zy, welke of tot de uitwendige of tot de inwendige volmaaktheid van hem, I a die 1 32 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGB die ze bedryvt , behoorc : het welk ieder, die die wilde beproeven, terftond zal in 't oog vallen. Men kan dit ook op deze wyze begrypen. Het doelwit van alle de werken Gods moet noodzakelyk buicen dezelve gevonden worden 5 omdat zy te famen genoraen met derzelver eigenfchappen hier toe de mid- delen zyn : maar hetzelve is ook buiten God. Der- halven kan 'er , uitgenomen het bovengemelde, geen ander oogmerk uitgedacht worden, omdac 'er behal- ven die wezenlykheid geene is, welke hier uit en wel tot God terug keen. Indien iemand ondertusfchen dit ontwerp liever door eeae andere bepaalde uitdruk- king wilde te kennen geven, heb ik 'er niets tegen, b. v. door het woord van Gods heerlykheid , waar aan ik oordeel dat deze betekenis met meer gefchikt- heid kan gegeven worden, als'die, welke men door- gaans daar aan toe fchryvt: of door eene andere be- naming na goedvinden, zo men flegts de zaak zelve behoude , en met deze niet verbinde het gevoelen van die genen, welke geleerd hebbcn, dat God zynevol- maaktheden heeft will en bekend maken , en daar uit zogten te betogen, dat God ook de mtoeffening van 2yne flraiFende rechtvaardigheid , langmoedigheid en mededogen bedoeld heeft : de uitoeffening van welke volmaaktheden naar myn begrip geenzins uit het oog- merk van God, maar uit eenen geheel onderfcheiden bron OVER DE ZEDELYKE VERPL1CHTING, ENZ. 133 bron moet ontleend worden : om welke reden ik ge- oordeeld heb het voornaamfte doeleinde naauwkeuri- ger te molten bepalen , opdac men niets van alle deze dingen daar uit zoude kunnen afleiden. INiemand is 'er voorzeker, die niet geredelyk zal toeftemmen , dac het hoogfte wezen ook zyne grootfte uitwendige vol- maaktheid bedoeld hebbe, dac is de beste overeen- ftemming van zo veele en zo groote becrekkingen , als 'er of op eens of in vervolg van tyd zyn konden ; nie- mand , zeg ik , die by zich zelve overweegt , dat door den Alwyfen altoos hec besce boven een minder goed gefteld wordt. Deze uitwendige volmaaktheid vereischte, dat 'er ten alien tyde zo veele en zo groote zaken in betrek- king tot God flonden , als mogelyk waren : dus , dac dezelve wierden voortgebragt , dewyl , het geen nice beftaat , geene betrekking tot eenig wezen hebben kan ; het welk van zelvs blykt. Het is niet minder duide- lyk , dat deze zaken de voortreffelykfte , die mogelyk waren, dat is in haare foort volmaakt behoorden te zyn, omdat, naar mate een wezen, het welk eene betrekking tot God \heeft, volmaakter zy , zo ook die betrekking zelve groter zyn zal. Groter, omdat ze befchouwd kan worden, als uit meer kleineren te fa- onen gefteld. Dus is de betrekking van de geheele waereld groter, dan die van elk deel deszelven. I 3 Even I 3 4 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE Even zo is het met opzicht tot de trappen van vol- rcaaktheid , door welke de eindige geescen van elkan- der verfchillen, gelegen. Laat ons hier uit befluiren, dar de algoede ooifprong' aller dingen aan ieder zyncr fchepfelen die volmaaku held heeft toegedeeld , voor welke zyne natuur vatbaar was. Daar nu deze verdeeld worden in werkende" wezens, en in zodanige, welke het vermogen om ce Werken niet bezitten ; heefc Hy de eerfte en wel die gene onder dezelven, \velke met eene redelyke ziel begaafd zyn , en aan welken wetten kon.den gegeven worden , nice alleen met de vereischte krachten om te werken toegerust, maar heefc ook gewild, dat zy de- zelven overecnkomftig het beste doeleinde zouden aan- wenden. Waar uit deze hoogfle zedelyke wet , aan alle redelyke en verftandige wezens gemeen , word afgeleid: Leg u met al uw vermogen daar op toe, dat uwe betrekking tot den oneindigen God alcoos de grootfte en beste zy, welke zy zyn kan." Dit wil God , dat gefchiede : want hy heeft de overeenflem- ming van de meeste en grootfte betrekkingen bedoeld; dus ook de grootfte betrekking der eindige geesten ; en bygevolg is deze wet met dc fterkfte uitwendige verplichting verbonden. De grootfte betrekking, waar in de mensch tot God ftaat, OVER DE ZEDELYKE VERPLICHTING, ENZ, 135 flaat , kan geen plaats hebben , ten zy de mensch de hoogfte volmaaktheid bezitte, welkezyne natuur kan bevatten. Ik heb reeds te voren gezegd, dat, hoe voortreffelyker en volmaakter een wezen zy, hetwelk tbc God betrekking heeft, hoe groter ook die becrek- king zelve is. Eene wet derhalven , welke de beste betrekking van den mensch tot God vordert, eischt ook de hoogfte volmaaktheid en gelukzaligheid , wel- ke in den mensch vallen kan. De mensch wordtdooi zyne eigen Natuur aangezet, om die zelvde volmaakt- heid te bereiken , en her kan niet anders zyn , of hy moet ook uit dien hoofde deze ten iterkfte verlangett. Want de wil van den mensch volgt alcoos eene duide- lyke kennis van zyn veriland , waar door hy boven de redeloofe dieren verheven is, en wejke alleen de da- den 9 welke den mensch waardig zyn , regelt en be- paalt. Het geeri nu het verfland zich duidelyk voor- flelt , moet noodwendig iets zyn ; en is dus iets we- zenlyks, iets goeds, met andere wezenlykfieden t' fa- menftemmende. Wanneer de mensch deze overeeri- komst geheel opmcrkfaam doorziet; zal hy het van zynen plicht achten, eene zaak, welke hy heeft Jeren kennen, en welke zyne krachten niet te boven gaac, te volvoeren; een groter goed zich daar van beioven. de : en met rede; dewyl iets wezenlyks, ui: eene w6 zenlykheid g'eboren , ook wederom iets wezenlyks voortbrengt, Daar tegen zal hyhetkwaad, het te- I 4 I 3 geluk*; Tracht u zelve te volmaken: de opvol- ging van welke uwe krachten te bovengaat, ten zy iemand daar te boven aantone , waar van daan gy de vereischte middelen, om dezelve ce volbrengen , be- komen kunt. Eer ik echter uit het tot dus verre gezegde het be- lluit trekke , dat de bovengemelde wet alle vrye han- delingen der menfchen bepaalt , zal het van myn voor- nemen geenzins afwyken ^ vooraf te herinneren , dac de grootfte betrekking van den menseh tot God ook hec I 4 o TWEEDE ANTWOORD op DE VRAAGE het allermeest t' famengefleld is, en alle betrekkingen , 'welke tusfchen God en den mensch kunnen plaats hebben, ieder in 'c byzonder in zich fluit; en zo vele opklimmingen en vermeerderingen toelaat , als 'er trappen zyn van die volmaaktheid en deugd, welke de mensch in ftaat is te bereiken. Het welk zeer ge- makkelyk en eigenaartig kan worden opgehelderddoor de voorbeelden van eenen burger uit eenen lageren (land en eenen vriend des Konings tegen over elkan- der te ftellen : welke beiden , dog ieder in eene zeer verfchillende betrekking tot hunnen Koning ftaan. Dit zo gefteld hebbende kan men hier uit befluiten, dat de bovengemelde wet vooreerst alle plichten be- vat, welke wy jegens God betrachten moeten. Want het denkbeeld van eenen almachtigen Schepper, en bygevoJg ook van eenen Opperheer van 't Heelal, als den goedertierenften Weldoener en Wysten befchik- ker van alle dingen , gebiedt zonder tegenfpraak de plichten der grootfte gehoorzaamheid , der hoogfle liefde , van het flerkst vertrouwen in hem te ftellen , n alle overige plichcen, welke van dezen afhangen. Dezelvcle Wet beveelt ten tweeden , dat wy in al- ien delen na de hoogfte volmaaktheid ftreven, die in den mensch vallen kan : weike het my vergunt zy in inwendige en uitwendige te onderfcheiden. Tot de eer* OVER DE ZEDELYKE VERPLICI ITING , ENZ. 1 41 eerfte breng ik de volkomenheid van de ziel en het lichaam: welke geen van beiden kunnende verkregen worden zonder het opvolgen van eenige Regels 9 fchryfc zy ook deze voor: welke ik echcer als ce alge- meen bekend, om ze hier breedvoerigcr ce behande- len , niet ten onrechte voorby ga. Ten opzichte van die plichten , door welken de uitwendige itaat van den mensch verciert en bevorderd word, acht ik het nodig , het een en ander aan te merken. De uirwendige volmaaktheid van den mensch be- ftaat in de overeenftemming van alle zyne betrekkin- gen met zyne inwendige bepalingen : waar toe niet alleen behoren alle zyne betrekkingeti tot de zaken , van welken hy gebrtiik maakt, ten minfle in llaat was gebruik te maken , om zyn ziel en lichaam tc volma- ken , maar ook in 't byfonder de zodanige , welke daaruit ontftaan, dat de mensch" oorzaak is geworden van eene wezenlykheid buiten zich , uit welke de be- werker zelve flegts eene geringe, ja! byna in 'tgeheel geene nuttigheid voor zich fchynt te trekken. Men moet echter niet denken , dat dit voordeel van zo wei- nig aanbelang is. Want , gelyk wy reeds boven aan- gemerkt hebben, de betrekking, welke 'er tusfchen hem en zyn gewrocht plaats grypt ? wordt uit eene we- 1 42 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE wezenlykheid geboren , namentlyk uit een goede daad en is dus zelve eene wezenlykheid. Hec welk duide- lyk zal worden door deze betrekking te vergelyken met die, welkc omftaat, wanneer iemand eenige on- volmaaktheid naar buiten veroorzaakt heefc , welke icder zal oordelen kwaad te zyn. Gelyk dan deze den uitwendigen llaat van den mensch ontciert en ver- crgerc , zo wordt dezelve door gene verrykt en ineer en meer volmaakc. En wie is 'er, die niec deeds den bewerker yan het geluk van anderen zal hoogachten ? Daar nu iemand niet min verplichc is 7 zynen uit- wendigen als inwendigen ftaat te volmaken, moetmen ook gene gelegenheid , om zodanige daden te verrig- ten 5 laten voorbygaan. Het zelvde kan men zich ook op deze wyfe voorftellen. De mensch zoekt in alle zyne handelingen het goede. Dit goede bevor- dert of zynen uitwendigen of zynen inwendigen flaat. Daar 'er nu geen derde mogelyk is , worden ook alle zyne daden door de voorgeftelde wet bepaald : waar- om die zelvde wet ook op deze wyfe kan worden uit- gedrukt. Bewerk zo vele en zo grote wezenlykhe- den in en buiten u , als 'er door uwe krachten kun- nen te weeg gebragt worden." Daar gy nu geen van beiden zonder de vereischte ver,mogens, welke gy of reeds door God aan u ge- fchon- OVER DE ZEDELYKE VERPLICHTING , ENZ. 1 43 fchonken bezit , of nog van zyne hand verwachten moet , in ftaat zyt te volbrengen ; zo houd in alle uwe bedryvcn uw oog gevescigd op den oorfprong alles goeds, en gedraag u zodanig, dac gy met een gegrond vertrouwen al , wat u nodig is , van hem kunt verwachten. Wanneer gy dit zulc gedaan hcb- ben, 'zal uwe betrekking toe God de beste zyn. Ik ga thans over tot de nuttigheid, die de hoogfte zedelyke wet fchynt te zullen aanbrengen : welke voorzeker niet gering is. Want indien wy de deugd- zaamheid onzer daden niet ten onrechte naar wetten afmeten, is 'er ons voornamentlyk aan gelegen, te weten, of die wetten waar en zcker zyn. Daar nu van de lagere wetten gene rede kan gege- ven worden zonder eene hoogfte wet, in welke alle overige wetten vervat zyn , begrypt men gemakke- lyk, dat de zedelyke wysbegeerte zonder eene hoog- fle wet onzeker en twyffelachtig is. En hoe, bid ik u , zult gy kunnen betogen , dat de deugd , waar op gy u beroemt, de ware deugd is, zonder aan te to- nen , dat dezelve met de ware wetten overeenkomftig is? Waar uit men kan opmaken, wat men te denken hebbe , aangaatide het gevoelen der genen , die zeg- gen , dat de deugd om haar zelve moet gezogt en uit- geoeffend worden. 144 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE Zy, die Icren, dat men de Natuur moet volgert, bL'horen voorat* te bewyfen, due de Naruur van den measch nog zuiver en envoi komen is. Zo lang die nice gefchied fchynen ten minfte die plichten , welke uic dezc of gene ingcfchapen drifc worden afgeleid , geen den miniten grond te hebbcn. Deze hoogile wet lecft vervolgens, wanneer meer plichten te famen lopen, aan welken men den voor- rang moet geven, ten naasten by op deze wyfe: ftel de plichten jegens God boven alle anderen , maar merk ook alle uwe overige plichten tevens aan , als aan God verfchuldigd , en laten uwe handelingcn nini- mer aanlopen tegens al , wac de hoogfte gehoor- zaamheid, welke gy Hem betonen moet, van u af- eischt. Met opzicht tot de plichten, welke den niensch zelve meer van naby betreffen, moet men diegenen, door welke de volmaking van dezielbevorderdvvordt, \ r an groter belang rckenen , als die, welke omtrenc het lichaam; en dezen wederom boven die, welke men omtrent zynen uitwendigen ftaat verplicht is te betrachten , den voorrang geven : wanneer nament- lyk de voorgeftelde voordelen gelyk zyn. Zyn dezc daar tegen ongelyk moet de wet van het bestegelden, dat eene grotere wezetilykheid van het lichaam boven eene ovERDEZEDELYKE VERPLICHTING, ENZ. 145 eene mindere wezenlykheid van de ziel, en eene gro- tere wezenlykheid, welke buiten u kan wordenvoort. gebragt* boven de volmaking zo wel van de ziel, als van het lichaam behoort gefteld te worden. Waat toe ook fchynt te behoren het behoud van het alge* mene welzyn of van den perfoon, die het bewind in handen heeft, b. v* van eenen Koning, van cenea Vorst enz. Deszelvs gebruik fchynt zich nog verder uit te flrek- ken in de Godgeleerdheid , en tot het bewyzen van meer andere waarheden te kunnen dienen. Dus kan men de hoogfte wet, als het doeleinde, en de Natuusr der genen, nan welken zy voorgefchreven wordt, als het middel aanmerken. Daar nu alle oogmerken en middelen van den Alwyfen in eene wederkerige over- eenkorast ftaan , kan men daar uit afnemen 9 met wel- ke vermogens de mensch, zo als hy uit de handen van God kwam , is begiftigc en toegcrust geweesr* Wannecr wy deze met de geringere krachten , welke wy in de overige menfchen ontdekken, vergelyken^ worden de laatfle ongenoegfaam bevonden , om het gezegde doeleinde te bereiken : waar uit de noodza-* kelykheid van eene nadere openbaring , van eenen verlosfer, en het geen in dezen vereischt wordt, dui- delyker zal kunnen bewezen en afgeleid' wordeiu K Mea 146 TWEEDE ANTWOORD OP DE VRAAGE Men zal bevinden f dat in de zedelyke wysbegeerte de drangredenen uic de tegenwoordigheid van eeneu God afgcleid vecl krachtiger zyn, dan alle de overi- ge; vvaar uit dan ook volgt, dac de Godsdienst en de zedelyke wetenfchap niet door zo grooc eenen af- ftand van elkander gefcheiden zyn , als zommigen wel menen , maar dac zy veeleer door eenen gemenen band met elkander verenigd zyn. Zy zal den Leer- meester onderrichten ? welke voorfchriften hy den te- dere hanen der Jeugd moet inboezemen, ommetdeze gewapend de aanlokfelen der ondeugd te kunnen weer- flaan. Ik heb boven in de vierde plaats geftelt, dat de hoogfte wee niet moeilyk behoorde te zyn , om ze te kennen. Want elk een, die toeftaac, dat men zich van het beftaan en de voortduuring van den mensch , zonder eenen almachtigen Schepper en onderhouder, geen denkbeeld kan vormen, moet ook die betrek- king van den mensch tot God , waar van wy gefpro- ken hebben, toeftemmen. waar uit de voorgeftelde wet byna zonder eenige moeite wordt afgeleid; waar- om ons ook de dagelykfche ondervinding leert , dat , wanneer men de menfchen tot hun plicht wil terug brengen , en hen doet opmerken , dat God dit of dac Wil of verbiedc, zulks by hen meer vermag, dan alle an- OVE& DE ZEDEL YKE VERPLICHTING , ENZ. i4X andere drangredenen* Want zy begrypen geraakke- lyk, dat hunn^ betrekking toe God die gehoorzaara- keid van hen vordert. Tot dus verrc. DISQUISITIO ALTERA A D Q UJE S T I ONE M SOCIETATE SCIENTIARUM HOL- LANDICA, QU^E HARLEMI FLO- RET, PROPOSITAM* Utrum detur Pnnciplum umverfak atque funda- mentum obligationis , et , fi detur ? quodnam tan- dem illudfet. , A U C T O H E SYMBOLUM Ei fort KOL\W KOLSLV mi no town DISQUISITIO ALTERA D E PRINCIPIIS DOCTRINAE M O R U M. ,orum legem omnium principem et fummam indi- caturura, me quidem judice , fimul oportet oftendere: illam I) obligatione fumma et externa ec interna fanci- tarn esfe ; II) Omnes reliquas leges morales comple&i, adeoque omnes liberas hominum a&iones determinare. Unde III) facili negotio poterit coliigi , illam non ulitisfimam modo, fed etiam necesfariam esfe. ^Po- teric addi , quia ad omnes homines pertine: , illain cognitu non adeo difficilem esfe. Quorum primum ut demonftrem , ante omnia opus crit, ut, quid de confilio et fine ultimo, quo fura- mum numen omnia entia finita produxerit atque con- fervct, cenfeam ftatuendum, aperiam. Quo pofito demum poterit intelligi ? quibus rebus creaturae ad K 4 hunc j 5 2 Disquijitit Aherade PrincipUs b apud illos plus valeat, quam reliquae radones omnes. Facile nempe concipiunt, fuam ad Deum reladonem hanc obedientiara pofiulare. T Jk N T U W, WAARNEMING VAN E E N B LAMMIGHEID DER LENDEN EN ONDERSTE LEDEMATEN, GE- NEZEN DOOR HET GEBRUIK VAN DE PLANT KHUS R.4DIC4NS. i DOOR PETRUS STEPHANUS KOK, Med. Doftor , Koninglyke Profesfor aan de Univcr* \ fitclt van Ldven , Lid der Hollandfche Matt* fchappye der Wetenfchappen te Haarhm en ran anderc Gehcrdc Genoodfchapfen &c. &c. L 3 WAARNEMING VAN E E N E LAMMIGHEID DER LENDEN EN ONDERSTE LEDEMATEN, GE- NEZEN DOOR HEX GEURUIK VAN DE PLANT R HU S KA D I C A N S. . I. de waarde van eene Geneeskimdige waarne- mmg afhangt van het voordeel,dat zy kan bybrengen , om onzen evenmensch in zyne kwalen te hulp te ko- men; zo zal deze van zo veel meer nut kunnen 2yn, daar zy een nauwkeurig verflag geefc van een mid- del, dan, hbewel nog niec algemeen beproeft, egter eene ziekte overwonnen heeft, die veelcyds, onaan- gezien alle de daartoe aangeprezene tniddelen ge- bruikc zyn, ongeneeslyk gebleven is. L 4 . II WAARNEMING VAN EENE . II, Het voldoet niet , dat na het gebruik van een geiiees middel eene ziekte weggaat , maar het is daar en boven volftrekt nodig , om zich van de werking eens middels te verzekeren, dac men on- derfcheid , of de kwaal , zonder hec gebruik van die middel , ongenezen gebleven zoude zyn : w$nt anders word men de befchimping van den geleerden Heer Font ana waardig; als hy zegt, de Geneesheer neemc voor het Geneesmiddel van een kwaal het medicament 5 na het welk de genezing gevolgd is; daar men volgens eene gezonde redenkunde, hieruit niets anders kan afleiden, als dat het aangeprezen middel het ver- mogen niet gehad heeft, van den zieken qm to J)rengen. (a) . . Ill, In het algemeen komt my de wyze van waartene-t men gebrekkig voor : wy trekken dikwerf de gevol-. gen onzer waarnemingenuiteeneongenoegzameonder^ vinding ; en wy Verhaasten ons om te beredeneren een geval , dat men niet dikwyls of onverfchillig genoeg pverwogen heeft. Hoe dikwyls koomt men met YQoringenpmenheid aan het ziekbed , en oordeelt oyer- ^e goede of kwade gevolgjen yan het gebruikte ^2 ppuscul. Phyficj. et Chymiq. pag. 176, LAMMIGMEID DER LENDEN, ENZ. del , na dat men 'er min of nieer voor geneigd was; waar uic dan een aantal onsekere waarnemingen ge- boren vvordt. $. IV. Ik bcoog hier niet den lof van ecn nicuw genees* middel te vermefcicn ; cle goede uitwerkzels moeten deszelfs voorfpreekers zyn ; en door den tyd, heeft her goede eigenfchappen , z; 1 hcc alle tegcnfpraak moe- tcn te bovcn komen. - Ik tragt hicr alleen de vrugc van myne ondervinding nan de geleerde Maatfchappy mederedeclen, en trcde in geengcfchil wegens hetgee- ne er vpor- of tegch die middel gezegt is. Kgter wil ik hier in *c voorbygaan wel aanmerken , dat de te- derheil van een Genres- of Heelmecsiers charakter niet dalt, dat hy een middel, tegen welke ziekte her ook zy 9 zonder veel nadenken beproeve; en, zelfs ilryd bet zeer regen de voorzigdgheid , dat men een nicuw middel gebruikt, zonder de mogelykheid van een en gocden pit flag er van te gemoet gezien te hebben. ; V. . De Koortsrbast, bet Braak- en rneer andere midde- len , hebben eertyds zeer veele , ja ! beethoofdige te- gcnitrevmgen ondergaan; egter, zo als hec dikmaals 170 WAARNEMING VAN EENE gefchied, zyn deze geneesmiddelen daarna niet alleen zeer nuttig, maar chans onontbeerbaar bcvonden. Hoe . zal het met de plant Rhus radicans gaan? de tyd en ondervinding zullen hier over alleen kunncn be- ilisfcn. . VL De plant wordt by Tournefort () Toxlcodendron triphyllum glabrum , en by Linnaus {c) Rhus radicans , foliis ternatis : foliolis pctfoltftis 9 ovatis 9 vudiS) Integerrimis i caule radicante genaamc. &c. S- VIL Alhoewel men door Jofephus Montius (//), Rosfi en- door meer andere geleerde Schryvers kennis heb- be aan de Rhus radicans ,ZQ heeft egcer de geleerde Heer Du Frtsnoy 'er zich vooral mede bezig gehou- den (e). Ook is het byzonder aan dezen Hoogleeraar 9 dat men het gebruik van deze plant, in de Lammigheid der onderite ledematen, en in de Huidziekten , ver- fchuldigd .is. 5. viu. () Inftitnt. pag. 6n. (0 Spec, plant, p. 381. (V) Bonon. Sclent, ef Art. inftit. torn. 3. De Nonnullis plantis , qua? pro venenatis habentur , obfervat. (0 Des propriety de la plance, appellee Rkus LAMMIGHEID DER LENDEN, ENZ. 171 \ . VIII. Vecle Geneeskundige fchriften hebben zederc reets met veel roem de voordeelige eigenfchappen van de Rhus radlcans in cle genoemde ziekcens (. 7.), en wel byzonder in die Lammigheid der onderite le- dematcn , die op ftuipachtige bewegingen volgt , aan de wereld bekend gemaakt , en door de druk- pers in 'c ligt gegeven. DC [Jeer Watte- camps , Scads Doftor te Valencyn , fchreef aan den Heer Baume Hoogleeraar te Montpellicr, dat de Geneesheer Pierre , teMederes, Mevrc-uw de Gra- vin van Han van Mazer ny, door het Extra ft van de Rhus radio ans,vwa eene Lammigheid, die aan de middelen van de beroemdlle Geneesheeren van Parys, aan de berugtc Baden vaji Bourbon, enz. weder- fpannig gebleven was, genezen had. De Graaf de Blangy verzekert in zynen brief van ip December 1791, dac hy een zeven- en twintigjaarigen jongeling van eene Lammigheid, die hem zcs maanden belethad te gaan , door hen extract van de JUius radicans genezen heefc. S- ** Na alles nagelezen en overwogen te hebben , wat 'er voor en tegen de voordeelen van deze cieuw aangeprezene plant opgegeven was, zo wilde ik 17* WAARNEMINGEN VAN EENE ik 'er oneenzydig over oordeelen , zo dra als my eene Lammigheid van dien aarc zoude voorgekomen zyn. Niemand meer vyand dan ik van Empirike en Specifike Hiiddelen zynde , ontkende ik , zo als ook alle Ge- nees- en HeeUmeesters mec my zullen doen, dac de Rhus radicans het vermogen had, van alle Lammig- heden der onderfte Ledfcmaten te genezen: want men zoekc even vrugteloos, gelyk in andere middelen, in deze plant alle die eigenfchappen , die tegen elke oor- zaak , die de beweeg- en gevoelloosheid kunnen ver- oorzaken, vereischt worden;en hiervoor waarfchouwc de Heer du Frewoy den Geneesheer, zo als hy meld in eenen brief van 12 December laatscleden, wanneer ik zyn Hooggel. eene waarnerajug over deze Plane gczjonden hud, S- x. Eene volkomen Lammigheid van de Lenden en de onderfte Ledematen bied my voor de tweedemaal qene voordeelige gelegenheid aan , om nu andermaal de kragc van de Rhus radicans te beproeven , waarna ik zeer verlangt had. iet hier het gevaj. i S. XL Zekere Vrouw van omtrent dertig jaren, van een Hyrcig zwak geftel, moeder van twee kindcren, wierd LAMMIGHEID DER LENDEN, ENZ. 173 in het jaar 1788, den agtflen December, van een he- vige koorcs aangevallen, die begon met huiveringen, en koude , die veranderde in hitte en daarna in zwee- ten, en welke eindelyk geheel af was op. den 10 van dezelve maand. Eenige verkoelende en buikope* nende middelen wierden, zo de zieke my verhaalde , haar toegediend. - - Den elfden derzelve maand hernam de koorts met huiveringen, enz. zo als de eerfte reis , eindigde egter met minder zwecen dan de eerftemaal op den 13 's morgens. De zieke wist niet wat haar tocn voorgefchreven is , en men kon hec niet ontdekken 9 dewyl haar Ge,neesheer reeds dood was; maar zy herinnert zich geen koorrs nieer gchad te hebbcru Den 15 December wilde de Lyderes *s morgens volgens gewoonte opftaan: maar hec gevoel en de beweging van de Lenden en van de onderfte Ledema- ten waren flerk vermiridert, en eer de dag geeindigc was , ten eenemaal verloren. - De pis en drek- lozing gefchiedde tegen haaren wih * De zieke Vrouw wist niet wat men haar toen nodig geoordeelc heeft. S. XIII. Een nrnnd omtrend daarna had zy het vermogen * - be- 174 WAARNEMING VAN EENE bekomen , van haaren drek en pis te kunnen weder* houden, en loosde dezelve ook willekeurig. s. xiv. In het begin van hen jaar 1789, wierd de hoop, welke men , door hec vcrmogen van den drek en pis willekeurig te ontlascen, bekomen had, vermindert, door dien de Lyderes gefbltcrd wierd met hevige fhiiptrekkingen der buig- en zomtyds der uhftrckkende- fpieren , die dikwerf zo fterk waren , dat de fterkfte man die niet beletten kon. Deze tegenwillige en ongelyke bewegingen hernamcn zich verfcheide malen op den dag. S- XV. Vier jaren leed deze ongelukkige vrouw dezen bs- klagenswaardigen (laat , onder het vrugteloos gebraik van al het geen haar uit- en inwendig door de Kunsc toegediend wierd. S. XVL Wanneer ik nu op 25 December 1792 tot haare hulp aangezogt wierd, onderzogt ik, welke de oor- zaak van deze tegenflreevende ziekcc mogt zyn. Ik bevond dat de Koons-flof, die door de tusfchen- pozende koorts, waarmede de Vrouw in het jaar 1788 flegts LAMMIGHEID DER LENDEN, ENZ. flegts tweemaal behebt was geweest , met genoeg ge- kookt of uitgeworpen was, zich kon verplaatst, en op de Hersfenen, het Rugge-merg, ofopdeZenu- wen ? &c. geftcld hebben , en hier door de af klein- zing of de invlocd van het Zenuvv-zap belet zyn. Dus de genezingswys beftond in de affcheiding en af- voering van het Zcnmr-znp te herfleHen, en de ge- voel- en de beweeglooze deelen vatbaar te maken voor den invloed en aandoening der Dierlyke geescen. ,v- xvn - Dewyl vooreersc deze Lanimigheid verouderc was, en haare oorzaak inzonderheid, volgens myn oordeel, hier kon bedaan in eene taaye llilftaande flofFe , (. 16.) en dewyl ten andcren , diergelyke ziekte door de koorts, door den afgang, of door ftuipachtige be- wegingen in de beledigde deelen , door de Natuur van zelfs voortgebragc , genezen is, gelyk de beroem- de van Swieten (/) en meer anderen getuigen , zo befloot ik met de middelen,door de kundigfte Genees- heeren aangeraden , te beproeven de natuur nate- volgen. . XVIII. Daarom tragtte ik op den raad van den kundigen * (/) Comment, in H. Boerh. Aphor. t. 3. . 1 7 6 WAARNEMING VAN EENE Ludwig (g ) eene ills 't ware door kunstbewcrkts koorcs te veroorzaken , op dat de ftiiftaande ftof (. 16.) geknced, verdunt, in beweging gcbragc en , was hec niogelyk 9 uitgeworpcn zoude worden ; zo als de grooce Cclfus (A) reets opgegevcn heefc. Om hier die te bewerken^ dcde ik de verlamde deelen droog, en met doordringendc gcesten, tot rood wor* dens toe, wryven. De vvelriekcnde kruidbladen ; de geestryke dampen door Wepfcr (/) zo fterk aangcra- den; de werkdadige^ roodrnakcnde en blaarcrekkende pleisters ; de drooge en gekerfde koppcn ; met een woord alle de huit-tergcnde, pyiren ontileking vef* wekkende middelen wici\kn alien zondervoordeel met geduld gebruikt* Hct Elektrike vuiir wierd by voorkeur als een koortsvefwekketid middel, zo als de groote Camper (k^) het genoerrit heefr, volgens raad van den . Geleerden de Haan (/), jallaberi (;;^, Defhaisfyi), Cratzenpein, Smibert, enz. eft op de bes- tt) Inftit. Med. Clin. pag. 30 1. . 6$s< (Ji) De Re Medica cap. 27. folio 41* (0 Obferv. Med. Praft. 32. pag. 72. (*) Disfert. Optic, de Vifa. Thaf. Miscell. 9. (0 Rat. Med. Pars I. cap. 8. pag. 139 en elders, (0 Experiences fur rEleftric. 143. . de Hemipleg. per Eleftric. LAMMIGHEID I3ER LENDEN, feeste wyze, Vrugreloos toegedient. Schoon ik met weinig vercrouwen hec Elc&rifeeren in de Lammigheid aanprys , om dat her my zeldzaam voldaan heefc , zo gelove ik egter, dat het nuccig kanwe^en, byzonder jn het geval* waar hec de koking der flilftaande vog ten of een Koorcs kan en mott te weeg brengem f. XIX* De roem waarmede de Arnica protikt, eii haife goede uitwerkzels, die zy in de Lammigheid, onder het btiluur en volgens' getuigenis van Junker ert Efthenbach gedaan heefc, porden my aan, om die iiiiddei in deze beklagenswaardige Vrouw ook ce be proeven. Ik Hec haar dan de bloemen> dan den wor tel 1 dan in zelfitandigheid , dan in af kookzel gebrui- ken , meerendeels volgens de wyze van den Weenfchen Geneesheer Collin , die met deze plant de meesce proeven gedaan heefc: egter in ons geval beancwoor- de zy niet nan onze verwagcing; daar ik nogcans hier moec belyden 5 dat zy goede uicwerkzels gedaan heefc in eene Lammigheid der bovenfte ledema'cen by zefce- rcn Pastoor, omtfent Atftwerpen, dieri ik, daar woa- fiende, geftezeri heb* Dewyl zy in 't algemeen bra- kingen ^ pynlyke aandoeningen op het zenuw -geftel 5 - tn het zweecen fe weeg brengt, dewyl zy de werk t&igen prikkclt , hunne werking verraeerderc,de taaye, M ' dik 178 WAARNEMING VAN EENE dikke, en ftoppende vogten oplost, zo als de ver- maarde Geneesheer Tisfot (0) gecuigt;moest dandeze plant aan ons oogwit, (. 18.) in aJle delen niet vol- doen , en was haare beproeving hier niet volltrekt nodig? . XX. De afleidrnde middelen, zo als de Etterdragt, de Moxa of Cylinder van den geleerden Pouteau (/>) en andere bewerkingen van dezen aart, deden niets voordeligs in die geval. Zomtyds egter wierd de Ly- deres eenige kleine prikkelingen , en eenige mindere tegenwillige beweging in de vcrlamde deelen gewaar: edog weinige dagen daarna verydelde onze hoop , en het geringe bekomene voordeel verdween ten vollen. S- XXI. Daar een aanhoudende Buikloop, volgens het ge- tuigenis van den kundigen Pereboom (^),de Lammig- held genezen heefc, zo oordeelde ik, dat hier door de ongekookte koortsftoffe (. i8.)zoude kunnen af- gevoert worden > en dus dat men hier 9 met grondige re- ^) IVlelnnges de Chirurgle, Oeuvr. Posthum. ( door haar kamer. $, XXXIL [ LAMMIGHEID DER LENDEN, ENZ. 183 $. XXXIL Op den agtften July had de Vrouw alleen eencn ftok nodig om haar in het gaan te onderfteunen , de- wyl zy waggelende en met angst ging, en op den vyftienden derzelve maand was liaar ^gang fterk , en zy had geen (leunzel meer" nodig ; hec gevoel was ook ten vollen herftelt. g. XXXIII. /^ Ziet daar eene genezing, waar over ik meerder zoude kunnen uitvvyden, ten voordele van de Khus radicans. Ik zoude 'er geen mindere gevolgen uic Jcunnen afleiden tot vermindering der vooringeno- inentheid der fchryvers, welker fchriften ik e^ter hoog agt, waar mede zy tragten dit middel in hec vergeetboek te brengen: maar ik hoop en verzoek hun alleen, dat zy hunne proeven in het werk flellen, zo als ik nog by gelegenheid doen zal,om verder kennis te geven , of de werking >dezelve Z y. Ik zegge hier voor af 5 dat de Rhus radicans my reets tweenia^l dienst gedaan heeft in de Lammigheid der onderfte ledematen , byna door de* zelve oorzaak voortgebragt : en eens heeft zy my verlegen gelaten in hec geval ; raisfchien was daar de kwaal te veel veroudert, of het geflel der Ly- de- 1 84 WAARN. VAN EENE LAMMIGH. EN& dercs tc kwaadfappig, &c. Ik laat het aan de ge* leerde Maatfchappy over, om *er vcrJer over te oordeclen, en zo myne waarneming haare goedkeu- ring wegdraagt, hec publiek 'er van te onderrigten* Non mfl tximiarum obfervationutn pr - n'i 39^ 1 2 30. 3i5 Z. 2 , , - Q j 30 Z. O, 2 ^ i i. 10 29.10! 33! ' 4 . . ~ O 2 3 3 2 Z. 2 " 7 j 3^i 2 ., U - 6 38^ 4 3z 3^ * 8 > - - !| 331 Z. Z. O. 4 . 12 : a * g. Z. 4 N. , /.ra t 10 Da- gen. Baro-" mstsr. OP Z W A N F E B R. U ^ Ther- T Winden. mom. 1 Str. Kr. E N B U R G. r A r, 1793. Lugtgc- 1 Rc>cn j ftcldhcid. I inlyn. | 29. 6| 37| Z. W. 2 Betrokken i ' 5i 4 2 a -T * 4 ^ - 5 37* Z. 2 - - 6 361 Z. W. 4 2 ? 6* 41 A. ** '"* 4 *- -' - 6| 40 2. 4 " - 5 40 Z. W. 6 _ 2 2 3 - 4- 44| f . Z. W- 8 Betr. Rcgen k - 4* 40 Z. 4 Betrokken I - 4 39 Z.Z.O. 4 , 4 " 3 I 39| . 4 Betr, Regen 1 38| Z. W. 4 Betrokken 2 - s! $8j , . 4 5 - 4 4i | 11 4 "' 5 38 j[ 'ii n 2 - 6 37 2 ,i. 6 - 5| Z, t. Q. 2 , 4" 3^i W.N.W. 2 _ - 2j 36' 2 7 - 4 41 N.N.W. 4 - 6J |ff . ^ ,. -3 ' ' 4 Ml W.Z.W. 4 , 8 - 6 39| Z. W. 4 Betr. Regcn r a - 4 39a N. W. 2 5 ' 7a 35 N. 2 Betrokken I 9 - 8 37', Z. O. 2 . - s| 37 Z. 4 ^ - 3 39| W.Z.W. 6 , ^, 19 - 3 39j 6 . 1 37 Z. 4 , . * 37| N.W. 6 I I j - 4} 39 4 . - 6 35| W.N.W. 4 __ - i J W.Z.W. 4 i 12 - ij 42 L W.t. N. 6 - 4 ..] 41 ~ -. 2 Betr. N. L. **, 3* Z. W. 2 Betrokken 13 - 9 4 2 2 . - 9 41 2 Betr. N. L. - 8 4H 2. 4 Betrokken r 14 - 6} 45 W.Z.W. 4 . . 2 - 8 S^ Betr. N. L. 1 - si 361. Z. 0. 2 BetroKkcn i 15 - 8 43* 2. 2 . - ?J 40 N. 2 . - 7 4 D N. 0. 2 . 16 - 7 42 - v . i 40 n... .. . 2, ' , M j N. W A A R N E M I N G E N FEBRU4RT, 1793. Da- Baro- Ther- Windcn. Liifttge- Regen tfen. meter. mom. Str. Kr. fteldheid. in lyn 29.101 39 N. O. 2 Betrokken j 17 " I? 40 2 j E. O (J 5 39| 2 - 8 40 Z. W. 2 Betr. mist 18 - 7^ W. 2 ; - 7| 3^5 W.N.W. 2 Betrokken ' 9| 39 2 _ , J 9 - 10 42 N. W. 2 - . * nj 40 ' 2 . 3. 1 35 Z. O. 2 Betr mist ao i 37 Z. W. 2 - I 42 .. 2 Betrokken - I 3 r 2- Z. Z. O. 2 Betr. mist 21 - 1 35! Z. Z.W. 2 Betrokken 3 1 2 N. 2 . - I 3i| Z. Z. O. 2 Betr. mist 2 - I 35 Z. W. 2 Betrokken - I 31 1 Z. 4 , - I 36^ Z.Z.W. 4 , fc 3 - O 4 2 I W.Z.W. 4 29.1l| 4 1 ! Z.- 4 Betr. Regen ^ - 1 1 -i 45| Z. W. 4 Betrokken i- T - a 4 30. 1 46 N. W. 2 . 3. 4 41 Z. 2 . 29.11 43| Z.Z.W. 4 .. i'- 25 - ir 46 > 4 V. (I - 10 41 4 - io|- 44 W.N.W. 8 i i c6 - 7* 47 4 - 7j 43 Z. W. 2 . * 4a 391 i . . 2 . 17 - io| 42 W.Z.W. 2 . i 1 ! 40 Z. 2 - iil 39 Z.Z.W. 2 > 28 - n| 40* Z.W. 2 , ' - ioj 40 1 ^ HeJder Hoogfte Barometer 30 dm. i lyn. Laagfte ' '. 29 oj Hoogfte Thermom. 47 grad. Laagfte 3 T i Regen - - 25 lyn. t-itwaasfem. 13 -e? fca- gcri. Bnro- meter. '0 P Jj Ther- mom. Z W A N 4 A A * Winden. Str. Kr. E N B U E t 2 1 , 1793. Lugtge- ftelaheid. . G; Regen inlyn. i 29. 8| 40 Z. W. 4 Betrokken I - 6 43- ' 4 " Si 44 Z. t. 0. 8 ^ , - 5* 42 W. Z.W. 4 2 441 W.N.W. 4 ' - 3| 46J Z, 12 n - 3* 43 W. 10 i 3 - 5-S 44 . 6 " 6 ? j r W. t. N. 4 39 W.Z.VV. 2 . 4 - 8 2 421 ' 2 " 8- 981 ! i i 2 111 5 J ^4 4l', Z. VV. 2 Betr. mist Bfctrokken L. a ' 9k 37{ Z.- 0. 2 Hclder 35 -at* 2 Betrokken 6 - 10 0. 2 i i i - 9f gSi N. O. 2 " Helder 36 O. N.O. 6 Betrokken 7 - 115 39 6 < 30. | N. 0. 4 . - if 32 O. t. N. 4 s " if 36 4 < 1 - i| ' 35 N. 0. 2 Helder - i 34 , O. t. N. 2 Betrokken 9 - o 38 2 ' i 29, n| : 44 N. 0. 2 , . 32 O. t. Z. 4 10 - IT ! 36 4 3 1 a 0. 4 Helder ^9! 29 Betrokken II " 9 f 34 _ (5 i . O.N. O. 4 -^ . - 36 27^ 0. 4 . 12 - io| 31 f 4 , . N. C 271 4 Helder - 1 1 33 0. Z.O. 4 Betrokken 13 - II 45 Z. a - "1 41 O. t. Z. 2 , + 30. o 4* Z. O. 2 2 14 I 4 43 N. W. 2 , 3 40^ 1 if * 385 O. 2 Betr. mist 15 _ . , 2 Betrokken 29.11 4f 0. N.O. 2 Betr. mist " 9 I 42 ' 0. 2 . 16 45 Z. Z. O. 2 Betrokken * E 5l 43 iria - 2 ^ '* t)a- i. Baro- meter. W A Ai Thcr- mom. A R N E I 4 A I Win den. Str. Kr. MING! ^ T , 1793- Lugtgc- ftcldheid. : N Regon inlyn. 29. 6 34 W. 2 Uijtrokken 2 17 - 6 45 0. 2 " 3 t 4*1 0. Z. 0. 4 : 45 Z. O. a - I IS i * 48 2 , - 3| 44 1 2 . - 6 42 2 - 19 - 75 46 W. 2 ' E. LJ Ct 40 VV.Z.W. 2 9 42i Z. O. 2 . 20 - 9! 5 2 Z. W. 2 __ - 9i 45 Z. Z. 0, 2 . - 91 43i Z. 0. 2 , 21 - 9l 5 2 - 2 , 9^ 47 x 2 - - 8| 45 2 * , 82 7j 52 .I 2 , - 7 45 2 - 7 43 Z.Z.W. 2 :_._ 23 - si 42 W. t. N. 2 - 9 4 N.N.O- 2 Helder - 9 41 N. O. 4 Betrokken 24 -. 6 Betr. Regen - 9l 39! N. N. O. 4 Betrokken f - ioi 38* N. 2 . 25 - 10$ 4i | * 6 , - to 40 . 6 Tl a - 91 361 . . 8 . 26 - 9 4I S 3 C .- - 8 Helder v. B - io* O ? 6 Betrokken *7 - 10! 34 6 , - 9! - 8 2Q i- 2O N.N.O. 2 Z. O. 2 Helder Betrokken 48 - 8 35* N. N. O. 2 - 8 N. O. 2 - - - 8 35* O. N.O. 2 , 79 - 8 39 _ 2 1 - 8 N.N.O. 2 - 9' 35 > . 2 * 3 9 t 44 37 N. 2 Betr. N. L. ' 9l " 3*1 2 Betrokken 3i : 9 'J " N.N.O. 2 ~ i Hoogftc Barometer 30 dm. i| Ivn. Laajfte ' 29 T | -* Hoogfte Thermom. 52-*-grad. Regen - - iolyn. OP ZWANENBURG. A P R I L , 1793 Baro- I Ther- j Winden. Lugtgc- meter. I mom. Str. Kr. fteldheid. '93- ;c- j Regen I eid. I i uly n. \ 29. 9| 40 W. 2 Bctrokken , I - 9' i 47 L O. Z.O. 2 - j 2 O. 2 Z. 0. 2 .. 3, - 8 47 2 ' " 2 * M 40.1 Z. 2 rr . ^ 1 ' 3 * * - 10; 47| 4 Z. W. 2 N. O. 2 Heldcr L>* G 5 - lot 39 O. N.O. 2 Bcirokken : 4 - 10* 49- ii 2 "~ "^ ^^ r 9| 44 . . 2 Hclder - 10 41 i 2 M ~ 5 - 10-, 50 3 . _ 2 ' - IO 45 J 2 - 10^ 40 L .. 4 " ' ' - It 47-* 6 . " XI i 41 4 3. \\ 38 4 "' " ~ 7 - i 47 TV " 4 - i 421 N. O. 4 - j| 5 O. N.O. 4 ' r $ 13 45 3 ... 4 " J I #! N. 0. 4 - j| 37 4 "~ 9 44 -*- 4 I 'j 38 N. W. 4 Betrokkcn 10 i 4 K. ^9.113 40 a N. 4 ~ - 10.5 38 -2 -- ii - IO1 44 W.N.W. 2 -II 3 36 W. 2 ~ 9| 39 N. O. 2 ~~ 12 - 4 46 40 N. t. O. 2 Helder 13 ** 38 43 N. O. 2 N. W. 2 Betrokken - 7 4 W. 2 " ' " ? T 40 N. N. O. 2 r M 3 38 34 45 N.N.W. 4 N. 4 N.N.W. 4 Betr. N. L. Bctrokken \ *S - 7 46 Z. W. 6 z< ^ Betr. Regen 16 - 4 4 35* 38* Z. W. 4 N. W. 4 Bctrokken 4 E , - 7* 375 _. " ! 4 . n I / t)a- | Baro- tren. ' meter. W A A R N E M I N G E J P R. I L , 1793. Thcr- I Wiuikn. j Lugtge- njom. I Str. Kr. | fteldhcid. Regen in lyn. *9- 9v . f T ' 5* -! N.W. 2 Betrokken < . 17 - 10 42 VV.N.W. 2 . ~_ . 'J - 9 40 ' 2 _ - 6 33 " Z. t. 0., 2 . . . 2 ; 18 V 45^ Z, W. 2 : ^ t E; Q (J 28.1l| 4 [ i JSUVV. 2 Betr. Regefi i| - j 29. 4 40 '" 4 -Betrokken' 2 19 - 5| 40^ 6 __ 38~! "" "" ""* 4 - io| 391 4 : 20 - I I . 42- 1 4 ' 30. o a7 N.N.W. 2 Orz /^\ . - i 3 ^2 . Z. O* 2 21 - i 45*j Z. O; 2 , . - i 40 O/"7 /v ' * j[ 40 ; Z. O; 2 . ; 22 1 1 5 0. 2 * - i 43 O. N. O. 2 Or7 s\ Hclder 29.IIJ 43 . Z. O. 2 23 5i|. O. 2 " ;, \ .. - 9 47 O. N.O. 2 .-T-i- . - 8 45| O. 2 Betrokken 24 - 7| O. N-. O. 4 i - 71- 46 * - 1 - - 4 - j- N. -2 , ap - 8 3 J 45 N.N.W. 4 _ " 7s- 42! Z. W 4 - 2 3 - 7| 47 f W. 6 .. N. W. 4 , -Ii , 42 6 . 5>" |i - ui: 451 6 .. - J. 42| ^ 2 - ^ lloogfce Barometer 30 dm. i lyn. r - n * Laagfte Hoogfte Thermom. Rcgcn - - Vitwaasfera, 39i-* 29 ~ if - igrad. 42 Da- j Baro- gen. 1 meter. O P Ther- morn. ZWANENBU j UN T, 1793- Winden. 1 I-u^tge- Str. Kr. ! ftcldheid. R O. . Regert inlyn. ** ->""-'" 30. !